Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7274

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
C/10/596213 / HA ZA 20-443
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Vonnis in incident. Primair in incident niet-ontvankelijkverklaring gevorderd, subsidiair (dwz: voorwaardelijke) verstrekking van documenten. Is gedaagde in haar juiste hoedanigheid gedagvaard? Kennelijke vergissing. Gedaagde had moeten begrijpen dat zij in haar hoedanigheid als vereffenaar was gedagvaard. Primaire incidentele vordering daarom afgeschreven. Wat betreft de subsidiaire incidentele vordering en het geschil in de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling bevolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0216
JERF Actueel 2020/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/596213 / HA ZA 20-443

Vonnis in incident van 19 augustus 2020

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats eiser 3] ,

eisers in conventie in de hoofdzaak,

verweerders in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. J.M. Krommendijk te Zoetermeer,

tegen

de erfgenamen in de nalatenschap van [naam erflater] (mevrouw [gedaagde] ),

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.C.G. Stut te Rotterdam.

Partijen zullen hierna “ [eiser 1] c.s.” en “ [gedaagde] ” genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 april 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van eis in incident, tevens conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Op 10 mei 2019 is te Rotterdam overleden de heer [naam erflater] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , laatstelijk wonende aan het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] (hierna: erflater).

2.2.

Erflater was gehuwd met mevrouw [naam persoon 1] (hierna: [naam persoon 1] ) en had met haar vier kinderen, namelijk [eiser 1] c.s. en [naam persoon 2] (hierna: [naam persoon 2] ). [naam persoon 1] is op 11 september 2005 overleden en heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt. Dit was een zogenaamd langstlevende-testament waarin is bepaald dat erflater en haar kinderen haar erfgenamen zijn, maar dat de erfdelen van de kinderen eerst opeisbaar zijn na het overlijden van erflater. [naam persoon 2] is op 1 mei 2019 overleden.

2.3.

Erflater was ten tijde van zijn overlijden ongehuwd en niet geregistreerd als partner. Erflater had ten tijde van zijn overlijden een affectieve relatie met [gedaagde] en woonde met haar samen.

2.4.

Bij testament van 14 december 2017 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament is [gedaagde] tot enig erfgenaam van erflater benoemd. [gedaagde] heeft daarnaast in het testament een bedrag van € 25.000,- gelegateerd gekregen en [eiser 1] c.s. heeft een geldbedrag gelegateerd gekregen gelijk aan het erfdeel dat elk van hen zou hebben gekregen als zij samen met [gedaagde] als erfgenaam tot de nalatenschap zouden zijn geroepen (1/4e deel). [gedaagde] is in het testament tot executeur benoemd.

2.5.

[gedaagde] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Hierdoor is haar taak als executeur geëindigd en moet de nalatenschap van erflater door [gedaagde] worden vereffend.

3. Het geschil in het incident

3.1.

[eiseres] heeft in incident gevorderd dat:

I. [verweerder 1] c.s. niet ontvankelijk wordt verklaard in de vorderingen;

II. voorwaardelijk, voor zover de rechtbank oordeelt dat [verweerder 1] c.s. ontvankelijk is in de vorderingen:

[verweerder 1] c.s. te veroordelen aan [eiseres] te verstrekken;

a. afschriften van de bankafschriften van alle bankrekeningen die ten tijde van het overlijden van [naam persoon 2] (mede) op zijn naam waren gesteld tot en met opheffing van die rekeningen althans tot en met de datum van dit vonnis;

b. een machtiging voor de ING Bank voor het opvragen van eventueel ontbrekende bankafschriften voor de periode vanaf 1 mei 2019;

c. althans een voorziening te treffen althans te beslissen zoals de rechtbank juist acht.

III. [verweerder 1] c.s. te veroordelen in de kosten van het incident, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] heeft aan haar vordering onder I. ten grondslag gelegd dat [verweerder 1] c.s. niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat men [eiseres] niet in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van erflater heeft gedagvaard. Op grond van artikel 4:211 lid 2 BW vertegenwoordigt de vereffenaar bij vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. [eiseres] is in deze procedure als erfgenaam verschenen en niet als vereffenaar.

Aan de vordering onder II. heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat zij samen met [verweerder 1] c.s. erfgenaam is in de nalatenschap van [naam persoon 2] ( [eiseres] treedt als enig erfgenaam van erflater in zijn plaats). [eiseres] heeft de nalatenschap van [naam persoon 2] beneficiair aanvaard, zodat deze vereffend moet worden. De nalatenschap van [naam persoon 2] is vereffend althans moet als vereffend worden beschouwd. In verband met een vordering tot verdeling heeft [eiseres] recht en belang om de administratie van de nalatenschap van [naam persoon 2] in te zien.

3.3.

[verweerder 1] c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat men ontvankelijk is, omdat men [eiseres] als erfgenaam heeft gedagvaard die tevens vereffenaar is. Er is geen verschil tussen de persoon van de erfgenaam en de vereffenaar waarop artikel 4:211 BW zou kunnen zien. De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen in de nalatenschap en vervangt deze niet.

[verweerder 1] c.s. heeft aan notariskantoor Van Spreeuwel te Barendrecht een volmacht verstrekt om de nalatenschap van [naam persoon 2] af te wikkelen. [eiseres] heeft dit notariskantoor dezelfde volmacht verstrekt. [verweerder 1] c.s. heeft [eiseres] de administratie verschaft waarover men beschikte. [eiseres] moet haar verzoek tot inzage tot de notaris wenden, zodat zij niet-ontvankelijk is in haar voorwaardelijke eis in reconventie.

4. De beoordeling in incident

Niet-ontvankelijkheid

4.1.

[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verweerder 1] c.s. niet ontvankelijk is in de vorderingen, omdat men haar niet in haar hoedanigheid van vereffenaar heeft gedagvaard.

4.2.

Een vereffenaar in een nalatenschap heeft een privatieve bevoegdheid voor wat betreft vragen die de omvang en samenstelling van de nalatenschap betreffen. Dit betekent dat een vereffenaar als enige gerechtigd is om procedures te voeren over de omvang en samenstelling van de nalatenschap. [verweerder 1] c.s. heeft in deze procedure gesteld dat men schuldeiser is van de nalatenschap van erflater, zodat deze procedure ziet op de omvang en/of samenstelling van de nalatenschap van erflater en dus de vereffenaar de bevoegde persoon is om deze procedure te voeren.

4.3.

In onderhavige zaak heeft [verweerder 1] c.s. “de erfgenamen in de nalatenschap van” erflater gedagvaard. De beantwoording van de vraag in welke hoedanigheid iemand is gedagvaard vergt uitleg van de dagvaarding. Op grond van artikel 3:59 BW zijn de artikelen 3:33 en art. 3:35 BW op deze uitleg van overeenkomstige toepassing (HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765 en HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435).

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. In onderhavige zaak staat vast dat de erfgenamen van erflater en de vereffenaar in de nalatenschap van erflater één en dezelfde persoon zijn, namelijk [eiseres] , en dat er geen andere erfgenamen zijn. Nu [verweerder 1] c.s. de dagvaarding aan de erfgenamen van erflater heeft betekend, komt men dus bij [eiseres] uit. [eiseres] had daarnaast ook uit de dagvaarding kunnen begrijpen dat zij in haar hoedanigheid vereffenaar was gedagvaard, omdat [verweerder 1] c.s. in de dagvaarding aan de vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat men een vordering heeft op de nalatenschap van erflater en dat [eiseres] als vereffenaar de verplichting heeft om de schulden van de nalatenschap van erflater te voldoen. In deze situatie waarin [eiseres] zowel de enige erfgenaam als de enige vereffenaar is en waarin in de dagvaarding duidelijk is omschreven dat [eiseres] als vereffenaar de verplichting heeft om [verweerder 1] c.s. te betalen, had [eiseres] redelijkerwijs moeten begrijpen dat zij in haar hoedanigheid van vereffenaar is gedagvaard. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat dagvaarden van de verkeerde partij (daaronder begrijpt de rechtbank ook de verkeerde hoedanigheid van een partij) volgens de Hoge Raad niet altijd tot niet-ontvankelijkheid hoeft te leiden. Het gaat erom of de wederpartij had moeten begrijpen wie er gedagvaard is en dat de wederpartij niet in haar belangen is geschaad. De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is. [eiseres] als vereffenaar is immers dezelfde persoon als erfgenaam en niet gebleken is dat zij in haar belangen geschaad is. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze kennelijke vergissing niet tot niet-ontvankelijkheid hoeft te leiden. De procedure zal derhalve tegen [eiseres] in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van erflater worden voortgezet.

Afschriften bankrekening [naam persoon 2]

4.5.

De tweede incidentele vordering van [eiseres] is voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval [verweerder 1] c.s. ontvankelijk is in de vorderingen in de hoofdzaak. Gelet op wat hiervoor is overwogen is dat het geval, zodat aan de beoordeling van de tweede incidentele vordering wordt toegekomen.

4.6.

[eiseres] heeft gevorderd dat [verweerder 1] c.s. wordt veroordeeld om bankafschriften uit de nalatenschap van [naam persoon 2] over te leggen en haar te machtigen om bij de ING Bank eventuele ontbrekende bankafschriften op te vragen.

4.7.

De rechtbank zal wat deze vordering betreft een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

4.8.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.9.

De zaak wordt naar de rol verwezen zodat partijen hun verhinderdagen kunnen opgeven.

4.10.

De rechtbank geeft [eiseres] alvast wel in overweging om het notariskantoor Van Spreeuwel te Barendrecht te benaderen voor de bankafschriften zoals door [verweerder 1] c.s. is voorgesteld. Volgens [verweerder 1] c.s. heeft dit notariskantoor immers een volmacht om de nalatenschap van [naam persoon 2] af te wikkelen en beschikt dat notariskantoor over de daartoe benodigde administratie van [naam persoon 2] .

Proceskosten

4.11.

De beslissing hieromtrent wordt aangehouden.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

De rechtbank zal ook in de hoofdzaak een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

5.2.

[verweerder 1] c.s. heeft – voor zover daartoe nog aanleiding bestaat – de gelegenheid om een conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie te nemen. Als men schriftelijk wil reageren op de reconventionele vordering dan dient men dit uiterlijk tien werkdagen voor aanvang van de mondelinge behandeling toe te zenden aan de rechtbank en aan de andere partij.

5.3.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.4.

De zaak wordt naar de rol verwezen zodat partijen hun verhinderdagen kunnen opgeven.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de eerste incidentele vordering af;

met betrekking tot de incidentele vordering voor het overige en de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2020 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2020, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald;

houdt voor het overige de beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.

3120