Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7254

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
FT RK 20-337
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillietverklaring - pluraliteit en vordering niet betwist - voldoende gelegenheid geboden tot treffen betalingsregeling, geen nader uitstel

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Faillissementswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 18 augustus 2020

VONNIS op het op 30 juni 2020 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAGUAR, THE FRESH COMPANY B.V.

gevestigd te Breda,

verzoekster,

advocaat: mr. L.M. Ravestijn,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CATAK GROOTHANDEL B.V.,

kantoorhoudende aan de Groothandelsmarkt 48, loods 48/49,

3044 HB Rotterdam,

statutair gevestigd te Rotterdam,

verweerster.

1 De procedure

De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Corona-crisis (hierna: TARIC), verzoekster en verweerster schriftelijk geïnformeerd over de behandeling van onderhavig verzoekschrift ter zitting van 4 augustus 2020 en 11 augustus 2020 onder toezending van een formulier waarop verzoekers en verweerster hun standpunt naar voren konden brengen, met de mededeling dat dit formulier uiterlijk voor 14:00 uur op de dag voorafgaande aan de behandeling door de griffie dient te zijn ontvangen.

De formulieren met bijlagen zijn van verzoekster en verweerster ontvangen ter griffie van deze rechtbank.

Ter zitting van 4 augustus 2020 en 11 augustus 2020 zijn, conform TARIC, telefonisch gehoord:

  • -

    mr. L.M. van Ravestijn, advocaat van verzoekster;

  • -

    [betrokkene] , (middellijk) bestuurder van verweerster.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Verzoekster heeft gesteld dat zij uit hoofde van verkochte en geleverde groente en fruit, althans levensmiddelen een opeisbare vordering heeft op verweerster. Verzoekster verwijst tevens naar een aanmaning van Coface Nederland Services B.V. van 24 juni 2020 waaruit blijkt dat verweerster een vordering van Frukar B.V. onbetaald laat. Verweerster verkeert derhalve in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.

Verweerster heeft voor de zitting van 4 augustus 2020 op het formulier conform TARIC een betalingsregeling voorgesteld van betaling van 30% van de totale vordering. Ter zitting van 4 augustus 2020 heeft [betrokkene] verklaard dat als de debiteuren van verweerster betalen, hij verzoekster kan betalen. Verzoekster heeft niet ingestemd met de voorgestelde betalingsregeling tegen finale kwijting en heeft verzocht om inzage in de debiteuren van verweerster. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift aangehouden tot 11 augustus 2020 om verweerster in de gelegenheid te stellen om vóór 11 augustus 2020 € 7.000,-- aan verzoekster te betalen en voor het restant een betalingsregeling te treffen.

Ter zitting van 11 augustus 2020 is gebleken dat verweerster geen betaling aan verzoekster heeft gedaan. Verweerster heeft verklaard dat een het niet gelukt is omdat een debiteur niet heeft betaald. Verweerster heeft een nieuwe betalingsregeling voorgesteld van € 2.000,-- per maand. Mr. Ravestijn heeft gepersisteerd bij het verzoek aangezien er meermaals betalingsafspraken zijn gemaakt, welke vervolgens niet door verweerster zijn nagekomen. Verzoekster heeft er geen vertrouwen in dat verweerster een nieuwe afspraak wel zal nakomen.

2 De beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

Ingevolge artikel 6 lid 3 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze.

De rechtbank stelt vast dat verweerster het vorderingsrecht van verzoekster niet heeft betwist en de vordering onbetaald heeft gelaten. Noch heeft zij betwist dat zij andere vorderingen onbetaald laat. Verweerster is door verzoekster in de gelegenheid gesteld om een, voor verzoekster aanvaardbare, betalingsregeling te treffen. Nu niet gebleken is dat er zicht is op volledige betaling binnen afzienbare termijn, oordeelt de rechtbank dat verweerster voldoende mogelijkheden heeft gehad om de vordering te voldoen. Bij nader uitstel van de behandeling van het faillissementsrekest worden de belangen van verzoekster geschaad.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoekster en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

3 De beslissing

De rechtbank,

- verklaart CATAK GROOTHANDEL B.V. voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. C. de Jong, lid van deze rechtbank;

- stelt aan tot curator mr. J.O. Bijloo, advocaat te Rotterdam;

- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020 te 10:00 uur. 1

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.