Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7249

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
83-218401-19 en 83-201488-19 (ttz gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft als bestuurder van twee faillietverklaarde vennootschappen de curator onjuiste en onvolledige inlichtingen verstrekt en heeft een onvolledige boekhouding gevoerd en ingeleverd bij de curator. De verdachte heeft voorts goederen aan de boedel onttrokken.

Daarnaast heeft de verdachte als ontvanger van een WW-uitkering verzwegen aan het UWV dat hij bestuurder was van vennootschappen en dat hij daarin werkzaamheden verrichtte.

Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met als bijkomende straf het verbod tot het uitoefenen van het beroep als bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van vijf jaar ter bescherming van toekomstige schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-08-2020
FutD 2020-2382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 83-218401-19 en 83-201488-19 (ttz gevoegd)

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. L.H. Versteegh, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T.M. Rethmeier heeft gevorderd:

- ten aanzien van het bij dagvaarding met parketnummer 83-218401-19 (hierna: dagvaarding I) ten laste gelegde:

- partiele vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde onderdelen ten aanzien van het onttrekken aan de boedel van contant kasgeld en remboursgeld van € 20.740,39 en van een geldbedrag van in totaal € 10.752,80 (overgemaakt naar [naam accountantskantoor] );

- bewezenverklaring van het overigens ten laste gelegde;

- ten aanzien van het bij dagvaarding met parketnummer 83-201488-19 (hierna: dagvaarding II) ten laste gelegde: bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- ten aanzien van het bij dagvaarding I en II ten laste gelegde:

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

4. Waardering van het bewijs

ten aanzien van dagvaarding I:

4.1.

Partiele vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde onderdeel onttrekken van een bedrag van € 20.740,39 contant kasgeld en remboursgeld aan de boedel en/of het vermogen van [naam post(koerierbedrijf)] (hierna: [naam post(koerierbedrijf)] ) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering partieel zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde en heeft kort samengevat aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het onvolledig en onjuist verstrekken van inlichtingen en het niet ter hand stellen van de administratie aan de curator. De verdachte heeft de kennis die hij had gedeeld met de curator. Weliswaar heeft hij een periode niet gereageerd op vragen van de curator, maar dit kwam omdat hij werd bedreigd. Hij kon daarom zijn e-mails niet bekijken en de telefoon niet beantwoorden.

Ten aanzien van feit 2 (a), de onttrekking van de bedrijfsauto’s aan de boedel door deze over te dragen aan [naam post(koerierbedrijf)] ., heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte hier ‘te voortvarend’ te werk is gegaan. De bedrijfsauto’s zijn overgeschreven in de veronderstelling dat er een doorstart zou plaatsvinden. Van een langdurige en opzettelijke onttrekking was echter geen sprake; de verdachte heeft de kentekenbewijzen immers op eerste aanzegging overgedragen aan de curator. Ten aanzien van het niet ter beschikking van de curator komen van de Hyundai en de Fiat valt verdachte geen verwijt te maken.

De verdachte heeft (b) een geldbedrag van € 26.881,30 van de bankrekening van [naam transportbedrijf] (hierna: [naam transportbedrijf] ) naar de bankrekening van [naam post(koerierbedrijf)] . overgeboekt, omdat de Rabobank de bankrelatie met [naam transportbedrijf] had opgezegd. Dit geldbedrag is vervolgens overgeboekt naar [naam accountantskantoor] , omdat [naam accountantskantoor] in die periode alle bedrijfskosten van [naam transportbedrijf] had voorgeschoten.
De geldbedragen van in totaal € 10.752,80 die zijn overgeboekt vanaf de bankrekening van [naam post(koerierbedrijf)] naar [naam accountantskantoor] zien eveneens op voorgeschoten kosten alsmede op facturen voor de administratieve werkzaamheden van de heer [naam persoon] .

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging opgemerkt dat de administratie niet volledig gevoerd is.

Ten aanzien van het bij dagvaarding II ten laste gelegde heeft de verdediging geen standpunt ingenomen.

4.2.2.

Beoordeling

[naam post(koerierbedrijf)] is op 4 oktober 2016 en [naam transportbedrijf] is op 1 november 2016 failliet verklaard. De verdachte was (middellijk) bestuurder van de beide vennootschappen. Tevens was de verdachte middellijk bestuurder van [naam post(koerierbedrijf)] en vennoot van [naam accountantskantoor] .

Feit 1:

De verdachte heeft als bestuurder van [naam post(koerierbedrijf)] en [naam transportbedrijf] in de periode van 5 oktober 2016 tot en met 28 november 2016 niet de gevraagde inlichtingen aan de curator verstrekt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de curator de verdachte in genoemde periode herhaaldelijk om inlichtingen verzocht heeft, zowel via de telefoon als per e-mail. Daarbij heeft hij gedetailleerd te kennen gegeven welke inlichtingen en welke specifieke documenten uit de administratie hij wenste te ontvangen. Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat de verdachte wel (sporadisch) telefonisch reageerde op de verzoeken van de curator, maar telkenmale naliet de gevraagde inlichtingen en documenten te verschaffen.

Het beroep op bedreigingen ten gevolge waarvan de verdachte enige tijd geen inlichtingen kon verstrekken kan de verdachte niet baten. Uit de overgelegde aangifte van bedreiging d.d. 25 november 2016 volgt immers dat van daadwerkelijke bedreigingen eerst op 24 november 2016 sprake is geweest. Onduidelijk is aldus gebleven wat er voor de verdachte gedurende de periode van 5 oktober tot 24 november 2016 aan in de weg stond de op hem rustende inlichtingenverplichting na te komen.

De rechtbank acht eveneens bewezen dat de verdachte aan de curator onjuiste informatie heeft verschaft over de aanwezigheid van kasgeld in [naam post(koerierbedrijf)] . Op 5 oktober 2016 heeft hij tegen de curator gezegd dat er geen kasgeld was. Op 27 oktober 2016 heeft hij bij een verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat er twee kleine kassen waren, dat het kasgeld niet meer bedroeg dan € 250,-, in elk geval niet meer dan € 500,- per kas, in totaal dus niet meer dan € 1.000,-, en dat dit voor hem de reden was om op 5 oktober 2016 tegen de curator te zeggen dat er geen kasgeld aanwezig was. Met die laatste verklaring staat vast dat de verdachte op 5 oktober 2016 onjuiste informatie heeft verstrekt over de aanwezigheid van kasgeld.

De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat de verdachte de op hem rustende verplichting tot het verstrekken van inlichtingen en het overleggen van administratie aan de curator opzettelijk niet is nagekomen. Tevens is bewezen dat de verdachte opzettelijk onjuiste informatie aan de curator heeft verschaft omtrent de aanwezigheid van kasgeld.

Feit 2:

Onttrekking voertuigen aan de boedel van [naam post(koerierbedrijf)]

Op 29 september 2016, derhalve minder dan een week vóór de faillietverklaring, heeft verdachte, handelend namens [naam post(koerierbedrijf)] , het volledige wagenpark van die entiteit in eigendom overgedragen aan een nieuw opgerichte BV, [naam post(koerierbedrijf)] ., waarvan hij middelijk bestuurder en aandeelhouder was. Daarbij is de koopsom in rekening-courant geboekt. Vast staat dat [naam post(koerierbedrijf)] . geen verhaal bood, omdat zij een vennootschap zonder enig vermogen (een ‘lege’ BV) was. Als beweegreden voor deze rechtshandeling heeft de verdachte opgegeven dat hij “vooruitlopend op een deal met de curator met het zicht op een doorstart de auto’s [heeft] overgeschreven.” Uit die verklaring volgt dat de verdachte wist dat [naam post(koerierbedrijf)] gedoemd was om kort nadien om te vallen. Die wetenschap volgt ten overvloede eveneens uit het feit dat hij begin september (2016) de crediteuren van [naam post(koerierbedrijf)] op de hoogte heeft gebracht dat hun vorderingen niet op tijd betaald konden worden.

Dit onderdeel van het ten laste gelegde is derhalve bewezen. Dat de curator de eigendomsoverdracht vernietigd heeft en de voertuigen derhalve uiteindelijk in de boedel zijn teruggekeerd, doet niet ter zake.

Onttrekking gelden aan de boedels van [naam post(koerierbedrijf)] en [naam transportbedrijf]

De verdachte heeft in de maand september 2016 diverse geldbedragen van in totaal

€ 10.752,80 onder vermelding van management fee en voorgeschoten crediteuren van de bankrekening van [naam post(koerierbedrijf)] overgeboekt naar [naam accountantskantoor] . Op 10 oktober 2016 heeft verdachte het gehele banksaldo van € 26.881,30 van de bankrekening van [naam transportbedrijf] via een tussenrekening op naam van [naam post(koerierbedrijf)] . overgeschreven naar [naam accountantskantoor] .

Het verweer van de verdediging dat het banksaldo van [naam transportbedrijf] is overgeboekt omdat de Rabobank de bankrelatie met [naam transportbedrijf] had opgezegd doet niet ter zake. Het gaat hier immers om een onttrekking aan de boedel middels een onverplichte rechtshandeling op een moment dat de verdachte wist dat het faillissement van [naam transportbedrijf] was aangevraagd. De verdachte is immers op 6 september 2016 in raadkamer van deze rechtbank verschenen teneinde uitstel te vragen van de behandeling van het aanhangige faillissementsrekest.

In het faillissement van [naam post(koerierbedrijf)] zijn door de fiscus en het UWV preferente vorderingen ingediend ten bedrage van tezamen bijna 1 miljoen euro; in dat van [naam transportbedrijf] belopen beide preferente vorderingen samen iets minder dan € 250.000. De verdachte wist dat het UWV niet werd betaald en wist blijkens zijn verklaring ter terechtzitting dat het begin september al niet goed ging met zowel [naam post(koerierbedrijf)] als [naam transportbedrijf] . Onder die omstandigheden strekten de betalingen vanaf de bankrekeningen van [naam post(koerierbedrijf)] (in september 2016) en [naam transportbedrijf] (op 10 oktober 2016) aan [naam accountantskantoor] , zelfs indien er al enige rechtsgrond tot betaling van die bedragen bestond, tot benadeling van de andere crediteuren in hun verhaalsmogelijkheden en moet de verdachte geweten hebben dat dit het geval was. Ook dit onderdeel van de tenlastelegging is derhalve bewezen.

Feit 3:

Omdat het ten laste gelegde door de verdachte is bekend is en er geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak, zal dit feit zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3.

4.3.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1
hij in de periode van 4 oktober 2016 tot en met 2 mei 2019 te Dordrecht en Rotterdam en Nieuwerkerk aan den IJssel, als bestuurder van rechtspersonen, te weten [naam post(koerierbedrijf)] en [naam transportbedrijf] . , welke rechtspersonen in staat van faillissement zijn verklaard, te weten [naam post(koerierbedrijf)] bij vonnis van de rechtbank te Den Haag van 4 oktober 2016 en [naam transportbedrijf] bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 1 november 2016, en wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk niet is verschenen en heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft gegeven, immers heeft hij, verdachte,
- niet voldaan aan de verzoeken van de, door de rechter aangewezen, curator in de bovengenoemde faillissementen om inlichtingen en (een deel van de) administratie van bovengenoemde rechtspersonen te verstrekken en
- de curator onjuiste informatie gegeven over de aanwezigheid van contant geld.

2.

hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 2 mei 2019, te Dordrecht en Nieuwerkerk aan de IJssel, in elk geval in Nederland, als bestuurder van rechtspersonen, te weten [naam post(koerierbedrijf)] en [naam transportbedrijf] . , welke rechtspersonen in staat van faillissement zijn verklaard, te weten [naam post(koerierbedrijf)] bij vonnis van de rechtbank te Den Haag van 4 oktober 2016 en/of [naam transportbedrijf] bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 1 november 2016, voor intreding van het faillissement , wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, enig goed aan de boel heeft onttrokken en heeft vervreemd, immers heeft hij, verdachte,
voertuigen, te weten een bedrijfsauto (merk Daf) met kenteken [kentekennummer 2] en een oplegger (merk Van Hool) met kenteken [kentekennummer 3] en een oplegger (merk Van Hool) met kenteken [kentekennummer 4] en/ een oplegger (merk Van Hool) met kenteken [kentekennummer 6] en een bedrijfsauto (merk Iveco) met kenteken [kentekennummer 5] en een bedrijfsauto (merk Iveco) met kenteken [kentekennummer 9] en een bedrijfsauto (merk Iveco) met kenteken [kentekennummer 1] en een personenauto (merk Hyundai) met kenteken [kentekennummer 7] en een bedrijfsauto (merk Fiat) met kenteken [kentekennummer 8] aan de boedel en aan het vermogen van [naam post(koerierbedrijf)] , onttrokken (door wijziging van de tenaamstelling van bovengenoemde voertuigen voor datum van faillissement
en
voor de intreding van het faillissement een van de schuldeisers van de genoemde rechtspersonen op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld , immers heeft hij, verdachte, in de maand september 2016, ten aanzien van de rechtspersoon Nesselande Pakket Service, geldbedragen van (in totaal) € 10.752,80 overgemaakt naar [naam accountantskantoor] en in de maand oktober 2016, ten aanzien van de rechtspersoon [naam transportbedrijf] , een geldbedrag van € 26.881,30 overgemaakt naar [naam accountantskantoor] .

3.

hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 2 mei 2019 te Dordrecht en Nieuwerkerk aan de IJssel als bestuurder van rechtspersonen, te weten [naam post(koerierbedrijf)] en [naam transportbedrijf] ., welke rechtspersonen in staat van faillissement zijn verklaard, te weten [naam post(koerierbedrijf)] bij vonnis van de rechtbank te Den Haag van 4 oktober 2016 en [naam transportbedrijf] bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 1 november 2016, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken en bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator heeft verstrekt, en

voor het faillissement van bovengenoemde rechtspersonen opzettelijk niet heeft voldaan aan aan de wettelijke verplichting tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken en bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt,
immers heeft hij, verdachte,
- geen volledige boekhouding en administratie gevoerd (onder meer een incomplete crediteuren- en debiteurenadministratie en een onvolledige personeelsadministratie) en bewaard en (desgevraagd) overgelegd aan de curator in het faillissement van bovengenoemde rechtspersonen.

ten aanzien van dagvaarding II:

4.4.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Omdat het ten laste gelegde door de verdachte is bekend is en er geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak, zal dit feit zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 oktober 2016 in Nieuwekerk aan den IJssel, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 25 Werkloosheidswet en artikel 49 Ziektewet opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken ter bevoordeling van zichzelf terwijl verdachte wist, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en Ziektewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk geen opgave gedaan van en verzwegen dat hij, verdachte
-bestuurder en enig aandeelhouder was van de rechtspersonen [administratie-en belastingadvieskantoor] . en [naam post(koerierbedrijf)] en [naam post(koerierbedrijf)] . en [naam transportbedrijf] en [naam goederenvervoerbedrijf] . ,
en dat hij voor en/of namens bovengenoemde rechtspersonen werkzaamheden heeft verricht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

onder parketnummer 83-218401-19:

1.

in het faillissement van een ander wettelijk verplicht zijnde tot het geven van inlichtingen hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijven, hetzij weigeren de vereiste inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen geven, meermalen gepleegd;

2.

als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel hebben onttrokken of onttrekken, en

als bestuurder van een rechtspersoon voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, een van de schuldeisers van de rechtspersoon op enige wijze wederrechtelijk hebben bevoordeeld of bevoordelen, meermalen gepleegd;

3.

de eendaadse samenloop van:

als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken, meermalen gepleegd, en

als bestuurder van een rechtspersoon voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet hebben voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt, meermalen gepleegd.

ten aanzien van dagvaarding II:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van hemzelf, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of die tegemoetkoming.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 juni 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.

Strafoverweging

De verdachte heeft als bestuurder van de gefailleerde vennootschappen [naam post(koerierbedrijf)] en [naam transportbedrijf] zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. De verdachte heeft geldbedragen van in totaal
€ 37.000,- en negen bedrijfswagens met een totaalwaarde van meer dan € 64.000,- aan het vermogen van de vennootschappen onttrokken terwijl hij toen al wist dat een faillissement niet te voorkomen was. Hierdoor zijn schuldeisers in hun verhaalsrechten benadeeld.

Daarnaast heeft de verdachte niet voldaan aan het voeren van een volledige administratie en heeft hij zijn inlichtingenplicht tegenover de curator verzaakt. Hij heeft de curator ondanks herhaalde verzoeken niet de gevraagde informatie en documenten verstrekt en heeft geen volledige bedrijfsadministratie bij hem ingeleverd. Wat er wel aan administratie voorhanden was, bleek ten enenmale onvoldoende te zijn. Voor de werknemers werd geen premie afgedragen.

De verdachte heeft gehandeld zonder rekening te houden met de schuldeisers en de werknemers. Faillissementsfraude is niet alleen een ernstig delict voor de benadeelde schuldeisers maar tast ook het onderling vertrouwen tussen ondernemers aan dat essentieel is voor een goed functionerend handelsverkeer.

Door het uitblijven van inlichtingen en het ontbreken van een administratie, kostte het de curator veel meer tijd en moeite om de rechten en verplichtingen van de failliete rechtspersonen vast te stellen dan wanneer verdachte wel de vereiste medewerking had verleend en een volledige administratie had gevoerd. Hierdoor werd een juiste afwikkeling van de faillissementen bemoeilijkt en werd de boedel op kosten gejaagd, hetgeen ondermijnend is voor het vertrouwen in een correcte werking van het rechtssysteem bij insolventies als zodanig.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude. Hij heeft als ontvanger van een WW- en ZW-uitkering niet opgegeven dat hij niet alleen bestuurder was van één slapende vennootschap, maar van meerdere, in bedrijf zijnde, vennootschappen waarvoor hij ook werkzaamheden verrichtte. Dit heeft ertoe geleid dat de verdachte ten onrechte een uitkering van € 84.000,- heeft genoten.

Een dergelijk handelen tast het vertrouwen van het publiek in het sociale zekerheidstelsel aan. Dit sociale zekerheidsstelsel is immers gebaseerd op onderlinge solidariteit van burgers. Zij betalen belastingen en premies om voorzieningen te bekostigen die bedoeld zijn om middelen van bestaan te garanderen aan diegenen die hierin niet in kunnen voorzien.

7.4.

Strafmodaliteit

Gelet op de bewezenverklaarde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van gevangenisstraf. Bij de hoogte hiervan heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd zoals daarvan blijkt uit de oriëntatiepunten van het LOVS voor straftoemeting bij fraude. Het fraudebedrag bedraagt tenminste € 185.000,-. De maatschappelijke schade, te weten het tekort in beide faillissementen is echter vele malen hoger, namelijk meer dan 3 miljoen euro. De oriëntatiepunten geven bij een benadelingsbedrag tot € 250.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 9 en 12 maanden als uitgangspunt aan.

De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden in dit geval passend en geboden is.

De rechtbank weegt ten nadele van de verdachte mee dat hij nauwelijks openheid van zaken heeft gegeven en dat hij geprobeerd heeft anderen de schuld in de schoenen te schuiven. Hij heeft bovendien geen enkel inzicht in het laakbare van zijn handelen getoond. Van de stelling van de raadsvrouw dat verdachte ‘er alles aan gedaan zou hebben de boekhouding op orde te brengen’ is niets gebleken.

De verdachte heeft de bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 en bij dagvaarding II bewezenverklaarde misdrijven begaan in de uitoefening van het beroep van statutair bestuurder van een rechtspersoon. De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat een verbod tot het uitoefenen van het beroep als bestuurder van een rechtspersoon als bijkomende straf is aangewezen. Daartoe is met name redengevend dat verdachte zijn functie als bestuurder heeft ingezet voor eigen financieel gewin en daarmee crediteuren en werknemers ernstig heeft gedupeerd. Het beroepsverbod is ter bescherming van toekomstige schuldeisers. De termijn zal daarbij worden vastgesteld op vijf jaren.

8. Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding onder parketnummer 83-218401-19 gevoegd:

[naam curator] , in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [naam post(koerierbedrijf)] en [naam transportbedrijf] ter zake van de bij dagvaarding I onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde strafbare feiten. De benadeelde partij vordert aan materiële schade een vergoeding van € 63.374,49 (bestaande uit een bedrag van € 20.740,39 aan onttrokken kas- en remboursgeld, € 10.752,80 aan onttrokken gelden van de rekening van [naam post(koerierbedrijf)] , € 26.881,30 aan onttrokken gelden van de rekening van [naam transportbedrijf] en € 5.000,- aan waardevergoeding voor de onttrokken Fiat Doblo), vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en een vergoeding van € 4.240,- aan proceskosten.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 31.121,30 en tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering voor het restant wegens de gevorderde partiële vrijspraak onder feit 2 van de ten laste gelegde onderdelen van het onttrekken van kasgeld van € 20.740,39 en het onttrekken van geldbedragen van de bankrekening [naam post(koerierbedrijf)] van in totaal € 10.752,80.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft primair de afwijzing van de vordering van de benadeelde partij bepleit, omdat de behandeling hiervan een te grote belasting vormt voor het strafgeding en de gevorderde schade aanhangig is in een civielrechtelijke procedure. De raadsvrouw heeft subsidiair matiging van de onderhavige vordering bepleit omdat de voertuigen in het bezit van de gefailleerde teruggekeerd zijn en het overgeboekte geldbedrag van € 10.752,- aan een ander betaald is.

8.3.

Beoordeling

Er is komen vast te staan dat door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De bewezenverklaarde overgeboekte geldbedragen van in totaal € 37.634,10 zijn immers door verdachtes handelen aan de boedel onttrokken. Met de overschrijving van het kenteken van de personenauto van het merk Fiat, type Doblo, door de verdachte is deze auto eveneens aan de boedel onttrokken en uit de macht geraakt van de curator. De Fiat was ten tijde van de overschrijving van het kenteken nog in gebruik. De waarde hiervan werd getaxeerd op € 5.000,- en de waarde hiervan bedroeg nihil bij aantreffen van deze auto. Indien de verdachte deze overschrijving niet had gedaan en hij vanaf het begin had meegewerkt met de curator en de Fiat direct in het bezit van de curator zou zijn gekomen, was deze schade niet ontstaan. Er is dus causaal verband tussen het strafbare feit en de schade. Dit is rechtstreekse schade die de verdachte kan worden toegerekend. Dit deel van de vordering van de benadeelde partij zal dan ook worden toegewezen.

De curator heeft voorts onder de noemer ‘proceskosten’ een bedrag van € 4.240,- gevorderd. Uit de toelichting van de curator volgt evenwel dat dit een vergoeding betreft voor de werkzaamheden die hij heeft moeten verrichten ten gevolge van de faillissementsfraude gepleegd door de verdachte. De werkzaamheden hebben onder meer bestaan uit het opvragen van informatie bij de verdachte, een faillissementsverhoor, besprekingen met de politie, het bezoeken van locaties en besprekingen met betrokkenen, aldus de curator. |
De rechtbank concludeert dat dit geen proceskosten als bedoeld in artikel 592a Sv betreft, maar dat dit eveneens materiële schade betreft die door de benadeelde partij rechtstreeks geleden is als gevolg van de bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten. Nu de hoogte van het bedrag door de verdediging niet (gemotiveerd) is betwist, zal ook dit deel van de vordering zal dan ook als materiële schade worden toegewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op onttrokken kas- en remboursgeld (ad € 20.740,39) zal, nu de verdachte voor dit bestanddeel partieel is vrijgesproken, niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de dag van de aangifte van de curator, zijnde 20 maart 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De rechtbank acht deze kosten niet onredelijk aangewend en evenmin onredelijk qua omvang.

De rechtbank is tevens van oordeel dat oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden is.

Het enkele feit dat (een deel van) de onderhavige vordering aanhangig is in een andere, lopende civielrechtelijke (appel)procedure laat een toewijzing van de vordering in het strafproces en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in het onderhavige geval onverlet.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van (€ 37.634,10 +
€ 5.000,- + € 4.240,- =) € 46.874,10, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 28, 31, 36f, 55, 57, 194, 227b, 235, 343, 344a en 349 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

ontzet de verdachte ter zake van alle bewezenverklaarde feiten van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 5 (vijf) jaren;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij,

[naam curator] , in diens hoedanigheid als curator in de faillissementen van [naam post(koerierbedrijf)] en [naam transportbedrijf] ., te betalen een bedrag van

€ 46.874,10 (zegge: zesenveertigduizend achthondervierenzeventig euro en tien eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 46.874,10 (zegge: zesenveertigduizend achthondervierenzeventig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 46.874,10 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 269 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. L. Amperse en F.J.E. van Rossum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus 2020.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlasteleggingen

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

onder parketnummer 83-201488-19:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 oktober 2016 in Nieuwekerk aan den IJssel, in elk geval in Nederland, in strijd met een hen bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 25 Werkloosheidswet en/of artikel 49 Ziektewet opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken,
en dit feit kon strekken ter bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, [dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een
uitkering krachtens de Werkloosheidswet en/of Ziektewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat hij, verdachte
-bestuurder en enig aandeelhouder was van de rechtspersonen [administratie-en belastingadvieskantoor] . en/of [naam post(koerierbedrijf)] en/of [naam post(koerierbedrijf)] . en/of [naam transportbedrijf] en/of [naam goederenvervoerbedrijf] . en/of (een) andere onderneming(en),
en/of dat hij voor en/of namens bovengenoemde rechtspersonen werkzaamheden heeft verricht en/of (middellijk) vergoedingen en/of betalingen heeft ontvangen van en/of namens deze rechtspersonen.

onder parketnummer 83-218401-19:

1
hij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 oktober 2016 tot en met 2 mei 2019 te Dordrecht en/of Rotterdam en/of Nieuwerkerk aan den IJssel, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een of meerdere rechtsperso(o)n(en), te weten [naam post(koerierbedrijf)] en/of [naam transportbedrijf] ., welke rechtsperso(o)n(en) in staat van faillissement is/zijn verklaard, te weten [naam post(koerierbedrijf)] bij vonnis van de rechtbank te Den Haag van 4 oktober 2016 en/of [naam transportbedrijf] bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 1 november 2016, en wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk niet is verschenen en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk onjuiste en/of onvolledige inlichtingen heeft gegeven, immers heeft hij, verdachte,
- niet voldaan aan de verzoeken van de, door de rechter aangewezen, curator in de/het bovengenoemde faillissement(en) om inlichtingen en/of (een deel van de) administratie van bovengenoemde rechtsperso(o)n(en) te verstrekken en/of
- de curator onjuiste informatie gegeven over de aanwezigheid van contant geld.

2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 2 mei 2019, Dordrecht en/of Rotterdam en/of Nieuwerkerk aan de IJssel, in elk geval in Nederland, als bestuurder van (een) rechtsperso(o)n(en), te weten [naam post(koerierbedrijf)] en/of [naam transportbedrijf] ., welke rechtsperso(o)n(en) in staat van faillissement is/zijn verklaard, te weten [naam post(koerierbedrijf)] bij vonnis van de rechtbank te Den Haag van 4 oktober 2016 en/of [naam transportbedrijf] bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 1 november 2016, voor intreding van het faillissement en/of tijdens het faillissement, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, enig goed aan de boel heeft onttrokken en/of onttrekt en/of buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt en/of heeft uitgegeven en/of heeft vervreemd, dan wel hieraan zijn medewerking heeft verleend of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven (sub 1 en sub 2), immers heeft hij, verdachte,
een of meer voertuig(en), te weten een bedrijfsauto (merk Daf) met kenteken [kentekennummer 2] en/of een oplegger (merk Van Hool) met kenteken [kentekennummer 3] en/of een oplegger (merk Van Hool) met kenteken [kentekennummer 4] en/of een oplegger (merk Van Hool) met kenteken [kentekennummer 6] en/of een
bedrijfsauto (merk Iveco) met kenteken [kentekennummer 5] en/of een bedrijfsauto (merk Iveco) met kenteken [kentekennummer 9] en/of een bedrijfsauto (merk Iveco) met kenteken [kentekennummer 1] en/of een personenauto (merk Hyundai) met kenteken [kentekennummer 7] en/of een bedrijfsauto (merk Fiat) met kenteken [kentekennummer 8] aan de boedel en/of aan het vermogen van [naam post(koerierbedrijf)] , onttrokken (door wijziging van de tenaamstelling van bovengenoemde voertuigen voor datum van faillissement (DOC-003b, bijlage 3)
en/of
een of meer (contante) geldbedragen, bestaande uit kasgeld en/of remboursgeld (van ongeveer € 20.740,39) aan de boedel en/of aan het vermogen van [naam post(koerierbedrijf)] onttrokken,
en/of
voor de intreding van het faillissement en/of tijdens het faillissement, een van de schuldeisers van de genoemde rechtsperso(o)n(en) op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld en/of bevoordeelt (sub 3), immers heeft hij, verdachte, in of omstreeks de maand september 2016, tenaanzien van de rechtspersoon [naam post(koerierbedrijf)] , een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) € 10.752,80 overgemaakt naar [naam accountantskantoor] en/of in of omstreeks de maand oktober 2016, ten aanzien van de rechtspersoon [naam transportbedrijf] , een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) € 26.881,30 overgemaakt naar [naam accountantskantoor] .

3.
hij op een of meer momenten in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 2 mei 2019 te Dordrecht en/of Rotterdam en/of Nieuwerkerk aan de IJssel, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een of meerdere rechtsperso(o)n(en), te weten [naam post(koerierbedrijf)] en/of [naam transportbedrijf] ., welke rechtsperso(o)n(en) in staat van faillissement is/zijn verklaard, te weten [naam post(koerierbedrijf)] bij vonnis van de rechtbank te Den Haag van 4 oktober 2016 en/of [naam transportbedrijf] bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 1 november 2016, (sub 1) desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator heeft verstrekt, en/of
(sub 2) voor en/of tijdens het faillissement van bovengenoemde rechtsperso(o)n(en) opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichting tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt,
immers heeft hij, verdachte,
- geen (volledige) boekhouding en/of administratie gevoerd (onder meer een incomplete crediteuren- en debiteurenadministratie en/of een onvolledige personeelsadministratie) en/of bewaard en/of (desgevraagd) overgelegd aan de curator in het faillissement van bovengenoemde
rechtsperso(o)n(en).