Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7169

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
ROT - 19_2693
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet dieren. Bestuurlijke boete. Aanvulling rechtsgronden inzake beleid. Volgens het interventiebeleid had eerst een schriftelijke waarschuwing gegeven moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2693

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2020 in de zaak tussen

[Naam vennootschap] , te [Plaats] , eiseres,

gemachtigde: [Naam],

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman.

Procesverloop

Bij twee besluiten van 7 september 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eiseres telkens een boete opgelegd van € 2.500,- omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.

Bij besluit van 15 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2020. Namens eiseres is verschenen [Naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is tevens verschenen J. Enting, toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1. In het rapport van bevindingen van 1 maart 2018 heeft toezichthouder 37075 van de NVWA gerapporteerd dat hij zich op die dag omstreeks 8:30 uur op het terrein van eiseres bevond. Daar zag de toezichthouder dat in de hokken 8 en 9 schapen gehuisvest waren. De waterbakken in de stal bevatten geen vloeibaar drinkwater. De toezichthouder zag en voelde dat het water bevroren was. Bij verdere inspectie van de twee hokken constateerde de toezichthouder dat er ook geen andere vorm van watervoorziening aanwezig was.

1.1.

In het rapport van bevindingen van 5 maart 2018 heeft toezichthouder 34429 van de NVWA gerapporteerd dat hij zich op 2 maart 2018 omstreeks 7:30 uur in de stallen van eiseres bevond. Daar zag de toezichthouder dat in de hokken 8 en 9 schapen waren ondergebracht. Op basis van de “verzamelstaat aantal slachtingen per dag [Naam vennootschap] ” wist de toezichthouder dat de schapen op 1 maart 2018 waren aangevoerd. De toezichthouder liep naar de waterbak in hok 9 en zag dat zich ijs had gevormd op de waterbak. De toezichthouder duwde op het ijs en het ijs brak niet. Daarna liep de toezichthouder een rondje door het hok en zag hij geen andere bak waar zich water in bevond. De toezichthouder liep naar de waterbak in hok 8 en zag dat zich ijs had gevormd op de waterbak. De toezichthouder duwde op het ijs en na hard duwen ontstond een klein gaatje in het ijs rechts boven in de hoek van de waterbak. De toezichthouder liep een rondje door het hok en zag geen andere bak waar zich water in bevond.

1.2.

In beide gevallen heeft eiseres volgens de betreffende toezichthouders gehandeld in strijd met artikel 15, eerste lid, in verbinding met Bijlage III, punt 1.6 van Verordening (EG) nr. 1099/2009 (hierna: Verordening 1099/2009): Met uitzondering van konijnen en hazen moeten zoogdieren die na het uitladen niet onmiddellijk naar de slachtplaats worden gebracht, steeds via adequate voorzieningen over voldoende drinkwater kunnen beschikken.

1.3.

De toezichthouders hebben in beide gevallen F. Wouters, exploitant van eiseres, van de bevindingen op de hoogte gebracht en een rapport van bevindingen aangezegd.

3. Op basis van de bevindingen uit de hiervoor genoemde rapporten van bevindingen heeft verweerder in beide primaire besluiten het volgende beboetbare feit bewezen geacht: Zoogdieren die na het uitladen niet onmiddellijk naar de slachtplaats werden gebracht, konden niet via adequate voorzieningen over voldoende drinkwater beschikken. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, in verbinding met artikel 3, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, gelet op Bijlage III, punt 1.6 van Verordening 1099/2009. Verweerder heeft eiseres hiervoor twee boetes opgelegd van elk € 2.500,-.

3.1.

In het bestreden besluit heeft verweerder deze beslissing gehandhaafd.

3.2.

Ter zitting heeft verweerder het primaire besluit over 1 maart 2018 en het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de op 1 maart 2018 geconstateerde overtreding (boetezaaknummer 201801995) ingetrokken. Nu verweerder die boete ter zitting heeft ingetrokken zal het beroep reeds om deze reden gegrond worden verklaard.

4. Thans is alleen nog aan de orde de vraag of verweerder eiseres terecht een boete heeft opgelegd voor de op 2 maart 2018 geconstateerde overtreding (boetezaaknummer 201802423).

4.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat de opgelegde boete een buitensporige reactie is.

Uit het Specifiek interventiebeleid doden van gehouden dieren (hierna: het beleid), ten tijde van belang, volgt dat overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 15, eerste lid, van Verordening 1099/2009 waarbij sprake is van (risico op) aantasting van dierenwelzijn valt in klasse C en dat daarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven die schriftelijk wordt bevestigd en dat eerst bij een herhaalde overtreding altijd een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Ter zitting heeft verweerder dit bevestigd en eveneens bevestigd dat het interventiebeleid ook van toepassing is op de onderhavige overtreding, zodat eerst een (schriftelijke) waarschuwing moest worden gegeven. Uit het dossier valt echter niet af te leiden dat voorafgaand aan de op 2 maart 2018 geconstateerde overtreding wegens een eerdere overtreding van hetzelfde voorschrift aan eiseres eerder een (schriftelijke) waarschuwing is gegeven. Verweerders toelichting ter zitting dat dit niet betekent dat er geen waarschuwing is geweest, acht de rechtbank onvoldoende om er vanuit te gaan dat aan eiseres voor een eerdere overtreding van hetzelfde voorschrift een (schriftelijke) waarschuwing is gegeven. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was eiseres voor de op 2 maart 2018 geconstateerde overtreding direct een bestuurlijke boete op te leggen. Het gesprek dat op 1 maart 2018 kennelijk heeft plaatsgevonden tussen de toezichthouder en F. Hoogervorst kan niet als een waarschuwing in de zin van het beleid gelden. Uit het rapport van bevindingen van
1 maart 2018 blijkt niet wat daar besproken is. Uit het ten tijde van belang geldende interventiebeleid (pagina’s 6 en 7) en het algemene interventiebeleid (p. 5) volgt dat in een (schriftelijke) waarschuwing melding wordt gemaakt van de geconstateerde feiten, de wetsartikelen die zijn overtreden en de eventuele termijn van opheffen van de overtreding.De waarschuwing is ook niet, en in ieder geval niet voorafgaand aan 2 maart 2018, schriftelijk bevestigd.

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de op 2 maart 2018 geconstateerde overtreding. Daarnaast zal de rechtbank gelet op artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit dat betrekking heeft op de op 2 maart 2018 geconstateerde overtreding herroepen.

Conclusie: de beide boetes vervallen: die vanwege de constatering op 1 maart 2018 omdat verweerder de besluiten daarover heeft ingetrokken; de boete vanwege de constatering op
2 maart 2018 vervalt omdat de rechtbank het besluit van 15 april 2019 vernietigt en het primaire besluit over 2 maart 2018 ongedaan maakt.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komen uitsluitend de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in aanmerking. Nu de gemachtigde van eiseres geen professionele externe rechtsbijstandverlener is, maar is opgetreden in de hoedanigheid van algemeen directeur van eiseres, zijn er geen kosten die op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Eiseres heeft op het formulier proceskosten verzocht om vergoeding van de reiskosten ad € 36,98. De rechtbank acht deze kosten redelijk.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op boetezaaknummer 201802423;

  • -

    herroept het primaire besluit in boetezaaknummer 201802423;

  • -

    stelt het boetebedrag vast op nihil;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 36,98.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.L. Mehlbaum, griffier. De uitspraak is gedaan op 7 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.