Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7154

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
8266073 CV EXPL 20-1618
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

terugkomen op betalingstoezegging, rechtsverwerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8266073 CV EXPL 20-1618

Uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] , t.h.o.d.n. [handelsnaam 1], hierna: ‘ [eiseres] ’,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 23 december 2019,

gemachtigde: gerechtsdeurwaarder W.S.M. Snelderwaard te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] , t.h.o.d.n. [handelsnaam 2] , hierna: ‘ [gedaagde] ’,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken:

2.1

Op 7 januari 2019 is tussen partijen een schriftelijke overeenkomst gesloten, ingevolge welke [eiseres] zich heeft verplicht de daarin genoemde ICT-diensten aan [gedaagde] te leveren, meer bepaald op het gebied van (1) ‘remote monitoring en management’, (2) ‘herinrichting infrastructuur op basis van Office 365’ en (3) ‘mail migratie naar exchange online’, dit tegen betaling door [gedaagde] van de in die overeenkomst genoemde bedragen aan [eiseres] .

2.2

Op 1 oktober 2019 heeft de heer [naam persoon 1] namens ‘Straetus’, de incassogemachtigde van [eiseres] , telefonisch contact gehad met de heer [naam persoon 2] , die ook de hiervoor bedoelde overeenkomst namens [gedaagde] is aangegaan. Aan het door [eiseres] van dat gesprek gemaakte transcriptie wordt het volgende ontleend:

“ [naam persoon 2] : Goedendag, [gedaagde] .

[naam persoon 1] : Goedendag, met [naam persoon 1] spreekt u van Straetus Incasso, (…)

(…)

[naam persoon 1] : (…) ik ben ingeschakeld door ICT Services Westland, mijnheer [naam persoon 3] terzake een openstaande vordering tegen uw onderneming

[naam persoon 2] : Ja

[naam persoon 1] : Ik heb gezien dat u daar meerdere malen over bent aangeschreven, ook wij hebben uw onderneming aangeschreven en wij krijgen geen reactie. Er staat een bedrag open en ik moet nu gaan beslissen of ik die zaak naar mijn deurwaarder ga brengen om middels een gerechtelijke procedure te gaan incasseren of met u een betalingsregeling overeen te komen.

[naam persoon 2] : Laten we dat laatste effe doen.

[naam persoon 1] : Er staat op dit moment 3.696 Euro en 33 cent open en ik wil graag met u afspreken wanneer u dat gaat voldoen.

[naam persoon 2] : Ja en wat voor regeling kan ik daarvoor maken?

[naam persoon 1] : Ik wil graag weten wanneer u die vordering gaat voldoen.

[naam persoon 2] : Ik ga deze week sowieso 1.000 betalen en euh misschien de week er op ook effe duizend, is dat mogelijk?

[naam persoon 1] : Ja kijk, op het moment dat u tegen mij zegt ‘misschien’ dan is er niet zo veel mogelijk.

[naam persoon 2] : Nee gewoon laten we het zo stellen gewoon elke vrijdag 1.000 euro en wat zijn de maandelijkse termijnen ? Want ja daar moet ik wel overheen komen anders werkt het niet.

[naam persoon 1] : Ik weet niet welke toekomstige dingen u nog heeft maar het gaat er in ieder geval om als u zegt binnen drie ehm binnen vier weken is dit bedrag weggewerkt dan kan ik daar wel mee akkoord gaan.

[naam persoon 2] : Ja hoor, zeker.

[naam persoon 1] : Ik ga dat bevestigen, dat ga ik sturen naar het volgende emailadres, die bevestiging (…)

[naam persoon 2] : Ja, dat ben ik.

[naam persoon 1] : Zorg dat u het nakomt, want wij sturen bij betalingsregelingen geen herinneringen en dan moeten we meteen gaan dagvaarden (…)

[naam persoon 2] : Nee dat snap ik ja

(…)

[naam persoon 1] : Het is dus dat de afspraak staat elke vrijdag duizend euro

[naam persoon 2] : Is goed

[naam persoon 1] : Ja prima, bedankt voor uw tijd mijnheer

[naam persoon 2] : Okee, bedankt voor het belletje, dag”.

2.3

Op 1 oktober 2019 heeft Straetus de betalingsregeling, inhoudende dat het verschuldigde in vier termijnen aan Straetus zou worden voldaan -drie termijnen van € 1.000,- elk uiterlijk op 4 respectievelijk 11 en 18 oktober 2019 en een slottermijn uiterlijk op 25 oktober 2019- schriftelijk aan [gedaagde] bevestigd.

3. Het geschil

3.1

[eiseres] heeft gevorderd [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van € 3.556,54, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente in de zin van artikel 6:119a BW over een bedrag van € 3.346,89 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2

Ter toelichting daarop heeft [eiseres] -samengevat en voor zover nu van belang- naar voren gebracht dat [gedaagde] ondanks aanmaning en de met haar getroffen maar vervolgens niet nagekomen betalingsregeling in gebreke is gebleven met betaling van hetgeen zij uit hoofde van de onder 2.1 bedoelde overeenkomst aan [eiseres] verschuldigd is geworden.

Het betreft het saldo van de in productie 2 bij dagvaarding genoemde (credit)facturen over de periode 16 maart 2019 tot en met 31 augustus 2019, zijnde € 3.150,26, te vermeerderen met het bedrag -van € 196,63- van de factuur van 31 oktober 2019 (door [eiseres] overgelegd als productie 9 bij dagvaarding), derhalve € 3.346,89 in totaal. Voorts maakt [eiseres] aanspraak op een bedrag van € 502,03 aan buitengerechtelijke kosten en op de wettelijke handelsrente over de (restant)hoofdsom, door haar tot en met de dag van dagvaarding berekend op een bedrag van € 131,12. Op het totaal van deze bedragen strekt in mindering een door [gedaagde] op 10 oktober 2019 betaald bedrag van € 423,50, zodat door haar, naast de lopende rente over de hoofdsom, nog € 3.556,54 te betalen resteert.

3.3

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het door [eiseres] gevorderde, met veroordeling van [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

Daartoe heeft zij -sterk samengevat en ook zover nu van belang- gesteld en toegelicht dat [eiseres] op alle drie de punten (zie 2.1) uit de overeenkomst niet geleverd heeft wat zij had moeten (op)leveren en dus toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit die overeenkomst. Nergens staat daarin ook vermeld dat [gedaagde] gehouden was op voorhand te betalen. Dat heeft [gedaagde] slechts gedaan om haar goede wil te tonen, totdat zij, toen zij zich begon te realiseren dat [eiseres] wellicht niet kon waarmaken wat zij beloofde, haar betalingen, terecht, is gaan opschorten. De toerekenbare tekortkoming van [eiseres] levert grond voor ontbinding op, welk rechtsgevolg [gedaagde] heeft ingeroepen dan wel alsnog (in de conclusie van antwoord) inroept. Dat heeft ook tot gevolg dat [eiseres] al hetgeen [gedaagde] tot nog toe aan haar heeft betaald, moet terugbetalen, nu de werkzaamheden die [eiseres] stelt te hebben uitgevoerd, voor [gedaagde] nul en generlei waarde hebben. Voorts verzet [gedaagde] zich tegen de gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten en heeft zij erop gewezen dat [eiseres] niet voldaan heeft aan de op haar rustende substantiëringsplicht.

3.4

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, hierna teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 111 lid 3 Rv de dagvaarding de door de gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor dient te vermelden, de zogenaamde substantiëringsplicht. Hoewel de kantonrechter met [gedaagde] van oordeel is dat [eiseres] ter zake bepaald summier is geweest in de dagvaarding, ziet zij geen aanleiding hieraan processuele consequenties te verbinden nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] van het door haar gestelde verzuim van [eiseres] op enigerlei wijze nadeel heeft ondervonden.

4.2

Inhoudelijk stelt de kantonrechter voorop dat [gedaagde] niet althans onvoldoende heeft bestreden dat de inhoud van het door haar heer [naam persoon 2] op 1 oktober 2019 met de heer [naam persoon 1] van Straetus gevoerde gesprek juist is weergegeven in de door [eiseres] overgelegde transcriptie daarvan. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding gebruik te maken van het door [eiseres] nog gedane aanbod om de gespreksopname zelf in het geding te brengen en gaat hierna uit van de gespreksinhoud als hiervoor onder 2.2 weergegeven.

4.3

Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat de heer [naam persoon 2] van [gedaagde] in dat gesprek zonder enig voorbehoud, ook niet in verband met de thans in deze procedure door [gedaagde] gestelde gebrekkige prestatie van [eiseres] , algehele betaling van het toen uitstaande bedrag heeft toegezegd, en wel in vier wekelijkse termijnen, zoals diezelfde dag nog schriftelijk werd bevestigd (zie 2.3). Het gaat dan niet aan om die betalingsregeling, reeds bij de eerste termijn, niet na te komen om vervolgens daarvoor als reden aan te dragen dat de facturen waarover het gaat (toch) niet juist zouden zijn en/of omdat [eiseres] niet naar behoren zou hebben gepresteerd. Dat recht had [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter verwerkt nadat zij op 1 oktober 2019, toen zij -naar mag worden aangenomen- ook al bekend was met de daarna kenbaar gemaakte bezwaren, zonder enig voorbehoud en welke verwijzing naar die bezwaren dan ook, betaling (in termijnen) toezegde en overeenkwam, juist, zo blijkt ook uit de transcriptie, ter afwending van een gerechtelijke procedure als deze. Om die reden kan het door [gedaagde] gedane beroep op ontbinding van de overeenkomst haar evenmin baten, nog daargelaten dat de door [gedaagde] gestelde tekortkoming door [eiseres] in de nakoming van de onder 2.1 bedoelde overeenkomst wordt betwist en [gedaagde] geen reconventionele vordering heeft ingesteld.

4.4

[eiseres] heeft haar aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten primair gegrond op haar algemene voorwaarden en subsidiair op de wet. In haar reactie hierop heeft [gedaagde] onweersproken aangevoerd dat de algemene voorwaarden van [eiseres] niet werden overeengekomen. Evenwel is die aanspraak toewijsbaar op de subsidiaire grondslag. Uit de processtukken blijkt immers dat van de zijde van [eiseres] daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Gelet op de ter zake geldende tarieven is de door [gedaagde] hier verlangde vergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 459,69.

4.5

Ook de door [eiseres] gevorderde vervallen wettelijke handelsrente is, als op de wet gegrond, toewijsbaar.

4.6

Dat alles leidt tot de slotsom dat toewijsbaar is (€ 3.346,89 plus € 459,69 plus € 131,12 minus € 423,50, derhalve) € 3.514,20.

4.7

De door [eiseres] over het bedrag van € 3.346,89 gevorderde lopende rente is eveneens, als op de wet gegrond, toewijsbaar, zij het vanaf de dag na de dag van dagvaarding, nu uit haar stellingen blijkt dat het door haar gestelde bedrag aan vervallen rente is berekend tot en met de dag van dagvaarding.

4.8

[gedaagde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.541,20, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119a BW over een bedrag van € 3.346,89 vanaf de dag na de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 585,62 aan verschotten en € 420,- aan salaris voor haar gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654