Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7130

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
8342162
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Mondelinge behandeling bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8342162 \ CV EXPL 20-5953

uitspraak: 7 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Famed B.V.,

vestigingsplaats: Amersfoort,

eiseres,

gemachtigde: Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Famed’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 23 januari 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 2 maart 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, welke niet heeft plaatsgevonden als gevolg van de corona-uitbraak;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met een productie.

1.2.

Hoewel Famed daartoe in de gelegenheid is gesteld heeft zij niet gereageerd op de productie die [gedaagde] bij dupliek in het geding heeft gebracht.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[gedaagde] heeft op 2 mei 2017 een tandheelkundige behandeling ondergaan bij Tandheelkundig Centrum Pendrecht (hierna: TCP), ook genoemd Tandprothetische Praktijk Plein 1953. TCP heeft haar vordering op [gedaagde] gecedeerd aan Famed.

2.2.

Famed heeft op 25 mei 2017 een factuur verzonden aan [gedaagde] ter hoogte van

€ 1.473,13, bestaande uit de posten:

  • -

    Boven- en onder klikgebit € 473,13

  • -

    Techniek-/materiaalkosten € 1.000,-

Op de nota is vermeld dat de nota reeds is gedeclareerd bij de zorgverzekeraar van [gedaagde] , maar dat deze niets vergoed.

2.3.

Op 2 september 2017 is een tweede nota verzonden aan [gedaagde] , ter hoogte van

€ 817,93, die als volgt is opgebouwd:

  • -

    Boven- en onder klikgebit € 473,13, waarvan vergoed € 274,89

  • -

    Techniek-/materiaalkosten € 1.000,-, waarvan vergoed € 581,-

  • -

    Twee magneten/drukknoppen € 142,40, waarvan vergoed € 89,71

  • -

    Techniek-/materiaalkosten € 400,-, waarvan vergoed € 252,-

2.4.

Tot op heden heeft [gedaagde] beide facturen niet (volledig) betaald.

3. De vordering

3.1.

Famed vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan Famed te betalen een bedrag van € 740,81 en vanaf 20 januari 2020 de wettelijke rente over € 740,81 totdat de vordering helemaal betaald is en om aan Famed de kosten van deze procedure te betalen.

3.2.

Aan haar vordering legt Famed het volgende ten grondslag. Famed vordert betaling van de factuur van 2 september 2017, die de eerste factuur vervangt, € 27,20 aan verschenen rente, berekend tot en met 20 januari 2020 en € 122,69 aan buitengerechtelijke incassokosten. Op de som van deze bedragen brengt Famed een betaling van [gedaagde] van

€ 227,01 van 12 juli 2018 in mindering.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe het volgende aangevoerd. TCP heeft te kennen gegeven dat [gedaagde] naast zijn eigen risico geen bijdrage behoeft te betalen voor de behandeling. De verzekering vergoedt alle kosten van de behandeling. Het is [gedaagde] niet duidelijk waarom hij toch twee nota’s heeft ontvangen van Famed. De behandeling wordt dubbel gedeclareerd. TCP heeft hem desgevraagd gemeld dat hij deze facturen niet moet betalen. [gedaagde] bleef aanmaningen ontvangen en heeft daarom meermaals om opheldering gevraagd, maar deze heeft hij nooit ontvangen.

4. De beoordeling

4.1.

Vast staat dat er tussen TCP en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht, meer specifiek een geneeskundige behandelingsovereenkomst, tot stand is gekomen en dat deze door TCP is uitgevoerd. In beginsel is [gedaagde] daarom een vergoeding verschuldigd aan Famed, conform artikel 7:405 en 7:461 BW.

4.2.

Famed stelt dat de verschuldigde vergoeding in totaal € 2.015,53 bedroeg, dat Univé, de zorgverzekeraar van [gedaagde] , een bedrag van € 1.197,60 heeft vergoed en dat het restant van € 817,93 voor rekening van [gedaagde] komt.

4.3.

[gedaagde] betwist dat hij nog iets moet betalen. Hij voert daartoe ten eerste aan dat TCP hem meermaals te kennen heeft gegeven dat hij geen eigen bijdrage verschuldigd is voor de behandeling, naast het eigen risico en hetgeen door de verzekering is vergoed. Hij voert aan dat de tandtechnicus dit telefonisch heeft medegedeeld en daarna schriftelijk heeft bevestigd bij brief van maart 2018. Het is de kantonrechter niet duidelijk of [gedaagde] hiermee doelt op de als productie 11 bij conclusie van antwoord overgelegde brief, waarvan [gedaagde] stelt dat hij die in maart 2018 heeft ontvangen. In die brief staat “zou u zo vriendelijke willen zijn om met ons Tandprothetische praktijk plein 1953 bv te contacten ivm je nota. u krijgt het verschil van ons terug”. Uit de brief kan de kantonrechter niet opmaken dat partijen inderdaad zijn overeengekomen dat [gedaagde] geen eigen bijdrage hoefde te betalen. Famed heeft desalniettemin niet betwist dat die brief afkomstig is van TCP en heeft evenmin een verklaring gegeven voor hetgeen in deze brief is opgenomen. De kantonrechter kan nu niet vaststellen wat TCP en [gedaagde] zijn overeengekomen. Reeds om die reden acht de kantonrechter het gewenst om de zaak met partijen te bespreken.

4.4.

[gedaagde] is daarnaast niet ingegaan op de stelling van Famed dat hij op 12 juli 2018 een bedrag van € 227,01 heeft voldaan. Indien deze betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is niet duidelijk hoe dit zich verhoudt met de stelling van [gedaagde] dat hij niets verschuldigd is.

4.5.

Verder voert [gedaagde] aan dat uit de berichten van Univé volgt dat alle kosten van de behandeling zijn vergoed. Hij heeft ter onderbouwing daarvan twee brieven van Univé als productie 1 en 2 bij conclusie van antwoord overgelegd. Productie 1 betreft echter een onvolledige brief voor een notabedrag van € 1.400,- waaruit niet blijkt welke vergoeding Univé uitkeert. Productie 2 betreft eveneens een onvolledige brief. Die brief betreft een andere hoofdsom, namelijk € 1.015,53, bestaande uit de posten van de factuur waar deze procedure op ziet, met uitzondering van de techniek- en materiaalkosten van € 1.000,-. Uit de tekst bovenaan bladzijde 2 van deze brief volgt dat Univé een bedrag van € 616,- uitkeert en dus € 398,93 niet betaalt aan de zorgaanbieder. Er staat weliswaar vermeld “Dit verschil hoeft u niet te betalen aan ons”. Dat betekent naar de kantonrechter begrijpt echter slechts dat [gedaagde] dit bedrag niet aan Univé hoeft te betalen, maar niet dat hij dat bedrag in het geheel niet verschuldigd is. Het is de kantonrechter overigens niet duidelijk waarom Univé op bladzijde 3 van die brief heeft vermeld “niet vergoed: € 0,00”.

4.6.

Ook uit het declaratieoverzicht dat [gedaagde] als productie 5 heeft overgelegd volgt niet dat Univé alle kosten heeft vergoed. Optelling van de vier posten, die corresponderen met de factuur waar deze procedure op ziet, op de tweede bladzijde laat zien dat Univé een bedrag van € 817,93 niet heeft vergoed (€ 52,68 + € 148,- + € 198,24 + € 419), oftewel het factuurbedrag van de factuur waar de onderhavige procedure op ziet. Het is de kantonrechter dan ook niet duidelijk waaruit [gedaagde] opmaakt dat Univé alle kosten van de medische behandeling heeft vergoed.

4.7.

Ten aanzien van de gevorderde rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten wordt het volgende overwogen. Voor toewijzing van deze vorderingen is naar oordeel van de kantonrechter slechts plaats indien [gedaagde] in verzuim verkeert. Artikel 6:81 BW bepaalt dat de schuldenaar in verzuim is gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.

4.8.

Famed heeft gesteld dat de eerste factuur (van 25 mei 2017) per abuis was verzonden en dat de tweede factuur (van 2 september 2017) die factuur daarom vervangt. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek aangevoerd dat hij hiervan niet op de hoogte was. Famed heeft nog geen gelegenheid gehad om hierop te reageren. Als onbetwist staat in ieder geval vast dat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure diverse malen telefonisch en per e-mail om opheldering heeft verzocht, omdat hij in de veronderstelling was dat sprake is van een administratieve fout. Onduidelijk is of Famed deze opheldering heeft verschaft. Indien dit niet het geval is, kan naar oordeel van de kantonrechter de vertraging in de betaling [gedaagde] niet worden toegerekend, zoals bedoeld in artikel 6:81 BW.

4.9.

De kantonrechter acht het op grond van het voorgaande gewenst om de zaak met partijen te bespreken. Daarom wordt een mondelinge behandeling bepaald. De kantonrechter zal daarbij in het bijzonder ingaan op de volgende vragen:

  1. Wat zijn partijen overeengekomen met betrekking tot de verschuldigdheid van een eigen bijdrage van [gedaagde] ?

  2. Wat bedoelt TCP met haar brief van maart 2018?

  3. Heeft [gedaagde] de betaling van € 227,01 verricht?

  4. Waaruit maakt [gedaagde] op dat Univé alle kosten van de behandeling heeft vergoed?

  5. In hoeverre heeft Famed aan [gedaagde] uitgelegd dat de factuur van 2 september 2017 in de plaats treed van de factuur van 25 mei 2017?

4.10.

Tijdens de mondelinge behandeling kunnen partijen hun stellingen toelichten. Ook kan aan hen worden gevraagd om inlichtingen te geven of stellingen nader te onderbouwen. Tijdens de mondelinge behandeling zal tot slot worden onderzocht of partijen tot een schikking kunnen komen.

4.11.

Alle stukken die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in het geding zijn gebracht, dienen door de partij die deze ter sprake wil brengen aan de kantonrechter en aan de wederpartij te worden toegezonden. Deze stukken dienen uiterlijk tien dagen vóór de mondelinge behandeling in het bezit te zijn van de kantonrechter en de wederpartij.

4.12.

Partijen dienen in persoon te verschijnen of zij moeten tijdens de mondelinge behandeling worden vertegenwoordigd door een persoon die op de hoogte is van de feiten met betrekking tot de vordering. Deze vertegenwoordiger moet schriftelijk gemachtigd zijn, ook tot het treffen van een minnelijke regeling.

4.13.

Uitstel dient schriftelijk en gemotiveerd te worden verzocht binnen een week na ontvangst van dit vonnis. Ook moet worden vermeld of de wederpartij instemt met het uitstel. In het uitstelverzoek moeten voorts zowel de eigen verhinderdata als de verhinderdata van de wederpartij worden vermeld. Indien de partij die het uitstelverzoek doet met de wederpartij niet in contact heeft kunnen komen, dient deze te vermelden welke pogingen daartoe zijn ondernomen.

4.14.

Zolang op het uitstelverzoek niet is beslist moet er van worden uitgegaan dat de mondelinge behandeling gewoon doorgang zal vinden op de hierna vastgestelde datum. De kantonrechter wijst partijen er op dat het niet verschijnen op de mondelinge behandeling in het nadeel van de niet verschijnende partij kan worden uitgelegd.

4.15.

In afwachting van de mondelinge behandeling houdt de kantonrechter iedere beslissing aan.

5. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 3 september 2020, opdat partijen zich uitlaten over hun verhinderdata voor de maanden oktober, november en december 2020, zodat de kantonrechter aan de hand daarvan een mondelinge behandeling kan bepalen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394