Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7074

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
8176800 CV EXPL 19-50098
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand ingelopen tijdens procedure, maar bewindvoerder q.q. is wel terecht in rechte betrokken. Bewindvoerder q.q. wordt veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8176800 CV EXPL 19-50098

uitspraak: 24 juli 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 12 november 2019,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] handelend onder de naam [handelsnaam], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam] (hierna: [naam] ),

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. C. Car te Den Haag.

Partijen worden hierna aangeduid als “Woonstad” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 het exploot van dagvaarding, met productie;

 de rolbeslissing van 17 december 2019;

 het herstelexploot van dagvaarding van 30 december 2019;

 de conclusie van antwoord, met producties;

 het tussenvonnis van deze rechtbank van 5 maart 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, welke mondelinge behandeling vanwege de corona-problematiek niet is doorgegaan;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de conclusie van dupliek, met productie.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Tussen Woonstad en [naam] bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] .

2.2

[naam] is uit hoofde van deze overeenkomst bij vooruitbetaling verschuldigd een huurprijs van € 621,74 per maand.

2.3

Tot en met oktober 2019 is één maand huurachterstand ontstaan.

2.4

Op 4 maart 2020 heeft het Fonds Bijzondere Noden Rotterdam op verzoek van [naam] een bedrag van € 845,29 als gift aan de gemachtigde van Woonstad betaald.

3. Het geschil

3.1

Woonstad heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) daarover vanaf 12 november 2019 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder een bedrag aan salaris voor de gemachtigde.

3.2

Aan haar vordering heeft Woonstad - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Ondanks (herhaalde) aanmaning en aanzegging van kostenverhogende incassomaatregelen, heeft Woonstad van [gedaagde] geen betaling van de verschuldigde huurachterstand van € 621,74 kunnen krijgen. [gedaagde] is tevens wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd vanaf de verzuimdatum. Deze bedraagt tot de dag van de dagvaarding € 0,48. In verband met de hoogte van het griffierecht beperkt Woonstad haar vordering tot € 500,-, waarbij zij zich het recht voorbehoudt het meerdere nadien van [gedaagde] te vorderen.

3.3

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft het Fonds Bijzondere Noden Rotterdam verzocht om de huurachterstand te vergoeden. Dit fonds heeft een bedrag van € 845,29 toegekend als gift en betaald aan de gemachtigde van Woonstad. [naam] heeft beperkte financiële middelen en het is voor haar niet mogelijk om het griffierecht te betalen. Door fouten van de gemachtigde van Woonstad, is [gedaagde] pas bij het herstelexploot op de hoogte van de procedure geraakt. Hij heeft daardoor niet de mogelijkheid gehad om eerder actie te ondernemen en zodoende de kosten te voorkomen. Woonstad heeft [naam] nodeloos in rechte betrokken door geen contact te onderhouden met haar bewindvoerder. Het financiële belang is één maand huurachterstand. Woonstad zorgt er door deze handelwijze voor dat de kosten voor beide partijen alleen maar oplopen. Bij [naam] is geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. De vordering komt onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet voor toewijzing in aanmerking.

3.4

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, hierna teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding en het herstelexploot sprake was van een huurachterstand van € 621,74 en dat tot 12 november 2019 daarover een bedrag van € 0,48 aan wettelijke rente verschuldigd is geworden. Tevens is tussen partijen niet in geschil dat de wettelijke rente over het openstaande bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot 4 maart 2020 € 4,96 bedraagt. Dat betekent dat met de in 2.4 bedoelde betaling niet langer sprake is van een huurachterstand, maar van een voorstand van ((€ 621,74 + € 0,48 + € 4,96) minus € 845,29 =) € 218,11.

4.2

Ten aanzien van de proceskosten overweegt de kantonrechter het volgende. Voorop staat dat ingevolge artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. Nu de bij dagvaarding gevorderde huurachterstand niet is betwist en deze pas na het uitbrengen van de dagvaarding en het herstelexploot is ingelopen, wordt [gedaagde] in dit vonnis aangemerkt als in het ongelijk gestelde partij. Hierin ligt ook besloten dat Woonstad [gedaagde] niet nodeloos in rechte heeft betrokken. Daarbij weegt mee dat Woonstad bij de conclusie van repliek haar stelling dat zij, ondanks aanmaning en aanzegging van kostenverhogende maatregelen geen betaling heeft kunnen krijgen, heeft onderbouwd met een overzicht van de door haar verzonden herinneringen en aanmaningen. De enkele stelling van [gedaagde] dat dit overzicht niet kan dienen als bewijs, wordt door de kantonrechter aangemerkt als een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de stelling van Woonstad op dit punt en wordt daarom gepasseerd. Hetgeen [gedaagde] verder in dit verband heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel en kan daarom onbesproken blijven.

4.3

Een en ander leidt tot het oordeel dat [gedaagde] in de proceskosten zal worden veroordeeld. De gestelde oorzaken van de achterstand (een eenmalig budgettekort van [naam] en het feit dat zij een alleenstaande vrouw is met hoge schulden) leiden alleen al niet tot een ander oordeel nu deze, hoe vervelend ook, voor risico van [naam] komen. De proceskosten worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 224,07 aan verschotten (€ 103,07 aan dagvaardingskosten en € 121,- aan griffierecht) en € 144,- aan salaris voor de gemachtigde van Woonstad (2 punten à € 72,- per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 224,07 aan verschotten en € 144,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478