Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7067

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
19-10-2020
Zaaknummer
8119477 CV EXPL 19-45560 (hoofdzaak) en 8402444 CV EXPL 20-9386 (vrijwaring)
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid aanbieder breedbandtoegangsdiensten bij niet voortvarend verhelpen internetstoring. Toepassing arrest Vleesmeesters-Alog (Hoge Raad 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069). Redelijkheid van de aangeboden schadeloosstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummers: 8119477 CV EXPL 19-45560 (hoofdzaak) en

8402444 CV EXPL 20-9386 (vrijwaringszaak)

uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de (hoofd)zaak van

[eiseres in hoofdzaak] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres in hoofdzaak] ,

eiseres in de hoofdzaak,

gemachtigde: Rijnland Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

gemachtigde: mr. E. van Rooijen te Rotterdam,

en in de (vrijwarings)zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in vrijwaring,

gemachtigde: mr. E. van Rooijen te Rotterdam,

tegen

[gedaagde in vrijwaringszaak]

,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde in vrijwaringszaak] ,

niet verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres in hoofdzaak] , KPN respectievelijk [gedaagde in vrijwaringszaak] .

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen, in de hoofdzaak:

  • -

    de dagvaarding van 7 oktober 2019, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie van KPN tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde in vrijwaringszaak] , met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident, met productie;

  • -

    het incidentele vonnis van 28 februari 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek;

en in de vrijwaringszaak:

 de dagvaarding van 12 maart 2020, met producties.

[gedaagde in vrijwaringszaak] is niet op de eerstdienende dag in het geding verschenen, zodat tegen haar verstek wordt verleend.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. Het geschil

in de hoofdzaak

2.1.

KPN biedt op de groothandelsmarkt breedbandtoegangsdiensten aan en stelt daartoe internetlijnen ter beschikking. [naam bedrijf] neemt deze af en biedt vervolgens diverse vormen van internet en internettelefonie aan. [gedaagde in vrijwaringszaak] neemt deze internetlijnen af van [naam bedrijf] en biedt deze aan aan haar eindgebruikers binnen het midden- en kleinbedrijf, zoals [eiseres in hoofdzaak] .

2.2.

[eiseres in hoofdzaak] vordert dat KPN, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 5.698,42, met nevenvorderingen. Zij stelt daartoe dat KPN onrechtmatig heeft gehandeld door in de periode van vrijdag 5 april 2019 tot en met dinsdag 9 april 2019 de internetaansluiting van [eiseres in hoofdzaak] te verbreken, althans een storing niet snel en adequaat te verhelpen, waardoor [eiseres in hoofdzaak] - waar in een cloud-omgeving wordt gewerkt en internettelefonie wordt gebruikt - € 5.698,42 schade heeft geleden.

2.3.

KPN heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. Hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd, komt hierna bij de beoordeling aan de orde.

in de vrijwaringszaak

2.4.

In de vrijwaringszaak vordert KPN veroordeling van [gedaagde in vrijwaringszaak] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan haar van datgene waartoe zij in de hoofdzaak jegens [eiseres in hoofdzaak] wordt veroordeeld, met kosten. KPN legt daaraan vrijwaringsbepalingen in de raamovereenkomsten tussen KPN en [naam bedrijf] en tussen [naam bedrijf] en [gedaagde in vrijwaringszaak] ten grondslag, alsmede de cessie aan KPN door [naam bedrijf] van haar vordering op [gedaagde in vrijwaringszaak] , zodat KPN [gedaagde in vrijwaringszaak] kan aanspreken zonder tussenkomst van [naam bedrijf] .

3. De beoordeling

in de hoofdzaak

3.1.

KPN heeft allereerst betwist dat sprake is geweest van de door [eiseres in hoofdzaak] gestelde administratieve afsluiting van de betreffende internetlijn. De kantonrechter constateert dat in de beschikbare storingsrapportages op 8 april 2019 om 14.36 uur staat vermeld: “Lijnen nagekeken, eerste lijn van de pairbonding is voor Administratieve reden afgesloten”, op welke vermelding [eiseres in hoofdzaak] zich heeft gebaseerd. KPN heeft er echter op gewezen dat dit een onjuiste constatering was, die al op dezelfde dag om 15.25 uur is gecorrigeerd: “monteur geeft aan dat lijn zou zijn afgesloten, maar is niet zo”. Tegenover deze gemotiveerde betwisting, heeft [eiseres in hoofdzaak] haar stelling dat sprake was van een administratieve afsluiting niet langer voldoende gemotiveerd gehandhaafd, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan. De kantonrechter merkt daarbij op dat de door [eiseres in hoofdzaak] nog genoemde vermelding “poort administratief dichtgegooid” (onder het kopje “Wijziging uit interface”, ook om 15.25 uur) blijkens de inhoud van het hele tekstblok kennelijk een toelichting vormt (“additional details”) bij de in datzelfde tekstblok geciteerde tekst van 14.36 uur.

3.2.

[eiseres in hoofdzaak] heeft vervolgens betoogd dat KPN heeft gehandeld in strijd met een wettelijke verplichting op grond van de Telecommunicatiewet om te zorgen voor een functionerend internet, maar onvermeld gelaten op welke concrete wetsbepalingen zij het oog heeft, terwijl aan de kantonrechter een dergelijke wettelijke verplichting niet bekend is. Dit betoog slaagt dus evenmin.

3.3.

Vervolgens staat ter beoordeling of er anderszins sprake is van onrechtmatig handelen door KPN jegens [eiseres in hoofdzaak] . In het arrest Vleesmeesters/Alog (Hoge Raad 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069) is geoordeeld dat wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, het hem niet onder alle omstandigheden vrij staat de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen zulks meebrengen, zal de rechter de ter zake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.

3.4.

In het onderhavige geschil heeft het KPN duidelijk kunnen zijn dat de door haar krachtens overeenkomst aan [naam bedrijf] ter beschikking gestelde internetlijnen uiteindelijk door een eindgebruiker als [eiseres in hoofdzaak] zouden worden gebruikt. Zij vermeldt ook zelf dat de aard en strekking van die overeenkomst is het opnieuw ter beschikking stellen van de internetlijnen aan eigen afnemers. Tevens heeft het haar duidelijk kunnen zijn dat het ongestoord functioneren ervan wezenlijk zou kunnen zijn voor de bedrijfsvoering van een eindgebruiker en dat deze, bij storingen, schade zou kunnen ondervinden. Voorts mag de eindgebruiker verwachten dat KPN, voor zover de storing technisch gezien op haar terrein ligt (en niet op dat van, in dit geval, [naam bedrijf] , [gedaagde in vrijwaringszaak] of [eiseres in hoofdzaak] ), zich zal inspannen om die storing spoedig te verhelpen. KPN dient haar gedrag in deze daarom mede door de belangen van de eindgebruiker te laten bepalen. KPN heeft dit overigens ook erkend in haar conclusie van antwoord (onder 4.8): “Storingen in het internet zijn gewoonweg niet te voorkomen. Het ligt op de weg van KPN dat zij storingen naar beste kunnen probeert te verhelpen. Helaas komt het voor dat dat door allerlei oorzaken niet direct goed lukt.” Voor zover in de diverse tussen de verschillende betrokken partijen gesloten overeenkomsten geen ongestoorde werking van internet is gegarandeerd, waarop KPN nog heeft gewezen, doet dit niet af aan genoemde inspanningsverplichting om storingen naar beste kunnen te verhelpen. Hetzelfde geldt voor de door KPN naar voren gebrachte omstandigheid dat door de gesloten overeenkomst met haar afnemer het commerciële risico van storingen en schade bij die afnemer (en vervolgens bij eventuele volgende tussenafnemers) is komen te liggen, aangezien zij daarvoor een voorziening – een vrijwaringsclausule – heeft kunnen treffen en ook heeft getroffen in de overeenkomst met haar afnemer.

3.5.

[eiseres in hoofdzaak] heeft onbetwist gesteld dat zij zich, toen de storing optrad, heeft gewend tot [gedaagde in vrijwaringszaak] , die zich weer heeft gewend tot [naam bedrijf] , die vervolgens weer contact heeft gezocht met KPN. De storing is uiteindelijk ook door KPN verholpen, maar pas door de achtste monteur, op de vierde dag na de storingsmelding, waarbij ook nog een eerder “herstel” ongedaan moest worden gemaakt, zoals blijkt uit de storingsrapportage op 9 april 2019 om 2.29 PM: “De monteur heeft de 2 wan-kabels omgetoverd tot een Y-kabel. Kunnen jullie een monteur terugsturen om dit te corrigeren?” KPN heeft geen redenen aangedragen waarom het verhelpen van de storing de inzet van zoveel monteurs over zoveel dagen heeft moeten vergen. Haar stelling dat het gebruikelijk is dat er meerdere monteurs worden ingezet, omdat iedere monteur zijn eigen expertise heeft, onderbouwt niet dat het in dit geval noodzakelijk was dat acht monteurs in totaal vijf dagen bezig zijn geweest. Ten slotte is niet gesteld of gebleken dat het sneller verhelpen van de storing voor KPN bezwaarlijk was. Geoordeeld moet daarom worden dat KPN onvoldoende voortvarend heeft opgetreden in het verhelpen van de storing.

3.6.

Niettemin leidt dit niet tot toewijzing van de vorderingen. De Hoge Raad heeft in genoemd arrest geoordeeld dat ook de redelijkheid van een eventueel aangeboden schadeloosstelling moet worden meegewogen. Niet in geschil is dat KPN aan [eiseres in hoofdzaak] een schadeloosstelling van € 500,- heeft aangeboden. Tegen die achtergrond moeten de diverse door [eiseres in hoofdzaak] gestelde schadeposten worden bezien. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt.

- De door [eiseres in hoofdzaak] gestelde en met een factuur onderbouwde schade van € 491,87 vanwege de inschakeling van haar ICT-adviseur is door KPN niet betwist.

- De door [eiseres in hoofdzaak] in de dagvaarding gestelde schade van € 3.000,- aan extra personeelskosten vanwege overwerken is wel betwist. De door [eiseres in hoofdzaak] vervolgens gemaakte berekening van door de storing verloren werkuren onderbouwt niet dat kosten zijn gemaakt voor overwerk en dit volgt evenmin uit de overgelegde verklaring van de salarisadministrateur in een e-mailbericht “RE: overzicht tantieme 2019”: “Het bedrag aan tantième was totaal € 21.796,96.” Deze schadepost komt daarom als onvoldoende onderbouwd niet voor vergoeding in aanmerking.

- Ook de door [eiseres in hoofdzaak] gestelde reputatieschade en financiële schade van € 1.508,13 vanwege het mislopen van opdrachten acht de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. [eiseres in hoofdzaak] stelt dat offerte-aanvragen gedurende de periode van 5 t/m 9 april 2019 niet zijn binnengekomen c.q. niet bijtijds beantwoord konden worden. Er is echter wel een overzicht overgelegd van de offerte-aanvragen gedurende de eerste twee weken van de maanden mei, juni en juli 2019, maar niet van de eerste twee weken van april 2019. Bovendien zijn er kennelijk in de periode van 5 t/m 9 april 2019 minstens enige offerte-aanvragen ontvangen – namelijk de aanvragen die volgens [eiseres in hoofdzaak] niet tijdig beantwoord konden worden – terwijl geen informatie is overgelegd over het verloop van die aanvragen nadat daarop (enigszins) verlaat is gereageerd. In dit verband heeft KPN er ook terecht op gewezen dat in genoemde periode van vijf dagen een weekend is begrepen. Dat afspraken van notarissen afgezegd moesten worden en, naar de kantonrechter begrijpt, op een later moment moesten worden ingehaald, is reeds beoordeeld in het kader van de extra personeelskosten. Het gestelde onprofessionele beeld bij makelaars en hypotheekadviseurs ten slotte is op geen enkele wijze gesubstantieerd.

3.7.

Het voorgaande betekent dat de aangeboden schadeloosstelling van € 500,- als redelijk moet worden aangemerkt. De kantonrechter gaat er daarbij van uit dat KPN die alsnog aan [eiseres in hoofdzaak] zal voldoen.

3.8.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak] moeten worden afgewezen.

3.9.

[eiseres in hoofdzaak] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van KPN, aan salaris van de gemachtigde begroot op € 600,- (2 punten à € 300,-). De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor een executoriale titel kan geven en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

in de vrijwaringszaak

3.10.

Gelet op hetgeen in de hoofdzaak is geoordeeld, is de vordering in de vrijwaringszaak ongegrond, zodat deze zal worden afgewezen.

3.11.

KPN zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde in vrijwaringszaak] , nu deze niet is verschenen begroot op nihil.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak

wijst de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak] af;

veroordeelt [eiseres in hoofdzaak] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van KPN begroot op € 600,- aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening, en indien [eiseres in hoofdzaak] niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan tevens begroot op € 120,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing te vermeerderen met btw, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de vrijwaringszaak

wijst de vordering van KPN af;

veroordeelt KPN in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde in vrijwaringszaak] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41592