Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7036

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
C/10/597022 / FA RK 20-3626
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klachtenprocedure betreffende beperking bewegingsvrijheden, artikel 41a Wet Bopz. Klacht tegen tijdelijke noodmaatregelen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Hoewel verzoeker door het besluit in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt, was er geen sprake van een individuele vrijheidsbeperkende maatregel waartegen geklaagd kan worden op grond van artikel 41 lid 1 Wet Bopz. De rechtbank concludeert daarom dat de klachtencommissie op juiste gronden tot haar beslissing is gekomen om verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren, zodat de klacht ongegrond zal worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/597022 / FA RK 20-3626

Beschikking van 30 juni 2020 uit hoofde van een klachtprocedure ex artikel 41a Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) betreffende beperking bewegingsvrijheden

in de zaak van:

[naam verzoeker] , hierna te noemen verzoeker,

geboren op [geboortedatum verzoeker] te [geboorteplaats verzoeker] , Turkije,

wonende aan de [adres verzoeker] , [woonplaats verzoeker] ,

thans verblijvende in GGZ Delfland,

advocaat mr. S.E.M. Hooijman te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 20 mei 2020;

- de reactie van mr. A.K.M.T Rongen namens verweerster Antes Zorg B.V. (hierna: Antes), ingekomen ter griffie op 17 juni 2020.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de meervoudige kamer op 23 juni 2020.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat mr. S.E.M. Hooijman;

- mr. A.K.M.T. Rongen, advocaat namens Antes;

- drs. E. Leeman, psychiater en directeur zorg, drs. H. Zijlmans, psychiater,
en G. Janssen, jurist, allen verbonden aan Antes.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 17 januari 2020 is een machtiging verleend verzoeker te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis tot uiterlijk 1 december 2020. Op 20 mei 2020 is verzoeker met ontslag gegaan. Hij verblijft ten tijde van de mondelinge behandeling in een klinische woonvoorziening van GGZ Delfland.

2.2.

Bij besluit van 18 maart 2020 heeft het bestuur van Antes tijdelijke noodmaatregelen genomen in verband met het coronavirus voor de periode tot en met 6 april 2020. Om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan werd het gedwongen opgenomen patiënten niet meer toegestaan de afdeling te verlaten. Dat mocht alleen onder strikte begeleiding van een verpleegkundige. Ook was het niet toegestaan de kliniek te verlaten en bezoek te ontvangen. Deze tijdelijke noodmaatregelen waren van toepassing op alle patiënten die verbleven in een psychiatrisch ziekenhuis van Antes.

2.3.

Verzoeker heeft op 2 april 2020 tegen voormelde beslissing een klacht ingediend bij de klachtencommissie.

2.4.

De klachtencommissie heeft de klacht bij schriftelijke uitspraak van 17 april 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij van oordeel is dat de Wet Bopz niet van toepassing is op de klacht. Het bestuursbesluit van 18 maart 2020 is volgens de commissie geen beslissing als genoemd in artikel 41 lid 1 van de Wet Bopz, zodat deze bepaling geen grondslag kan bieden voor de klacht. Voorts is het bestuursbesluit een collectieve maatregel en geen specifiek op klager betrekking hebbende gedraging waarover kan worden geklaagd, aldus de commissie.

3. De beoordeling

3.1.

Toepasselijkheid Wet Bopz

3.1.1.

Op grond van artikel 15:1 lid 1 onder a Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg is de Wet Bopz van toepassing op onderhavig verzoek.

3.2.

Verzoeker verzoekt ontvankelijk te worden verklaard in zijn klacht, deze klacht ten aanzien van het beperken van de bewegingsvrijheid gegrond te verklaren en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestuursbesluit te vernietigen en te schorsen. Verder verzoekt verzoeker de wederpartij te veroordelen in de proceskosten van deze procedure.

3.3.

Verzoeker heeft geen schadevergoeding op grond van de Wet Bopz verzocht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene desgevraagd aangegeven mogelijk via een civiele procedure een schadevergoeding te vorderen, als dit op grond van de Wet Bopz niet meer mogelijk zou zijn. Gelet hierop heeft verzoeker een belang bij een beslissing van de rechtbank, ook nu hij op dit moment niet meer in de instelling verblijft en dus ook niet meer door het bestuursbesluit in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt.

3.4.

Ontvankelijkheid verzoeker

3.4.1.

De klachtencommissie heeft op grond van artikel 41 lid 1 Wet Bopz verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Op grond van artikel 41a lid 5 Wet Bopz is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek bij de rechtbank om een beslissing over de klacht te verkrijgen.

3.5.

Beoordeling van de klacht tegen de beperking van de bewegingsvrijheid

3.5.1.

Ingevolge artikel 40 lid 3 Wet Bopz kunnen beperkingen in het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis worden opgelegd:

  1. indien naar het oordeel van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van het recht op de bewegingsvrijheid ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel

  2. indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde van het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van de strafbare feiten noodzakelijk is.

3.5.2.

Verzoeker betoogt dat de maatregelen die in het besluit van 18 maart 2020 zijn vastgelegd verder gaan dan de maatregelen die door de overheid zijn afgekondigd om het coronavirus te bestrijden. Verzoeker verbleef in het psychiatrisch ziekenhuis in afwachting van een plek in een woonvoorziening en had voorafgaand aan het besluit veel vrijheden. Het besluit had daarom meer impact op hem dan op andere patiënten. Dit is in strijd met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15 van de Grondwet. Hoewel het om een algemeen besluit gaat, stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij hierover zou moeten kunnen klagen. Om deze stelling te onderbouwen heeft verzoeker, voor zover hier van belang, verwezen naar een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2003 (BJ 2003/31 met noot van mr. T.P. Widdershoven) en een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 maart 2019 (ECLI:NL:RBOVE:2019:804). Volgens verzoeker zijn de betrokkenen in deze twee uitspraken, ondanks het feit dat zij klaagden over algemene huisregels waarover individueel niet geklaagd kan worden, wel ontvankelijk verklaard, omdat de uitwerking van deze huisregels hun individuele vrijheden beperkten.

3.5.3.

De rechtbank is met Antes van oordeel dat over het besluit van 18 maart 2020 niet geklaagd kan worden op grond van de Wet Bopz, omdat dit een algemene regeling betreft die gold voor alle patiënten binnen het psychiatrisch ziekenhuis. De klachtgronden die zijn opgenomen in artikel 41 lid 1 Wet Bopz zijn limitatief. Hoewel verzoeker door het besluit in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt, was er geen sprake van een individuele vrijheidsbeperkende maatregel waartegen geklaagd kan worden op grond van artikel 41 lid 1 Wet Bopz. De door verzoeker aangehaalde uitspraken zien niet op een zelfde situatie als die van hem. In deze uitspraken was er namelijk wel sprake van een maatregel die op het individu was gericht. In de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2003 werd bij aanvang van een opname uitgegaan van een ‘nuloptie’, dat wil zeggen dat een patiënt in beginsel geen vrijheden had totdat deze vrijheden – uiterlijk binnen één week – in een individueel behandelplan werden vastgelegd. In de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 maart 2019 was in het huishoudelijk reglement van het psychiatrisch ziekenhuis vastgelegd dat patiënten die de afdeling wilden verlaten hiervan melding moesten doen in een schriftelijk logboek. Toen de betrokkene in kwestie dat niet had gedaan, kreeg hij een vrijheidsbeperkende sanctie opgelegd, inhoudende dat hij de afdeling gedurende één week niet mocht verlaten zonder toestemming. De betrokkenen in beide zaken hebben dan ook een ontvankelijke klacht ingediend over een individuele vrijheidsbeperking, terwijl er bij verzoeker sprake was van een maatregel die voor iedereen in het psychiatrisch ziekenhuis hetzelfde was en op dezelfde manier uitwerkte.

3.5.4.

De rechtbank concludeert dat de klachtencommissie op juiste gronden tot haar beslissing is gekomen om verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren, zodat de klacht ongegrond zal worden verklaard.

3.5.5.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat het ongegrond verklaren van de klacht niet betekent dat verzoeker geen recht heeft op rechtsbescherming. Verzoeker kan immers via een dagvaardingsprocedure zijn klacht ter beoordeling voorleggen aan een civiele rechter.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Woudstra, voorzitter, mr. A. Buizer en mr. D.Y.A. van Meersbergen, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Jelicic op 30 juni 2020.