Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7031

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
10/750546-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanier, werkzaam bij de scan in de Rotterdamse haven, wordt veroordeeld voor medeplegen invoer 1516 kilo cocaïne, 10a Opiumwet en valsheid in geschrift, bestaande uit het opzettelijk invoeren van onjuiste gegevens in bedrijfs(controle)systemen van de Douane. Strafeis 12 jaar, opgelegd 9 jaar. Gemotiveerde vrijspraak ter zake ambtelijke omkoping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750546-18

Datum uitspraak: 7 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1,2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Uit het dossier volgt niet wettig en overtuigend wat, wanneer, waar is gebeurd en door wie een en ander is gedaan.

De verdachte heeft elke vorm van betrokkenheid bij het ten laste gelegde ontkend. Dat de verwijtbare handelingen zijn verricht onder de User-ID ‘ [naam User-ID] ’ staat niet ter discussie. De verdediging heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat de verdachte de persoon is geweest die de verwijtbare handelingen heeft verricht met zijn account. Bij verschillende personen was bekend waar de verdachte zijn wachtwoorden bewaarde. De technische gegevens (logdata/Rijkspasgegevens) roepen te veel vragen op, zijn onbetrouwbaar en dus als bewijs onbruikbaar. Daarnaast zijn de tijdstippen waarop de handelingen zijn verricht onvoldoende concreet vast te stellen. Ook is de tijd(spanne) die nodig is om de handelingen te verrichten een kwestie van seconden, zodat een enkel ‘onbewaakt ogenblik’ voldoende gelegenheid voor een ander biedt om het account van verdachte te gebruiken op het moment dat het account niet is vergrendeld. De mogelijkheid dat een ander dan de verdachte de User-ID ‘ [naam User-ID] ’ heeft gebruikt, kan gelet op het vorenstaande niet worden uitgesloten, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

Inleiding

Op 13 februari 2019 is bij onderzoek in een container ( [containernummer 1] ) ruim 1516 kilogram cocaïne aangetroffen. Nader onderzoek heeft laten zien dat met betrekking tot deze container, die eerder was geselecteerd voor onderzoek door de Douane, meldingen zijn gedaan die niet kunnen kloppen. Met name de vrijgave van 12 februari 2019 om 12:13 uur is afwijkend, omdat de container is vrijgegeven terwijl deze op dat moment van vrijgave nog onderweg was naar Rotterdam. Fysieke controle van de container kan niet hebben plaats gehad, aangezien op het in de systemen genoteerde tijdstip van de uitvoering van de controle de container nog niet gelost was en nog niet op de kade stond. Daarmee staat vast dat onjuiste wijzigingen zijn aangebracht in het bedrijfsprocessensysteem van de Douane genaamd Plato en/of, al dan niet afgeleid ervan, in het inspectieportaal van het informatievoorzieningsprogramma Portbase. Eveneens staat vast dat opzettelijk onjuiste gegevens zijn ingevoerd ter zake van controle van containers waarvan eerder een vorm van controle was bepaald. Op 7/8 december 2018 heeft zich een soortgelijk incident voorgedaan. Nader onderzoek heeft laten zien dat ook toen met betrekking tot een container ( [containernummer 2] ) meldingen zijn gedaan die niet kunnen kloppen. De centrale vraag in dit dossier is wie is of zijn de persoon/personen die de gegevens hebben ingevoerd die aanleiding zijn geweest voor dit strafrechtelijk onderzoek.

Verder staat vast dat in een poef in de slaapkamer van [naam verdachte] en zijn partner een Blackberry-toestel, een zogenaamd PGP-telefoontoestel, is gevonden. Deze Blackberry bevatte versleutelde informatie, waarvan een gedeelte alsnog leesbaar is gemaakt. Dit leidt tot een tweede, deels afgeleide vraag: van wie is de aangetroffen Blackberry.

Het strafrechtelijk onderzoek bestaat voor een belangrijk deel uit het veiligstellen en met elkaar vergelijken van gegevens uit diverse bestanden. Het gaat dus om een reconstructie achteraf aan de hand van in die bestanden vastgelegde gegevens die, primair, niet bestemd waren voor het verrichten van een strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank stelt vast dat onder andere in de systemen is vastgelegd vanaf welk account de registraties/wijzigingen zijn uitgevoerd, wanneer de medewerkers aanwezig zijn geweest en vanaf welk account bepaalde registraties/handelingen in de computersystemen zijn verricht. Voor de gegevens van 12 en 13 februari 2019 is tevens vastgesteld vanaf welke computerconfiguratie deze zijn gedaan. Ook staat vast dat de gegevens zijn ingevoerd met gebruikmaking van de accountgegevens van gebruikersnaam ‘ [naam User-ID] ’, welke gebruikersnaam is uitgegeven aan de verdachte die op die momenten als douanier (scanmedewerker, C-functionaris) in de werkruimten op/bij de haven werkzaam was.

Beoordeling

Er zijn in het hele onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen die er op wijzen dat zich meer dan één persoon schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk onjuist invoeren van data, met als doel het (ongecontroleerd) doorlaten van de container met 1516 kilogram cocaïne. De raadsman heeft op zeer gedetailleerd niveau op (beperkte) onnauwkeurigheden in data en systemen gewezen. Die zijn door de rechtbank in de beoordeling meegenomen maar die raken niet de kern van het verwijt dat slechts één persoon zich schuldig kan hebben gemaakt aan het invoeren van de gegevens.

Zoals al genoemd staat vast dat de wijzigingen zijn uitgevoerd met het account van verdachte en dat ook min of meer tegelijkertijd is gewerkt in het Outlook-account van verdachte. Ook is vastgelegd op welke momenten de verdachte aanwezig is geweest in het kantoorgebouw waar de (werk)ruimtes zijn gelegen waar de wijzigingen zijn verricht. Hoewel de diverse registraties een onderling tijdsverschil bleken te (kunnen) hebben gehad van enkele minuten, is daardoor niet gebleken dat (ook) een van de collega’s van verdachte fysiek in de mogelijkheid heeft verkeerd om deze registraties aan te brengen. Al die gegevens in samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat verdachte de persoon is die de registraties heeft ingevoerd. Daarmee vervulde de verdachte in het logistieke proces een sleutelrol in de haven en vormde hij zodoende een belangrijke schakel in de drugsketen voor de invoer van de container met 1516 kilogram cocaïne. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is om te spreken van medeplegen.

In aanvulling hierop overweegt de rechtbank ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde dat uit vaste rechtspraak volgt dat het opzettelijk onjuist vermelden van gegevens in een digitaal bestand - wat in onderhavig geval een systeem betreft wat bedoeld is om containers en hun inhoud te controleren - valsheid in geschrift oplevert.

De rechtbank zal hieronder nog kort ingaan op de in de woning van de verdachte gevonden Blackberry. De Blackberry is aangetroffen in een poef in de slaapkamer van de verdachte. De drie wachtwoorden van de Blackberry hebben raakvlakken met de verdachte. In dit verband is de voornaam van zijn moeder, die lijkt te zijn verwerkt in een van de drie wachtwoorden, het meest sprekende voorbeeld. Uit de inhoud van de gesprekken blijkt verder ondubbelzinnig dat de persoon die de tekstberichten heeft ontvangen en verstuurd een medewerker moet zijn van de Douane, en meer in het bijzonder iemand die werkzaam is in de haven bij de scanafdeling waar de verdachte toentertijd al werkzaam was. Details in de gesprekken wijzen daarbij zeer sterk in de richting van de verdachte. De rechtbank wijst hierbij met name naar het bericht omtrent de geboorte van een kind en het - in weer andere berichten - vermelden van de (voor)naam [naam] , blijkbaar een persoon die verdachte goed kent en eveneens werkzaam is of is geweest bij de Douane. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in zijn woning geen bezoek van collega’s van de Douane heeft gehad. Dit alles tezamen maakt dat de verdachte de gebruiker is geweest van deze Blackberry, en hij de persoon is die in de berichten wordt aangeduid met ‘ [nickname 1 verdachte] ’ en (door de anderen) met ‘ [nickname 2 verdachte] ’.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen bestaat er geen noodzaak voor het verrichten van aanvullend onderzoek. De ter terechtzitting aangevoerde voorwaardelijke verzoeken, alsook de eerder (op pro forma-zittingen gedane) gedane verzoeken, zullen daarom worden afgewezen.

Vrijspraak feit 4

Hierboven heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte de gebruiker is geweest van de Blackberry die in zijn slaapkamer in een poef is aangetroffen tijdens de doorzoeking.

Een deel van de communicatie die is verricht met deze Blackberry kon later alsnog zichtbaar worden gemaakt ten behoeve van de opsporing. Dergelijke PGP-toestellen werden, zeker door hun gebruikers, lange tijd als “onkraakbaar” beschouwd, en daarmee was de verwachting dat de inhoud ervan blijvend onbereikbaar zou zijn voor politie en justitie. Niet ondenkbaar is dat die gedachte bij de gebruikers ervan de volstrekt open wijze van communiceren over verboden gedragingen verklaart. De inhoud van de gesprekken is als volgt samen te vatten. De verdachte is de gebruiker genaamd [nickname 1 verdachte] / [nickname 2 verdachte] . Terwijl hij werkzaam is in de haven als douaneambtenaar verschaft hij aan onbevoegde derden gevraagd en ongevraagd informatie over de wijze waarop controles door de Douane in de haven worden uitgevoerd en hoe die (mogelijk) kunnen worden omzeild. Ook wordt aan hem in maart 2016 gericht gevraagd om er voor te zorgen dat een of meer containers niet worden gecontroleerd. Ook daartoe blijkt hij in beginsel bereid. Wel wijst de verdachte daarbij de gesprekspartner op de mogelijke nadelen van een dergelijk handelen, zowel voor hem als voor de persoon of personen voor wie hij de (verboden) handelingen zou gaan verrichten.

De verdachte schrijft eerder, eind 2015, in een van de berichten dat, “als het wat wordt in de haven”, hij “eerder met pensioen kan”. Een dergelijke uitlating wijst, op zichzelf maar zeker in de context van de andere gesprekken in de Blackberry, zeer sterk in de richting van omkoping. Daarbij komt dat verdachte op 11 februari 2019, een dag voor de aanvang van (het meest wezenlijke deel van) de feiten 1 tot en met 3 op de dagvaarding, twee foto’s toegestuurd heeft gekregen waarop een persoon is te zien die een (zeer) groot aantal bankbiljetten vasthoudt. Verdachte heeft geen duidelijke verklaring gegeven voor deze foto’s of over de persoon die deze foto’s aan hem heeft gestuurd. Beide omstandigheden zijn sterk belastend voor verdachte. Er is echter ook diepgaand financieel onderzoek ingesteld naar inkomen en vermogen van de verdachte en zijn echtgenote. Daaruit is geen informatie naar voren gekomen die duidelijk wijst op aanzienlijk en/of onverklaarbaar vermogen en/of dergelijke bestedingen. Ook zijn geen voorwerpen aangetroffen bij de verdachte thuis die daarop ondubbelzinnig wijzen. Hierdoor kan niet met de wettelijk vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de feiten 1 tot en met 3 op de dagvaarding heeft gepleegd omdat hij, kort gezegd, was omgekocht (feit 4).

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 4 ten laste gelegde feit.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Container [containernummer 1]

hij op of omstreeks 13 februari 2019 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1.516,06 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

Container [containernummer 1] voorbereidingshandelingen

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 13 februari 2019 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 1.516,06 kilogram cocaïne zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, /of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende hij, verdachte, toen en daar opzettelijk

- in het bedrijfsprocessensysteem Plato van de Douane Nederland en/of het informatievoorzieningsprogramma Portbase ingevoerd dat de (geplande) controle van container met nummer [containernummer 1] door middel van een speurhond verdovende middelen was uitgevoerd, en/of dat bij die controle geen bijzonderheden waren aangetroffen, terwijl die controle (nog) niet was uitgevoerd, en/of

- de container met nummer [containernummer 1] (nogmaals) (handmatig) af te melden als afgehandeld, teneinde die container vrij te (kunnen) geven;

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 december 2018 tot en met 13 februari 2019 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten het bedrijfsprocessensysteem Plato en/of het informatievoorzieningsprogramma Portbase van de Douane Nederland,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door (onder meer) in voornoemde systemen/programma's (telkens)

- op 8 december 2018 de blokkade ter inspectie/scanopdracht van container [containernummer 2] op te heffen, en/of de bevindingen en waarnemingen in te voeren " foto 23 Uniport gezien : geen bijzonderheden", terwijl die inspectie/ scan niet was uitgevoerd, en/of

- op 13 februari 2019 in het bedrijfsprocessensysteem Plato en/of het informatievoorzieningsprogramma Portbase in te voeren dat de (geplande) controle van container met nummer [containernummer 1] door middel van een speurhond verdovende middelen was uitgevoerd en/of dat bij die controle geen bijzonderheden waren aangetroffen, terwijl die controle niet was uitgevoerd,

- de opdracht voor een controle van de container met nummer [containernummer 1] (nogmaals) (handmatig) af te melden als afgehandeld, teneinde die container (nogmaals) vrij te geven, terwijl die container niet gescand en/of gecontroleerd was,

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

2. medeplegen van het, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

3. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in zijn functie als douanier (scanmedewerker, C-functionaris) schuldig gemaakt aan de invoer van een zeer grote hoeveelheid cocaïne, aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van verdovende middelen en aan valsheid in geschrift. De verdachte heeft op geraffineerde wijze opzettelijk onjuiste informatie in de digitale systemen ingevoerd waardoor hij containers kon vrijgeven om te verhinderen dat deze werden gecontroleerd op de aanwezigheid van (onder meer) verdovende middelen. Ook containers die al voorgeselecteerd waren om te worden gecontroleerd, heeft hij vrijgegeven voordat de controle had plaatsgevonden.

Verdachte was als douanier werkzaam in de haven, en juist in een functie bij uitstek tot doel had de bestrijding van internationale grootschalige (hard)drugssmokkel. Bij de nu bewezen verklaarde feiten was de verdachte echter het tegendeel. Hij vervulde bij de smokkel een sleutelrol in het controleproces in de haven en was zodoende voor de andere daders de meest wezenlijke schakel om de grote partij cocaïne ongehinderd Nederland binnen te kunnen smokkelen. Hij werkte immers specifiek op de afdeling waar hij een container kon vrijgeven voordat controle op smokkelwaar plaatsvond. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op deze wijze van zijn functie met een vertrouwenspositie misbruik heeft gemaakt.

Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel. De invoer van grote partijen verdovende middelen (cocaïne) en de voorbereidingshandelingen daarop dragen bij aan de verspreiding en het gebruik van harddrugs en vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevorderen de toename van vermogenscriminaliteit.

De integriteit van overheidsdiensten dient onder alle omstandigheden boven elke twijfel verheven te zijn. Door misbruik te maken van zijn positie als douanier heeft de verdachte schade toegebracht aan het imago van de Rotterdamse haven in zowel binnen- als buitenland. Hij heeft ook het publieke vertrouwen in de integriteit van de douane als overheidsorgaan in diskrediet gebracht. Rotterdam is één van de grootste havens van de wereld en corruptie in de haven schaadt het internationale aanzien van Nederland Door het handelen van de verdachte is de douane wederom op een zeer negatieve manier in het nieuws gekomen, hetgeen de nodige frustratie bij zijn collega’s teweeg moet hebben gebracht. Daarnaast heeft hij het door zijn werkgever en zijn collega’s in hem gestelde vertrouwen beschaamd.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Gelet op de zeer grote hoeveelheid van de aangetroffen partij cocaïne en de geraffineerdheid waarmee de invoer daarvan is georganiseerd en rekening houdend met de bijzondere positie van verdachte als douanier, zou de door de officier van justitie geëiste straf van twaalf jaar gevangenisstraf passend zijn bij een integrale bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank weegt in dit verband in het nadeel van de verdachte ook mee dat de inhoud van de PGP-berichten, zoals hiervoor uiteengezet, een beeld geeft dat de verdachte zich al langer dan de ten laste periode een zekere mate van betrokkenheid moet hebben gehad bij personen die banden hebben met of betrokken zijn bij de internationale (hard)drugshandel. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

Op de beslaglijst staan het volgende vermeld:

1. Geld Euro 4524.36

4524,36 euro, opbrengst crypto IBG 15-02-2019

2. Geld Euro 376.15

376,15 euro, opbrengst crypto IBG 15-02-2019

3. Geld Euro 1120.00

1120 euro, ibg 13-02-19, _30497

Op grond van het dossier is niet aannemelijk geworden dat de verdachte deze (geld)bedragen uit de gepleegde feiten heeft verkregen of dat de feiten daarmee zijn begaan. Daarom zal ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 genoemde (geld)bedragen een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Voorwaardelijke verzoeken verdediging

De rechtbank ziet geen noodzaak tot het verrichten van het (subsidiair) door de verdediging verzochte aanvullend onderzoek. De rechtbank heeft hierboven al uiteengezet dat, en waarom, zij de gegevens in het dossier bruikbaar acht als bewijsmiddel voor de hierboven bewezen verklaarde feiten. Deze verzoeken worden daarom afgewezen.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van:

1. Geld Euro 4524.36

4524,36 euro, opbrengst crypto IBG 15-02-2019

2. Geld Euro 376.15

376,15 euro, opbrengst crypto IBG 15-02-2019

3. Geld Euro 1120.00

1120 euro, ibg 13-02-19, _30497.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. L. Feraaune en M.J.M. van Beckhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 augustus 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Container [containernummer 1]

hij op of omstreeks 13 februari 2019 te

Rotterdam, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet

als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 1.516,06 kilogram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

Container [containernummer 1] voorbereidingshandelingen

hij

in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 13 februari 2019 te

Rotterdam, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van ongeveer 1.516,06 kilogram cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te

verschaffen,

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, en/of gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden

dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende hij, verdachte, toen en daar opzettelijk

- in het bedrijfsprocessensysteem Plato van de Douane Nederland en/of het

informatievoorzieningsprogramma Portbase ingevoerd dat de (geplande)

controle van container met nummer [containernummer 1] door middel van een speurhond

verdovende middelen was uitgevoerd, en/of

dat bij die controle geen bijzonderheden waren aangetroffen,

terwijl die controle (nog) niet was uitgevoerd, en/of

- de container met nummer [containernummer 1] (nogmaals) (handmatig) af te melden als

afgehandeld, teneinde die container vrij te geven;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van

8 december 2018 tot en met 13 februari 2019

te Rotterdam, althans (elders) in Nederland,

(een) geschrift(en) dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te

dienen, te weten het bedrijfsprocessensysteem Plato en/of het

informatievoorzieningsprogramma Portbase van de Douane Nederland,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door (onder meer)

in voornoemde systemen/programma's (telkens)

- op 8 december 2018 de blokkade ter inspectie/scanopdracht van container

[containernummer 2] op te heffen, en/of

de bevindingen en waarnemingen in te voeren " foto 23 Uniport gezien : geen

bijzonderheden",

terwijl die inspectie/ scan nog niet was uitgevoerd, en/of

- op 13 februari 2019 in het bedrijfsprocessensysteem Plato en/of het

informatievoorzieningsprogramma Portbase in te voeren dat de (geplande)

controle van container met nummer [containernummer 1] door middel van een speurhond

verdovende middelen was uitgevoerd en/of

dat bij die controle geen bijzonderheden waren aangetroffen,

terwijl die controle (nog) niet was uitgevoerd,

- de opdracht voor een controle van de container met nummer [containernummer 1]

(nogmaals) (handmatig) af te melden als afgehandeld, teneinde die container

(nogmaals) vrij te geven, terwijl die container nog niet gescand en/of

gecontroleerd was,

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te

doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van

19 november 2018 tot en met 13 februari 2019 te

Rotterdam, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

als ambtenaar, te weten als scan -medewerker (C-functionaris) bij de Douane

Rotterdam (telkens) een of meer giften en/of beloften, te weten (een)

geldbedrag(en), in elk geval een belonging/vergoeding,

heeft gevraagd of aangenomen, wetende dat die gift(en) en belofte(n) (telkens)

werd(en) gegeven of gedaan teneinde hem, verdachte, te bewegen om, zonder

daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen

of na te laten, of naar aanleiding van iets wat hij, verdachte, in zijn

bediening heeft gedaan of nagelaten, namelijk door (meermalen)

in het bedrijfsprocessensysteem Plato en/of het

informatievoorzieningsprogramme Portbase van de Douane Nederland, (telkens)

- opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of de markering

van) (een) container(s), en/of

- zodanig markeren/vrijgeven van container(s) waardoor in ieder geval de

containers met de nummers [containernummer 2] en [containernummer 1] zonder

controle/inspectie doorgezet/vrijgegeven kon(den) worden, en/of

- buiten de controle houden door die markering/vrijgave van (een)

binnenkomende container(s), waaronder in elk geval de containers met nummers

[containernummer 2] en [containernummer 1] ;

art 363 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht