Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7023

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
10/996778-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Watercypres (totaal 12 verdachten). Accijnsfraude gepleegd in georganiseerd verband. Bewijs daarvoor volgt uit taps, observaties, verklaringen en aantreffen van deelpartijen sigaretten. Vrijspraak van merkvervalsing. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996778-17

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24, 25, 26 en 29 juni 2020 en 27 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Beoordeling

4.1.

Inleiding

Van het landelijk werkend projectteam “Smoke screen project” van de FIOD dat onderzoek doet naar criminele samenwerkingsverbanden die zich bezig houden met de productie, handel en doorvoer van illegale sigaretten, ontving de FIOD Den Haag in 2016 TCI informatie over vermoedelijke accijnsfraude via onder meer de supermarkt [naam supermarkt] in Den Haag. Uit het opsporingsonderzoek dat hierna door de FIOD onder de naam Watercypres is uitgevoerd – afgeluisterde telefoongesprekken, observaties, inbeslagnames, verklaringen - komt het volgende beeld naar voren. Grote partijen sigaretten - origineel, of soms nagemaakt – worden zonder afdracht van Nederlandse accijns vanuit het buitenland (vermoedelijk Polen en/of Oekraïne) in vrachtwagens naar Nederland gesmokkeld. Eenmaal in Nederland worden de sigaretten soms opgeslagen in loodsen en soms direct doorverkocht aan verschillende supermarkten, van waaruit ook onderling transacties plaatsvinden. De betrokken verdachten werken samen volgens een vast handelspatroon, waarbij zij in wisselende combinaties over en weer sigaretten (door)verkopen en elkaar ook op de hoogte brengen van controles door de douane. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt van bij deze transacties berekende prijzen (€ 15,- tot € 30,- per slof sigaretten) die ver beneden de reguliere prijs liggen van een slof sigaretten waarover de accijns is betaald (€ 60,- tot € 70,- per slof). Van de sigaretten die op basis van deze gesprekken en observaties door de FIOD tijdens het onderzoek in beslag werden genomen, is ook steeds gebleken dat daaraan daadwerkelijk het Nederlands accijnszegel ontbrak. Geen van de verdachten had een vergunning in de zin van de Wet op de accijns om sigaretten op te slaan of voorhanden te hebben, al dan niet onder schorsing van accijns.

Hierna zal de rechtbank aangeven welk ten laste gelegd aandeel daarin ten aanzien van de verdachte bewezen kan worden geacht.

4.2.

Voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten (feit 2)

De officier van justitie heeft het handelen in onveraccijnsde sigaretten ten laste gelegd als overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns, te weten het voor handen hebben van dergelijke sigaretten.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft feitelijke beschikkingsmacht over de aangetroffen en inbeslaggenomen onveraccijnsde sigaretten gehad. Uit taps, onderzoek aan telefoons en observaties blijkt dat hij, samen met een medeverdachte of medeverdachten, ook feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad over de overige in de tenlastelegging opgenomen hoeveelheden sigaretten. De verdachte bekent dat hij weet dat sigaretten voorzien moeten zijn van een Nederlands accijnszegel en dat hij over sigaretten zonder zegels beschikte. Het onder 2 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van de in de woning, kelder en auto van de verdachte aangetroffen sigaretten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Van de sigaretten in de loods aan de [naam locatie] kan niet worden vastgesteld dat de verdachte deze heeft geleverd. De sigaretten lijken eerder aan medeverdachte [naam medeverdachte 1] te kunnen worden toegerekend, zodat van dit deel vrijspraak dient te volgen. Door de inbeslagname ervan zijn de sigaretten in de auto van [naam medeverdachte 2] , voor zover deze al voor de verdachte bestemd waren, nooit geleverd. Van het voorhanden van deze sigaretten door verdachte is geen sprake.

Het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten in verband met de gestelde sigarettenhandel met de medeverdachte [naam medeverdachte 3] is slechts gebaseerd op observaties van 5 en 12 februari 2018 en informatie uit taps. Hieruit volgen slechts vermoedens die door beide verdachten worden weersproken. Nu steunbewijs voor het ten laste gelegde ontbreekt dient ten aanzien van het overgrote deel van de gestelde leveringen door [naam medeverdachte 3] dan ook vrijspraak te volgen.

Beoordeling

Voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten, is vereist dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende onveraccijnsde sigaretten. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder andere Hof Den Bosch 18 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1054) is hiervan sprake als de verdachte de hoedanigheid van de goederen kent, daartoe daadwerkelijk toegang heeft en tevens weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing zijn betrokken.

Uit zijn eigen verklaring volgt dat de verdachte weet dat sigaretten van een Nederlands accijnszegel voorzien moeten zijn en dat hij sigaretten zonder zegel, ofwel onveraccijnsde sigaretten, voorhanden heeft gehad. Het voorhanden hebben van de in de woning, kelder en auto van de verdachte aangetroffen onveraccijnsde 90.000 sigaretten is wettig en overtuigend bewezen. Dit geldt ook voor de 64.000 in het voertuig van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] aangetroffen onveraccijnsde sigaretten. Uit de verklaring van [naam medeverdachte 2] ter terechtzitting, vastgelegd in het proces-verbaal dat door de rechtbank is gevoegd in het strafdossier van de verdachte, volgt dat deze sigaretten voor de verdachte bestemd waren. De verdediging heeft deze verklaring als onbetrouwbaar bestempeld. De verklaring vindt echter steun in de resultaten van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte op en omstreeks 19 februari 2018, uit welke gegevens de betrokkenheid van de verdachte bij het transport eveneens volgt. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte de in het voertuig van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] aangetroffen onveraccijnsde sigaretten tezamen en in vereniging met deze medeverdachte voorhanden heeft gehad. Het verweer van de verdediging wordt gepasseerd.

Uit taps en observaties volgt dat ook de medeverdachte [naam medeverdachte 3] aan de verdachte op meerdere momenten grote hoeveelheden onveraccijnsde sigaretten heeft verkocht en daadwerkelijk heeft geleverd zodat zij die samen voorhanden hebben gehad. Het verweer van de raadsman dat onvoldoende blijkt dat het in alle gevallen tot levering is gekomen, wordt gepasseerd. In die gevallen waarin, naar aanleiding van wat in de afgeluisterde gesprekken werd gehoord, observaties hebben plaatsgehad is gezien dat er daadwerkelijk overdrachten plaatsvonden. Dat de verdachte daarnaast nog gelijksoortige gesprekken heeft gevoerd – inclusief afspraken om elkaar te ontmoeten en over betalingen – die tot niets zouden hebben geleid, vindt de rechtbank onaannemelijk.

Dat de verdachte ook ten aanzien van de 111.000 sigaretten uit de loods aan de [naam locatie] in Den Haag feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad, kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Concreet bewijs dat de verdachte deze specifieke lading sigaretten heeft vervoerd en geleverd, ontbreekt. Het dossier bevat immers aanwijzingen dat ook anderen bedoelde loods hebben gebruikt of bevoorraad. Van dit deel van de tenlastelegging volgt vrijspraak.

4.3.

Merkvervalsing (feit 3)

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat monsters van de onder verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen sigaretten door de merkhouder van de desbetreffende sigarettenmerken zijn onderzocht. Uit de schriftelijk verklaringen van die merkhouders volgt dat sigaretten nagemaakt en daarmee vals zijn. Dat volgt tevens uit de afgeluisterde gesprekken waarin over illegale sigaretten wordt gesproken en uit de omstandigheid dat geen van de inbeslaggenomen producten in de originele verpakking zat. Door onder zodanig verdachte omstandigheden te handelen, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het voorhanden hebben van illegale sigaretten en daarmee ook merkvervalste sigaretten aanvaard.

Standpunt verdediging

Wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde ontbreekt. Uit het dossier komt onvoldoende naar voren welk deel van de sigaretten echt en welk deel vervalst is. De omstandigheid dat de sigaretten niet in originele dozen verpakt waren, maakt nog niet dat de sigaretten vals zijn, noch dat de verdachte dit moet hebben geweten.

De beoordeling


De vaststelling dat een deel van de mede onder de verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen sigaretten merkvervalst is, volgt alleen uit een door de betrokken merkhouders opgestelde verklaring ten aanzien van enige monsters. Het door de officier van justitie aangevoerde ‘steunbewijs’ daarvoor vindt de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Dat in de contacten tussen verdachten wordt gesproken over illegale sigaretten hoeft niet op merkvervalst te duiden maar kan ook alleen zien op het onveraccijnsd zijn. Dat pakjes sigaretten in andere dozen of verpakkingen zitten dan origineel van de fabrikant maakt die pakjes nog niet merkvervalst. Ook kan op grond van het dossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld welke van de inbeslaggenomen sigaretten dan precies vals of vervalst zou zijn.

Van het onder 3 ten laste gelegde wordt de verdachte vrijgesproken.

4.4.

Criminele organisatie (feit 1)

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één ander persoon die als oogmerk het plegen van misdrijven heeft. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat de deelnemer aan een dergelijke organisatie heeft samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Het is evenmin vereist dat de deelnemer precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht. De deelnemer dient in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

In de tenlastelegging zijn als misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht opgenomen het voorhanden hebben van accijnsgoederen (sigaretten) die niet volgens de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken (verder de accijnsfeiten) en het – kort gezegd – handelen in merkvervalste sigaretten. Zoals eerder uiteengezet vindt de rechtbank voor het handelen in merkvervalste sigaretten het bewijs ontoereikend.

De vraag die dan voor ligt is of de accijnsfeiten in een georganiseerd verband, in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zijn gepleegd. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

In de in het onderzoek afgeluisterde telefoongesprekken wordt tussen de deelnemers daaraan telkens gesproken over sigaretten, merken, prijzen (ver beneden de reguliere marktprijs) hoeveelheden, wel of niet aanwezige ‘stickers’. Er worden telkens afspraken gemaakt over wat er geleverd kan worden en hoeveel er afgenomen wordt en er worden afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten.

Bij de observaties naar aanleiding van deze gesprekken zijn verscheidene verdachten in wisselende samenstellingen gezien, bij verschillende opslagplaatsen, is gezien dat dozen werden overgedragen vanuit busjes naar andere busjes en bij de verschillende aanhoudingen zijn vervolgens grote partijen onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Op de aanhouding van een aantal verdachten uit het onderzoek, bij een loods in Noordwijkerhout op 20 februari 2018, waar zij samen aanwezig waren, zijn telefoongesprekken gevolgd van andere verdachten over deze inval en aanhoudingen, met waarschuwingen daar niet meer heen te gaan.

Voorts is uit de afgeluisterde gesprekken en observaties, in samenhang met overige onderzoeksresultaten – verklaringen, doorzoekingen, onderzoek aan de inbeslaggenomen sigaretten – gebleken dat het veelal ging om sigaretten die door deelnemers aan de organisatie (al dan niet met andere onbekend gebleven personen) uit het buitenland werden aangevoerd, in Nederland door deelnemers naar opslagplaatsen werden geleid en daar door deelnemers werden omgepakt en werden geleverd aan andere deelnemers om te worden verkocht, veelal aan Poolse supermarkten. Er is dus sprake geweest van een zekere rolverdeling – al dan niet wisselend per deelnemer – van importeur, leverancier, afnemer, regelaar van faciliteiten (opslagplaatsen, vervoermiddelen).

De rechtbank is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en de verdachte heeft daar in de ten laste gelegde periode ook aan deelgenomen.

Anders dan de verdediging heeft gesteld volgt uit taps en observaties dat de handelsactiviteiten tussen de verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] enerzijds en de verdachte en de supermarkteigenaren anderzijds, aanzienlijk verder gaan dan activeitein die slechts passen bij incidentele handel. Er is sprake van een duurzaam en gestructureerd op het handelen in onveraccijnsde sigaretten gericht samenwerkingsverband waartoe de verdachte als tussenhandelaar heeft behoord.

Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode vanaf 1 oktober 2017 tot en met 6 maart 2018

in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van

meerdere natuurlijke personen, te weten hij, verdachte

en [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6]

en [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 7]

en [naam medeverdachte 8] en [naam medeverdachte 9] en een of meer andere

personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken;

2.

hij in de periode van 1 november 2017 tot en met 6 maart 2018 te

Vlaardingen en 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

opzettelijk accijnsgoederen, te weten sigaretten:

-(circa) 90.000 stuks sigaretten en

-(circa) 64.000 stuks sigaretten en

telkens een grote hoeveelheid sigaretten (AMB-128),

voorhanden heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de

Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2.
Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Verdachte heeft zich gedurende een periode van circa vijf maanden in georganiseerd verband bezig gehouden met het voor handen hebben van onveraccijnsde sigaretten. Deze sigaretten, uit het buitenland Nederland binnen gesmokkeld, werden, in vaak grote hoeveelheden, opgeslagen, (opnieuw) verpakt, (door-)verkocht en daadwerkelijk geleverd. Uiteindelijk werden de betrokken sigaretten verkocht aan de consument in verschillende supermarkten. De rol van de verdachte was die van tussenhandelaar tussen invoerders van de uit het buitenland afkomstige sigaretten en andere handelaars enerzijds en (eigenaren van) Poolse supermarkten anderzijds.

Door deze handel is de reguliere handel in sigaretten verstoord. Bonafide handelaren is hiermee oneerlijke concurrentie aangedaan door de verkoop van sigaretten ver beneden de reguliere prijs. Door het niet kunnen innen van de accijns is voorts de Nederlandse Staat een aanzienlijk bedrag misgelopen. Het met de accijnsheffing tevens beoogde doel, het terugdringen van roken vanwege de enorme gezondheidsrisico’s, is hiermee ondermijnd.

Verdachte heeft zich aan deze nadelige effecten kennelijk niets gelegen laten liggen en alleen zijn eigen winstbejag voor ogen gehad. Dat rekent de rechtbank hem aan en daarop kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht minder bewezen dan de officier van justitie heeft gevorderd en houdt rekening met het feit dat verdachte financieel wordt getroffen door de naheffingsaanslagen van de fiscus. De rechtbank ziet in het (vrijwel) blanco strafblad van verdachte aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Gelet op het tijdverloop zal de proeftijd daarbij worden gesteld op één jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte en dient gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. Gelet hierop zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf met één maand verminderen.

8. In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie en de verdediging zijn het erover eens dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten sigaretten, folie met tape en documenten, onttrokken dienen te worden aan het verkeer. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen, nu de bewezen feiten met betrekking tot respectievelijk met behulp van de voornoemde voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van elf (11) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier (4) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op één (1) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer: sigaretten, folie met tape en documenten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen en mr. V.E. Scholtens, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 oktober 2017 tot en met 6 maart 2018 te

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van

meerdere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten hij, verdachte

en/of [naam medeverdachte 4] en/of [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 6]

en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 7]

en/of [naam medeverdachte 8] en/of [naam medeverdachte 9] en/of een of meer andere

(rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

(telkens)

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken

(artikel 5 lid 1 onder b juncto 97 Wet op de Accijns); en/of

- het invoeren en/of doorvoeren en/of uitvoeren en/of verkopen en/of te koop

aanbieden en/of afleveren en/of uitdelen en/of in voorraad hebben van

vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde waren (te weten sigaretten);

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 6 maart 2018 te

Vlaardingen en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten sigaretten:

-(circa) 90.000 stuks sigaretten(AMB-056); en/of

-(circa) 111.000 sigaretten (AMB-058-1); en/of

-(circa) 64.000 stuks sigaretten(AMB-117B); en/of

-(circa) (in totaal) 684.700 stuks sigaretten, althans (telkens) een (grote)

hoeveelheid sigaretten (AMB-128),

in elk geval (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten voorhanden

heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de

Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 6 maart 2018 te

Vlaardingen en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

-valse, vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of

-waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, en/of

-waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een

bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien,

en/of

-waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of

een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe

afwijking, is nagebootst, en/of

-waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als

een tekening of model waarop een ander recht had, dan wel daarmede slechts

ondergeschikte verschillen vertonen,

te weten een of meer sigarett(ten) en/of een of meer sigarettenpakje(s)

(telkens) voorzien van de merknaam/merknamen Marlboro en/of LM en/of Pall Mall,

althans één of meer sigaret(ten) en/of éen of meer sigarettenpakje(s)

(telkens) heeft ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verkocht

en/of te koop heeft aangeboden en/of afgeleverd en/of uitgedeeld en/of in

voorraad heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt

en/of het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent.