Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7022

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
10/993060-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Watercypres (totaal 12 verdachten). Accijnsfraude gepleegd in georganiseerd verband. Bewijs daarvoor volgt uit taps, observaties, verklaringen en aantreffen van deelpartijen sigaretten. Vrijspraak van merkvervalsing. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/993060-18

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte]

raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Capelle aan den IJssel

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24, 25, 26 en 29 juni 2020 en 27 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 190 uren, met aftrek van voorarrest.

4. Beoordeling

4.1.

Inleiding

Van het landelijk werkend projectteam “Smoke screen project” van de FIOD dat onderzoek doet naar criminele samenwerkingsverbanden die zich bezig houden met de productie, handel en doorvoer van illegale sigaretten, ontving de FIOD Den Haag in 2016 TCI informatie over vermoedelijke accijnsfraude via onder meer de supermarkt [naam supermarkt] in Den Haag. Uit het opsporingsonderzoek dat hierna door de FIOD onder de naam Watercypres is uitgevoerd - afgeluisterde telefoongesprekken, observaties, inbeslagnames, verklaringen - komt het volgende beeld naar voren. Grote partijen sigaretten - origineel, of soms nagemaakt - worden zonder afdracht van Nederlandse accijns vanuit het buitenland (vermoedelijk Polen en/of Oekraïne) in vrachtwagens naar Nederland gesmokkeld. Eenmaal in Nederland worden de sigaretten soms opgeslagen in loodsen en soms direct doorverkocht aan verschillende supermarkten, van waaruit ook onderling transacties plaatsvinden. De betrokken verdachten werken samen volgens een vast handelspatroon, waarbij zij in wisselende combinaties over en weer sigaretten (door)verkopen en elkaar ook op de hoogte brengen van controles door de douane. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt van bij deze transacties berekende prijzen (€ 15,- tot € 30,- per slof sigaretten) die ver beneden de reguliere prijs liggen van een slof sigaretten waarover de accijns is betaald (€ 60,- tot € 70,- per slof). Van de sigaretten die op basis van deze gesprekken en observaties door de FIOD tijdens het onderzoek in beslag werden genomen, is ook steeds gebleken dat daaraan daadwerkelijk het Nederlands accijnszegel ontbrak. Geen van de verdachten had een vergunning in de zin van de Wet op de accijns om sigaretten op te slaan of voorhanden te hebben, al dan niet onder schorsing van accijns.

Hierna zal de rechtbank aangeven welk ten laste gelegd aandeel daarin ten aanzien van de verdachte bewezen kan worden geacht.

4.2.

Voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten (feit 2)

De officier van justitie heeft het handelen in onveraccijnsde sigaretten ten laste gelegd als overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns, te weten het voor handen hebben van dergelijke sigaretten.


De verdachte heeft verklaard dat hij gedurende enige tijd in opdracht van een ander sigaretten die niet in de accijns betrokken waren, heeft vervoerd en heeft verkocht. Ook heeft hij in opdracht van een ander een [naam opslagruimte-bedrijf] opslagruimte aan de [adres] in Den Haag gehuurd. In de opslagruimte is op 20 februari 2018 een hoeveelheid van 553.800 onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. De raadsman heeft zich ten aanzien van dit feit gerefeerd aan het oordeel van de rechtbank. Het onder 2 ten laste gelegde tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk voorhanden hebben van 553.800 onveracijnsde sigaretten is wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Merkvervalsing (feit 3)

De officier van justitie heeft aangevoerd dat monsters van de onder verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen sigaretten door de merkhouder van de desbetreffende sigarettenmerken zijn onderzocht. Uit de schriftelijke verklaringen van die merkhouders volgt dat de sigaretten nagemaakt en daarmee vals zijn. Dat volgt tevens uit de afgeluisterde gesprekken waarin over illegale sigaretten wordt gesproken en uit de omstandigheid dat geen van de inbeslaggenomen producten in de originele verpakking zat. Door onder zodanig verdachte omstandigheden te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het voorhanden hebben van illegale sigaretten en daarmee ook merkvervalste sigaretten aanvaard.

De raadsman heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs waaruit volgt dat de verdachte van de handel in merkvervalste sigaretten zijn beroep heeft gemaakt ontbreekt, zodat op dit punt vrijspraak dient te volgen.

De vaststelling dat een deel van de mede onder de verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen sigaretten merkvervalst is, volgt alleen uit een door de betrokken merkhouders opgestelde verklaring ten aanzien van enige monsters. Het door de officier van justitie aangevoerde ‘steunbewijs’ daarvoor vindt de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Dat in de contacten tussen verdachten wordt gesproken over illegale sigaretten hoeft niet op merkvervalst te duiden maar kan ook alleen zien op het onveraccijnsd zijn. Dat pakjes sigaretten in andere dozen of verpakkingen zitten dan origineel van de fabrikant maakt die pakjes nog niet merkvervalst. Ook kan op grond van het dossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld welke van de inbeslaggenomen sigaretten dan precies vals of vervalst zouden zijn. Van het onder 3 ten laste gelegde wordt de verdachte vrijgesproken. Gelet hierop behoeft het (verdere) verweer van de raadsman geen bespreking meer.

4.4.

Criminele organisatie (feit 1)

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één ander persoon die als oogmerk het plegen van misdrijven heeft. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat de deelnemer aan een dergelijke organisatie heeft samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Het is evenmin vereist dat de deelnemer precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht. De deelnemer dient in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

In de tenlastelegging zijn als misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht opgenomen het voorhanden hebben van accijnsgoederen (sigaretten) die niet volgens de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken (verder de accijnsfeiten) en het – kort gezegd – handelen in merkvervalste sigaretten. Op eerder uiteengezette gronden vindt de rechtbank ook voor het oogmerk om te handelen in merkvervalste sigaretten het bewijs ontoereikend.

De vraag die dan voor ligt is of de accijnsfeiten in een georganiseerd verband, in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zijn gepleegd. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

In de in het onderzoek afgeluisterde telefoongesprekken wordt tussen de deelnemers daaraan telkens gesproken over sigaretten, merken, prijzen (ver beneden de reguliere marktprijs) hoeveelheden, wel of niet aanwezige ‘stickers’. Er worden telkens afspraken gemaakt over wat er geleverd kan worden en hoeveel er afgenomen wordt en er worden afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten.

Bij de observaties naar aanleiding van deze gesprekken zijn verscheidene verdachten in wisselende samenstellingen gezien, bij verschillende opslagplaatsen, is gezien dat dozen werden overgedragen van uit busjes naar andere busjes en bij de verschillende aanhoudingen zijn vervolgens grote partijen onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Op de aanhouding van een aantal verdachten uit het onderzoek, bij een loods in Noordwijkerhout op 20 februari 2018, waar zij samen aanwezig waren, zijn telefoongesprekken gevolgd van andere verdachten over deze inval en aanhoudingen, met waarschuwingen daar niet meer heen te gaan.

Voorts is uit de afgeluisterde gesprekken en observaties, in samenhang met overige onderzoeksresultaten – verklaringen, doorzoekingen, onderzoek aan de inbeslaggenomen sigaretten – gebleken dat het veelal ging om sigaretten die door deelnemers aan de organisatie (al dan niet met andere onbekend gebleven personen) uit het buitenland werden aangevoerd, in Nederland door deelnemers naar opslagplaatsen werden geleid en daar door deelnemers werden omgepakt en werden geleverd aan andere deelnemers om te worden verkocht, veelal aan Poolse supermarkten. Er is dus sprake geweest van een zekere rolverdeling – al dan niet wisselend per deelnemer - van importeur, leverancier, afnemer, regelaar van faciliteiten (opslagplaatsen, vervoermiddelen).

De rechtbank is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en de verdachte heeft daar in de ten laste gelegde periode ook aan deelgenomen.

Anders dan de verdediging heeft gesteld is het aandeel van de verdachte in de ten laste gelegde periode, te weten het huren van een loods voor de opslag van de sigaretten, het vervoeren en het verkopen van de sigaretten, voldoende substantieel om van deelname aan de criminele organisatie te spreken. Er is sprake van een duurzaam en gestructureerd op het handelen in onveraccijnsde sigaretten gericht samenwerkingsverband waartoe de verdachte als uitvoerder heeft behoord.

4.5.

Bewezenverklaring


In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode vanaf 1 oktober 2017 tot en met 20 maart 2018

in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van meerdere natuurlijke personen, te weten hij, verdachte,

en [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3]

en [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] en

[naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 8] en een of meer andere

personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken;

2.

hij in de periode van 1 november 2017 tot en met 20 maart 2018

te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

accijnsgoederen, te weten (circa) 553.800 sigaretten,

voorhanden heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de

bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2.
Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De verdachte heeft zich gedurende een periode van circa vier maanden in georganiseerd verband bezig gehouden met het voor handen hebben van onveraccijnsde sigaretten. Deze sigaretten, uit het buitenland Nederland binnen gesmokkeld, werden, in vaak grote hoeveelheden, opgeslagen, (opnieuw) verpakt, (door-)verkocht en daadwerkelijk geleverd. Uiteindelijk werden de betrokken sigaretten verkocht aan de consument in veelal Poolse supermarkten. De rol van de verdachte bestond uit het huren van opslag voor en het vervoeren en verkopen van de sigaretten.

Door deze handel is de reguliere handel in sigaretten verstoord. Bonafide handelaren is hiermee oneerlijke concurrentie aangedaan door de verkoop van sigaretten ver beneden de reguliere prijs. Door het niet kunnen innen van de accijns is voorts de Nederlandse Staat een aanzienlijk bedrag misgelopen. Het met de accijnsheffing tevens beoogde doel, het terugdringen van roken vanwege de enorme gezondheidsrisico’s, is hiermee ondermijnd.

Ook de verdachte heeft gedurende de genoemde periode een aandeel gehad in het verhandelen van de onveraccijnsde sigaretten. De rechtbank ziet zijn rol evenwel als uitvoerend, min of meer ondergeschikt aan de rol van de medeverdachte Bebani. In de omstandigheden dat de rechtbank minder bewezen acht dan door de officier van justitie is gevorderd, dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en het feit dat de verdachte financieel ook wordt getroffen door een naheffingsaanslag van de fiscus, ziet de rechtbank aanleiding tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een maximale werkstraf. Het voorwaardelijk strafdeel, waarvan de proeftijd gelet op het tijdverloop op één jaar wordt gesteld, dient ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarmee heeft de rechtbank tevens de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, waarvan in onderhavig geval sprake is, gecompenseerd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op één (1) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig uren), waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 236 (tweehonderdzesendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 118 (honderdachttien) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen en mr. V.E. Scholtens, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 oktober 2017 tot en met 20 maart 2018

te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van

meerdere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten hij, verdachte,

en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3]

en/of [naam medeverdachte 4] en/of [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 6] en/of

[naam medeverdachte 7] en/of [naam medeverdachte 8] en/of een of meer andere

(rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken

(artikel 5 lid 1 onder b juncto 97 Wet op de Accijns); en/of

- het invoeren en/of doorvoeren en/of uitvoeren en/of verkopen en/of te koop

aanbieden en/of afleveren en/of uitdelen en/of in voorraad hebben van

vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde waren (te weten sigaretten)

(artikel 337 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 20 maart 2018

te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een)

accijnsgoed(eren), te weten (circa) 553.800 sigaretten (AMB-027), en/of

meerdere (grote) partijen sigaretten (AMB-044; T005-1062, -5375; dossier blz.

2379 e.v.), althans (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten,

voorhanden heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de

bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 20 maart 2018 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk

-valse, vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of

-waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, en/of

-waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een

bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien,

en/of

-waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of

een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe

afwijking, is nagebootst, en/of

-waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als

een tekening of model waarop een ander recht had, dan wel daarmede slechts

ondergeschikte verschillen vertonen,

te weten een of meer sigaret(ten) en/of een of meer sigarettenpakje(s)

(telkens) voorzien van de merknaam/merknamen Marlboro en/of LM en/of Pall Mall

(DOC-027), althans één of meer sigaret(ten) en/of éen of meer

sigarettenpakje(s) (telkens) heeft ingevoerd en/of doorgevoerd en/of

uitgevoerd en/of verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of afgeleverd

en/of uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt

en/of het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent.