Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7020

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
10/996542-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Watercypres (totaal 12 verdachten). Accijnsfraude gepleegd in georganiseerd verband. Bewijs daarvoor volgt uit taps, observaties, verklaringen en aantreffen van deelpartijen sigaretten. Vrijspraak van merkvervalsing. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996542-18

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak (art. 279 Sv)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortdatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Hilversum.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24, 25, 26 en 29 juni 2020 en 27 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Beoordeling

4.1.

Inleiding

Van het landelijk werkend projectteam “Smoke screen project”van de FIOD dat onderzoek doet naar criminele samenwerkingsverbanden die zich bezig houden met de productie, handel en doorvoer van illegale sigaretten, ontving de FIOD Den Haag in 2016 TCI informatie over vermoedelijke accijnsfraude via onder meer de supermarkt [naam supermarkt] in Den Haag. Uit het opsporingsonderzoek dat hierna door de FIOD onder de naam Watercypres is uitgevoerd – afgeluisterde telefoongesprekken, observaties, inbeslagnames, verklaringen - komt het volgende beeld naar voren. Grote partijen sigaretten - origineel, of soms nagemaakt – worden zonder afdracht van Nederlandse accijns vanuit het buitenland (vermoedelijk Polen en/of Oekraïne) in vrachtwagens naar Nederland gesmokkeld. Eenmaal in Nederland worden de sigaretten soms opgeslagen in loodsen en soms direct doorverkocht aan verschillende supermarkten, van waaruit ook onderling transacties plaatsvinden. De betrokken verdachten werken samen volgens een vast handelspatroon, waarbij zij in wisselende combinaties over en weer sigaretten (door)verkopen en elkaar ook op de hoogte brengen van controles door de douane. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt van bij deze transacties berekende prijzen (€ 15,- tot € 30,- per slof sigaretten) die ver beneden de reguliere prijs liggen van een slof sigaretten waarover de accijns is betaald (€ 60,- tot € 70,- per slof). Van de sigaretten die op basis van deze gesprekken en observaties door de FIOD tijdens het onderzoek in beslag werden genomen, is ook steeds gebleken dat daaraan daadwerkelijk het Nederlands accijnszegel ontbrak. Geen van de verdachten had een vergunning in de zin van de Wet op de accijns om sigaretten op te slaan of voorhanden te hebben, al dan niet onder schorsing van accijns.

Hierna zal de rechtbank aangeven welk ten laste gelegd aandeel daarin ten aanzien van de verdachte bewezen kan worden geacht.

4.2.

Voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten (feit 2)

De officier van justitie heeft het handelen in onveraccijnsde sigaretten ten laste gelegd als overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns, te weten het voor handen hebben van dergelijke sigaretten.

Standpunt officier van justitie

Uit taps, onderzoek aan telefoons en observaties blijkt dat de verdachte, samen met een medeverdachte of medeverdachten, feitelijke beschikkingsmacht over de in de tenlastelegging vermelde hoeveelheden onveraccijnsde sigaretten heeft gehad. De verdachte bekent dat hij weet dat sigaretten voorzien moeten zijn van een Nederlandse accijnszegel, dat hij fungeerde als tussenpersoon tussen Poolse mensen en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] en dat een pakje sigaretten in de Poolse supermarkt ongeveer € 3,50 kost. Hieruit volgt dat de verdachte moet hebben geweten dat de desbetreffende sigaretten niet in de accijns betrokken waren. Het onder 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat voor vrijwel alle uit het dossier blijkende transacties waar verdachte bij betrokken was geen sprake is geweest van het voorhanden hebben door verdachte in de zin van artikel 5 van de Wet op de accijns. Op grond van de relevante fiscale jurisprudentie kan alleen van voorhanden hebben in deze zin worden gesproken als de verdachte daadwerkelijk met zijn vingers aan de betrokken sigaretten kan komen. Uit het dossier, in het bijzonder de taps, volgt slechts een bemiddelende rol van de verdachte bij de handel in sigaretten, maar dit levert nog niet het voor een bewezenverklaring vereiste voorhanden hebben op. Steunbewijs in de vorm van de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] ontbreekt eveneens, nu [naam medeverdachte 1] wisselend en tegenstrijdig aan andere bewijsmiddelen heeft verklaard en diens verklaring daarmee onbetrouwbaar is en niet kan meewerken aan het bewijs. Slechts het voorhanden hebben van een hoeveelheid van 89.000 onveraccijnsde sigaretten kan worden bewezen verklaard. Van het overige dient vrijspraak te volgen.

Beoordeling

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten is vereist dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende onveraccijnsde sigaretten.

Beschikkingsmacht houdt - onder andere - in dat de verdachte toegang heeft tot de betrokken goederen. Daarvan is ook sprake als de verdachte bijvoorbeeld doet opslaan of doet vervoeren (HR 14 mei 20014, ECLI:NL:2004:AO9493, rov 3.3). Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat voorhanden hebben inhoudt dat de betrokken sigaretten zich (steeds) zodanig dicht bij de verdachte bevinden “dat hij ze aan kan raken”, is dat dus een te beperkte opvatting.

Uit taps en observaties volgt dat de verdachte aan de medeverdachte [naam medeverdachte 1] op meerdere momenten grote hoeveelheden onveraccijnsde sigaretten heeft verkocht en daadwerkelijk heeft geleverd. In de tapgesprekken zegt de verdachte dat hij sigaretten heeft, er moet door [naam medeverdachte 1] aan hem betaald worden en hij maakt met [naam medeverdachte 1] afspraken voor de daadwerkelijke leveringen. Dit is, anders dan de verdediging stelt, niet slechts een bemiddelende rol. Uit het feit dat de verdachte partijen sigaretten “heeft” en daadwerkelijk levert, volgt dat hij toegang had tot die betrokken partijen. De verdachte kende de hoedanigheid van de sigaretten en had wetenschap van het onveraccijnsd zijn. De verdachte had aldus feitelijke beschikkingsmacht, wat het voorhanden hebben in de zin van artikel 5 van de Wet op de accijns oplevert. Het verweer van de raadsman dat onvoldoende blijkt dat het in alle gevallen tot levering is gekomen, wordt gepasseerd. In die gevallen waarin, naar aanleiding van wat in de afgeluisterde gesprekken werd gehoord, observaties hebben plaatsgehad, is gezien dat er daadwerkelijk overdrachten plaatsvonden. Dat de verdachte daarnaast nog gelijksoortige gesprekken heeft gevoerd – inclusief afspraken om elkaar te ontmoeten en over betalingen – die tot niets zouden hebben geleid, vindt de rechtbank onaannemelijk.

Het onder 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Criminele organisatie (feit 1)

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één ander persoon die als oogmerk het plegen van misdrijven heeft. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat de deelnemer aan een dergelijke organisatie heeft samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Het is evenmin vereist dat de deelnemer precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht. De deelnemer dient in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

In de tenlastelegging zijn als misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht opgenomen het voorhanden hebben van accijnsgoederen (sigaretten) die niet volgens de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken (verder de accijnsfeiten) en het – kort gezegd – handelen in merkvervalste sigaretten. Voor een oogmerk om te handelen in merkvervalste sigaretten is het bewijs ontoereikend.

De vraag die dan voorligt is of de onder 2 bewezen accijnsfeiten in een georganiseerd verband, in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zijn gepleegd. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

In de in het onderzoek afgeluisterde telefoongesprekken wordt tussen de deelnemers daaraan telkens gesproken over sigaretten, merken, prijzen (ver beneden de reguliere marktprijs) hoeveelheden, wel of niet aanwezige ‘stickers’. Er worden telkens afspraken gemaakt over wat er geleverd kan worden en hoeveel er afgenomen wordt en er worden afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten.

Bij de observaties naar aanleiding van deze gesprekken zijn verscheidene verdachten in wisselende samenstellingen gezien, bij verschillende opslagplaatsen, is gezien dat dozen werden overgedragen van uit busjes naar andere busjes en bij de verschillende aanhoudingen zijn vervolgens grote partijen onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Op de aanhouding van een aantal verdachten uit het onderzoek, bij een loods in Noordwijkerhout op 20 februari 2018, waar zij samen aanwezig waren, zijn telefoongesprekken gevolgd van andere verdachten over deze inval en aanhoudingen, met waarschuwingen daar niet meer heen te gaan.

Voorts is uit de afgeluisterde gesprekken en observaties, in samenhang met overige onderzoeksresultaten – verklaringen, doorzoekingen, onderzoek aan de inbeslaggenomen sigaretten – gebleken dat het veelal ging om sigaretten die door deelnemers aan de organisatie (al dan niet met andere onbekend gebleven personen) vanuit het buitenland werden aangevoerd, in Nederland door deelnemers naar opslagplaatsen werden geleid en daar door deelnemers werden omgepakt en werden geleverd aan andere deelnemers om te worden verkocht, veelal aan Poolse supermarkten. Er is dus sprake geweest van een zekere rolverdeling – al dan niet wisselend per deelnemer – van importeur, leverancier, afnemer, regelaar van faciliteiten (opslagplaatsen, vervoermiddelen).

Daarmee was er sprake van een duurzaam en gestructureerd, op het handelen in onveraccijnsde sigaretten gericht, samenwerkingsverband waartoe de verdachte als tussenhandelaar heeft behoord. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en verdachte heeft daar in de ten laste gelegde periode ook aan deelgenomen. Het onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode vanaf 1 oktober 2017 tot en met 6 maart 2018 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van meerdere natuurlijke personen, te weten hij, verdachte

en [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1]

en [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 7] en een of meer andere personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken;

2.

hij in de periode van 1 november 2017 tot en met 6 maart 2018 te

's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen meermalen, opzettelijk

accijnsgoederen, te weten (AMB-128) telkens (een) (grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de

Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2.
Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Verdachte heeft zich gedurende een periode van circa vier maanden in georganiseerd verband bezig gehouden met het voor handen hebben van onveraccijnsde sigaretten. Deze sigaretten, uit het buitenland Nederland binnen gesmokkeld, werden, in vaak grote hoeveelheden, opgeslagen, (opnieuw) verpakt, (door-)verkocht en daadwerkelijk geleverd. Uiteindelijk werden de betrokken sigaretten verkocht aan de consument in verschillende supermarkten. De rol van de verdachte was die van tussenhandelaar tussen invoerders van de uit het buitenland afkomstige sigaretten en andere handelaars.

Door deze handel is de reguliere handel in sigaretten verstoord. Bonafide handelaren is hiermee oneerlijke concurrentie aangedaan door de verkoop van sigaretten ver beneden de reguliere prijs. Door het niet kunnen innen van de accijns is voorts de Nederlandse Staat een aanzienlijk bedrag misgelopen. Het met de accijnsheffing tevens beoogde doel, het terugdringen van roken vanwege de enorme gezondheidsrisico’s, is hiermee ondermijnd.

Verdachte heeft zich aan deze nadelige effecten kennelijk niets gelegen laten liggen en alleen zijn eigen winstbejag voor ogen gehad. Dat rekent de rechtbank hem aan en daarop kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de ernst van de bewezen feiten en verdachtes rol binnen de criminele organisatie in vergelijking met die van andere deelnemers, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf te laag.

De rechtbank ziet in het (vrijwel) blanco strafblad van verdachte aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met. Gelet op het tijdverloop zal de proeftijd hierbij worden gesteld op 1 jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte en dient gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. Gelet hierop zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf met 1 maand verminderen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

De rechtbank zal overeenkomstig de vordering van de officier van justitie beslissen en de betrokken documenten onttrekken aan het verkeer.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van elf (11) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier (4) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op één (1) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer: documenten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen en mr. V.E. Scholtens, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 oktober 2017 tot en met 6 maart 2018 te

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van

meerdere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten hij, verdachte

en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 1]

en/of [naam medeverdachte 4] en/of [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 6] en/of [naam medeverdachte 8]

en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

(telkens)

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken

(artikel 5 lid 1 onder b juncto 97 Wet op de Accijns); en/of

- het invoeren en/of doorvoeren en/of uitvoeren en/of verkopen en/of te koop

aanbieden en/of afleveren en/of uitdelen en/of in voorraad hebben van

vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde waren (te weten sigaretten)

(artikel 337 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 6 maart 2018 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een)

accijnsgoed(eren), te weten (in totaal) (circa) 684.700 stuks sigaretten

(AMB-128), althans (telkens) (een) (grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden

heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de

Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.