Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7018

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
10/996675-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Watercypres (totaal 12 verdachten). Accijnsfraude gepleegd in georganiseerd verband. Bewijs daarvoor volgt uit taps, observaties, verklaringen en aantreffen van deelpartijen sigaretten. Vrijspraak van merkvervalsing. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996675-17

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24, 25, 26 en 29 juni 2020 en 27 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Beoordeling

4.1.

Inleiding

Van het landelijk werkend projectteam “Smoke screen project” van de FIOD dat onderzoek doet naar criminele samenwerkingsverbanden die zich bezig houden met de productie, handel en doorvoer van illegale sigaretten, ontving de FIOD Den Haag in 2016 TCI informatie over vermoedelijke accijnsfraude via onder meer de supermarkt [naam supermarkt] in Den Haag. Uit het opsporingsonderzoek dat hierna door de FIOD onder de naam Watercypres is uitgevoerd – afgeluisterde telefoongesprekken, observaties, inbeslagnames, verklaringen - komt het volgende beeld naar voren. Grote partijen sigaretten - origineel, of soms nagemaakt – worden zonder afdracht van Nederlandse accijns vanuit het buitenland (vermoedelijk Polen en/of Oekraïne) in vrachtwagens naar Nederland gesmokkeld. Eenmaal in Nederland worden de sigaretten soms opgeslagen in loodsen en soms direct doorverkocht aan verschillende supermarkten, van waaruit ook onderling transacties plaatsvinden. De betrokken verdachten werken samen volgens een vast handelspatroon, waarbij zij in wisselende combinaties over en weer sigaretten (door)verkopen en elkaar ook op de hoogte brengen van controles door de douane. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt van bij deze transacties berekende prijzen (€ 15,- tot € 30,- per slof sigaretten) die ver beneden de reguliere prijs liggen van een slof sigaretten waarover de accijns is betaald (€ 60,- tot € 70,- per slof). Van de sigaretten die op basis van deze gesprekken en observaties door de FIOD tijdens het onderzoek in beslag werden genomen, is ook steeds gebleken dat daaraan daadwerkelijk het Nederlands accijnszegel ontbrak. Geen van de verdachten had een vergunning in de zin van de Wet op de accijns om sigaretten op te slaan of voorhanden te hebben, al dan niet onder schorsing van accijns.

Hierna zal de rechtbank aangeven welk ten laste gelegd aandeel daarin ten aanzien van de verdachte bewezen kan worden geacht.

4.2.

Voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten (feit 2)

De officier van justitie heeft het handelen in onveraccijnsde sigaretten ten laste gelegd als overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns, te weten het voor handen hebben van dergelijke sigaretten.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft feitelijke beschikkingsmacht over de in zijn woning aangetroffen en inbeslaggenomen onveraccijnsde sigaretten gehad. Uit tapgesprekken blijkt dat hij, al dan niet in versluierd taalgebruik, gedurende een langere periode sigaretten heeft verhandeld met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] ¸koopt bij medeverdachte [naam medeverdachte 2] en dat hij en de medeverdachte [naam medeverdachte 3] over en weer illegale sigaretten bij elkaar inkopen. De medeverdachte [naam medeverdachte 4] heeft bevestigd dat hij samen met de verdachte aan de hem voorgehouden tapgesprekken heeft deelgenomen. Op grond van eerdere accijnscontroles in zijn supermarkt is de verdachte bekend met handel in onveraccijnsde sigaretten. Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.


Standpunt verdediging

De verdachte bekent dat hij de in zijn woning aangetroffen hoeveelheid van 18.200 onveraccijnsde sigaretten voorhanden heeft gehad. Voor de overige ten laste gelegde hoeveelheden sigaretten concludeert de raadsman tot partiële vrijspraak, aangezien bewijs dat de verdachte deze sigaretten voorhanden heeft gehad ontbreekt. Dit volgt niet uit de tapgesprekken, waarin slechts over sigaretten en prijzen wordt gesproken. De verdachte verklaart hierover dat niet alle gesprekken daadwerkelijk tot levering hebben geleid. Er dient dan ook behoedzaam te worden omgegaan met informatie uit de taps. Verder (steun)bewijs ontbreekt. Voor zover de TCI-informatie over de verdachte voor het bewijs wordt gebruikt, doet de verdediging ex artikel 344a, derde lid, Sv, het voorwaardelijk verzoek tot het horen van bron(nen) van deze informatie.

Beoordeling

Voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten is vereist dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende onveraccijnsde sigaretten. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder andere Hof Den Bosch 18 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1054) is hiervan sprake als de persoon de hoedanigheid van de goederen kent, daartoe daadwerkelijk toegang heeft en tevens weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing zijn betrokken.

Uit zijn eigen verklaring leidt de rechtbank af dat de verdachte weet dat sigaretten van een Nederlands accijnszegel voorzien moeten zijn. De verdachte heeft voorts verklaard dat de in zijn woning aangetroffen onveraccijnsde sigaretten bestemd waren voor de verkoop in zijn eigen winkel. Het voorhanden hebben van die onveraccijnsde sigaretten is wettig en overtuigend bewezen.

Ook ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde grote hoeveelheden onveraccijnsde sigaretten die tussen de verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zijn verhandeld, is sprake geweest van feitelijke beschikkingsmacht van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij telefoongesprekken over sigaretten heeft gevoerd. Uit de zich in het dossier bevindende tapgesprekken volgt dat de verdachte veelvuldig onveraccijnsde sigaretten van de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] afneemt en soms ook als leverancier optreedt. Het verweer van de raadsman dat steunbewijs voor de daadwerkelijke levering van de sigaretten ontbreekt, wordt gepasseerd. In die gevallen waarin observaties hebben plaatsgehad, zijn overdrachten waargenomen en waar sigaretten in beslag werden genomen bleken die onveraccijnsd te zijn. Dit bleek onder andere ten aanzien van de inbeslaggenomen partij in een loods aan de [adres] te Noordwijkerhout, die gezien de inhoud van de tapgesprekken kort ervoor, mede een bestelling van de verdachte betrof. Dat de verdachte daarnaast nog gelijksoortige gesprekken heeft gevoerd – inclusief afspraken om elkaar te ontmoeten en over betalingen – die tot niets zouden hebben geleid, vindt de rechtbank onaannemelijk.

De conclusie is dat de verdachte in de tenlaste gelegde periode over partijen onveraccijnsde sigaretten feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad en die daarmee voor handen heeft gehad in de zin van de Wet op de accijns.

4.3.

Merkvervalsing (feit 3)

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat monsters van de onder verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen sigaretten door de merkhouder van de desbetreffende sigarettenmerken zijn onderzocht. Uit de schriftelijke verklaringen van die merkhouders volgt dat sigaretten nagemaakt en daarmee vals zijn. Dat volgt tevens uit de afgeluisterde gesprekken waarin over illegale sigaretten wordt gesproken en uit de omstandigheid dat geen van de inbeslaggenomen producten in de originele verpakking zat. Door onder zodanig verdachte omstandigheden te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het voorhanden hebben van illegale sigaretten en daarmee ook merkvervalste sigaretten aanvaard.

Standpunt verdediging

Wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde ontbreekt. De op schrift gestelde verklaring van de merkhouder is een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344 Sv en vindt geen steun in een (ander) bewijsmiddel. Voor zover de merkvervalsing wel bewezen kan worden, levert dit slechts bewijs op ten aanzien van de beperkte hoeveelheid daadwerkelijk onderzochte sigarettenpakjes.

De beoordeling


De vaststelling dat een deel van de mede onder de verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen sigaretten merkvervalst is volgt alleen uit een door de betrokken merkhouders opgestelde verklaring ten aanzien van enige monsters. Het door de officier van justitie aangevoerde ‘steunbewijs’ daarvoor vindt de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Dat in de contacten tussen verdachten wordt gesproken over illegale sigaretten hoeft niet op merkvervalst te duiden maar kan ook alleen zien op het onveraccijnsd zijn. Dat pakjes sigaretten in andere dozen of verpakkingen zitten dan origineel van de fabrikant maakt die pakjes nog niet merkvervalst. Ook kan op grond van het dossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld welke van de inbeslaggenomen sigaretten dan precies vals of vervalst zouden zijn. Van het onder 3 ten laste gelegde wordt de verdachte vrijgesproken. .

4.4.

Criminele organisatie (feit 1)

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één ander persoon die als oogmerk het plegen van misdrijven heeft. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat de deelnemer aan een dergelijke organisatie heeft samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Het is evenmin vereist dat de deelnemer precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht. De deelnemer dient in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

In de tenlastelegging zijn als misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht opgenomen het voorhanden hebben van accijnsgoederen (sigaretten) die niet volgens de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken (verder de accijnsfeiten) en het – kort gezegd – handelen in merkvervalste sigaretten. Op eerder uiteengezette gronden vindt de rechtbank ook voor het oogmerk om te handelen in merkvervalste sigaretten het bewijs ontoereikend.

De vraag die dan voor ligt is of de accijnsfeiten in een georganiseerd verband, in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zijn gepleegd. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

In de in het onderzoek afgeluisterde telefoongesprekken wordt tussen de deelnemers daaraan telkens gesproken over sigaretten, merken, prijzen (ver beneden de reguliere marktprijs) hoeveelheden, wel of niet aanwezige ‘stickers’. Er worden telkens afspraken gemaakt over wat er geleverd kan worden en hoeveel er afgenomen wordt en er worden afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten.

Bij de observaties naar aanleiding van deze gesprekken zijn verscheidene verdachten in wisselende samenstellingen gezien, bij verschillende opslagplaatsen, is gezien dat dozen werden overgedragen van uit busjes naar andere busjes en bij de verschillende aanhoudingen zijn vervolgens grote partijen onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Op de aanhouding van een aantal verdachten uit het onderzoek, bij een loods in Noordwijkerhout op 20 februari 2018, waar zij samen aanwezig waren, zijn telefoongesprekken gevolgd van andere verdachten over deze inval en aanhoudingen, met waarschuwingen daar niet meer heen te gaan.

Voorts is uit de afgeluisterde gesprekken en observaties, in samenhang met overige onderzoeksresultaten – verklaringen, doorzoekingen, onderzoek aan de inbeslaggenomen sigaretten – gebleken dat het veelal ging om sigaretten die door deelnemers aan de organisatie (al dan niet met andere onbekend gebleven personen) uit het buitenland werden aangevoerd, in Nederland door deelnemers naar opslagplaatsen werden geleid en daar door deelnemers werden omgepakt en door deelnemers werden geleverd aan andere deelnemers om te worden verkocht, veelal aan Poolse supermarkten. Er is dus sprake geweest van een zekere rolverdeling – al dan niet wisselend per deelnemer – van importeur, leverancier, afnemer, regelaar van faciliteiten (opslagplaatsen, vervoermiddelen).

De rechtbank is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en de verdachte heeft daar in de ten laste gelegde periode ook aan deelgenomen.

Anders dan de verdediging heeft gesteld volgt uit taps en observaties die wijzen op veelvuldig, terugkerend onderling contact tussen de verdachte en zijn medeverdachten, dat de handelsactiviteiten tussen de verdachte en zijn medeverdachten aanzienlijk verder zijn gegaan dan een incidenteel samenwerkingsverband. Er is sprake van een duurzaam en gestructureerd op het handelen in onveraccijnsde sigaretten gericht samenwerkingsverband waartoe de verdachte als afnemer en verkoper van de sigaretten heeft behoord.

Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode vanaf 1 oktober 2017 tot en met 5 april 2018 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van meerdere natuurlijke personen, te weten hij, verdachte

en [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2]

en [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 8]

en [naam medeverdachte 4] en een of meer andere personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken;

2.

hij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 5 april 2018 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk

accijnsgoederen, te weten (circa) 18.200 stuks sigaretten en

meerdere grote partijen sigaretten verhandeld met [naam medeverdachte 1] en

met [naam medeverdachte 2] voorhanden heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de

bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2.
Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De verdachte heeft zich gedurende een periode van circa zes maanden in georganiseerd verband bezig gehouden met het voor handen hebben van onveraccijnsde sigaretten. Deze sigaretten, uit het buitenland Nederland binnen gesmokkeld, werden, in vaak grote hoeveelheden, opgeslagen, (opnieuw) verpakt, (door-)verkocht en daadwerkelijk geleverd. Uiteindelijk werden de betrokken sigaretten verkocht aan de consument in verschillende supermarkten. De rol van de verdachte was het afnemen en in zijn supermarkt verkopen van de sigaretten.

Door deze handel is de reguliere handel in sigaretten verstoord. Bonafide handelaren is hiermee oneerlijke concurrentie aangedaan door de verkoop van sigaretten ver beneden de reguliere prijs. Door het niet kunnen innen van de accijns is voorts de Nederlandse Staat een aanzienlijk bedrag misgelopen. Het met de accijnsheffing tevens beoogde doel, het terugdringen van roken vanwege de enorme gezondheidsrisico’s, is hiermee ondermijnd.

De verdachte heeft zich aan deze nadelige effecten kennelijk niets gelegen laten liggen en alleen zijn eigen winstbejag voor ogen gehad. Dat rekent de rechtbank hem aan en daarop kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Hoewel de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie heeft gevorderd, vindt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten en het aandeel daarin van de verdachte, mede in vergelijking met de andere verdachten in deze zaak. Bij de verdachte is weliswaar een beperkte hoeveelheid sigaretten aangetroffen, maar de verdachte heeft wel een intensief en sturend aandeel gehad in het verhandelen van sigaretten met verschillende deelnemers in een georganiseerd verband.

Verder ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, gelet op het (vrijwel) blanco strafblad van de verdachte, wel aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met. Gelet op het tijdverloop zal de proeftijd daarbij worden gesteld op 1 jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank stelt voorts nog vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte en dient gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. Gelet hierop zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf met 1 maand verminderen.

8. In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten sigaretten, onttrokken zullen worden aan het verkeer. De sigaretten worden onttrokken aan het verkeer, nu de bewezen feiten daarmee zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De raadsman heeft verzocht om teruggave aan de verdachte van zijn auto, merk Audi, kenteken [kentekennummer] , nu gronden voor verdere voortzetting van het conservatoir beslag ontbreken. Uit het dossier (AMB-073-2) volgt dat het conservatoir beslag onder een derde, te weten de rechtspersoon [naam rechtspersoon] , is gelegd. Nu sprake is van beslag onder een derde, is een andere rechtsgang ter verkrijging van de verzochte beoordeling en beslissing aangewezen, waarbij ook de derde-beslagene gehoord zal kunnen worden. Gelet hierop zal de rechtbank niet op het verzoek beslissen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van elf (11) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier (4) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op één (1) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer: sigaretten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen en mr. V.E. Scholtens, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 oktober 2017 tot en met 5 april 2018 te

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van

meerdere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten hij, verdachte

en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 2]

en/of [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 6] en/of [naam medeverdachte 7] en/of [naam medeverdachte 8]

en/of [naam medeverdachte 4] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken

(artikel 5 lid 1 onder b juncto 97 Wet op de Accijns); en/of

- het invoeren en/of doorvoeren en/of uitvoeren en/of verkopen en/of te koop

aanbieden en/of afleveren en/of uitdelen en/of in voorraad hebben van

vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde waren (te weten sigaretten)

(artikel 337 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 5 april 2018 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een)

accijnsgoed(eren), te weten (circa) 18.200 stuks sigaretten (AMB-076)en/of

meerdere (grote) partijen sigaretten (verhandeld met [naam medeverdachte 1] (AMB-102) en/of

met [naam medeverdachte 2] (7-OPV, p. 16 e.v.; Dossier blz 565 e.v.) en/of met [naam medeverdachte 3] (7-OPV,

p. 24 e.v.; Dossier blz 573 e.v.) en/of [naam medeverdachte 9] (7-OPV, p. 30 e.v.; Dossier blz

579 e.v.)), in elk geval (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten

voorhanden heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de

bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 5 april 2018 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk

-valse, vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of

-waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, en/of

-waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een

bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien,

en/of

-waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of

een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe

afwijking, is nagebootst, en/of

-waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als

een tekening of model waarop een ander recht had, dan wel daarmede slechts

ondergeschikte verschillen vertonen,

te weten een of meer sigaret(ten) en/of een of meer sigarettenpakje(s)

(telkens) voorzien van de merknaam/merknamen Marlboro en/of LM en/of Pall Mall,

althans één of meer sigaret(ten) en/of éen of meer sigarettenpakje(s)

(telkens) heeft ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verkocht

en/of te koop heeft aangeboden en/of afgeleverd en/of uitgedeeld en/of in

voorraad heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt

en/of het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent.