Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7016

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
10/993051-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Watercypres (totaal 12 verdachten). Veroordeling voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. OVAR van witwasfeit in verband met verkregen uit eigen misdrijf. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
DouaneUpdate 2020-0362 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/993051-18

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak (art. 279 Sv)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen in Nederland,

wonende op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ( [land verdachte] ),

gemachtigd raadsman mr. W.S. Korteling, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24, 25, 26 en 29 juni 2020 en 27 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete ter hoogte van

€ 4.750,-.

4. Beoordeling

4.1.

Inleiding


Verdachte is naar voren gekomen in een opsporingsonderzoek van de FIOD onder de naam Watercypres, naar een crimineel samenwerkingsverband dat zich bezig zou houden met de productie, handel en doorvoer van illegale sigaretten. Afgeluisterde telefoongesprekken en observaties hebben geleid tot de onderschepping van een partij sigaretten die, zonder afdracht van Nederlandse accijns, vanuit het buitenland in een vrachtwagen naar Nederland is gebracht. Verdachte is als bestuurder van de betrokken vrachtwagen op 19 februari 2018 aangehouden.

4.2.

Voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten (feit 1)

De officier van justitie heeft het handelen in onveraccijnsde sigaretten ten laste gelegd als overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns, te weten het voor handen hebben van dergelijke sigaretten.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde sigaretten gehad. Zelfs al zou de verdachte pas bij het uitladen van de door hem bestuurde vrachtwagen hebben gemerkt dat de lading onveraccijnsde sigaretten betrof, heeft hij in elk geval vanaf dat moment niet zijn uitvoeringshandelingen gestaakt, maar is hij verder gegaan met het uitladen van de sigaretten. Het onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak, nu de verdachte geen opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. De verdachte had geen wetenschap van de aanwezigheid van de sigaretten, laat staan dat deze onveraccijnsd waren. Het was een vroege ochtend in februari, zodat tijdens het uitladen van de sigaretten voor de verdachte niet zichtbaar is geweest dat de accijnszegels ontbraken. Van voorwaardelijk opzet is evenmin sprake.

Beoordeling

Voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten is vereist dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende onveraccijnsde sigaretten. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder andere Hof Den Bosch 18 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1054) is hiervan sprake als de persoon de hoedanigheid van de goederen kent, daartoe daadwerkelijk toegang heeft en tevens weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing zijn betrokken.

De verdachte heeft vanuit het buitenland onveraccijnsde sigaretten vervoerd en deze nadien omgepakt en uitgeladen en had daarmee daadwerkelijk toegang tot die sigaretten. Het transport vond plaats onder verdachte omstandigheden, waaronder het op basis van coördinaten naar een ontmoetingsplek in het buitenland rijden, het vervolgens op een parkeerplaats de lading af leveren aan een voor de verdachte onbekende persoon, zonder daarbij over vrachtbrieven of andere officiële documenten te beschikken en daarvoor vervolgens een aanzienlijk geldbedrag in contanten in ontvangst nemen. Naar het oordeel van de rechtbank waren deze omstandigheden zodanig dat de verdachte, door toch hieraan mee te werken, de aanmerkelijke kans op het vervoeren, en daarmee voorhanden hebben, van illegale waar - waaronder ook onveraccijnsde sigaretten moeten worden verstaan – bewust heeft aanvaard. Bij de verdachte was aldus sprake van voorwaardelijk opzet. Daar komt bij dat de verdachte in elk geval tijdens het ompakken en uitladen wist dat het onveraccijnsde sigaretten betrof. Het onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.3

Witwassen (feit 2)

Standpunt van de officier van justitie

Het geldbedrag van € 17.281,- dat op 19 februari 2018 in een verborgen ruimte in de door de verdachte bestuurde vrachtwagen is aangetroffen is van misdrijf afkomstig. Uit de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte] blijkt dat hij op 19 februari 2018 ter betaling van een partij onveraccijnsde sigaretten bedoeld geldbedrag aan de verdachte heeft overhandigd. Vervolgens heeft [naam medeverdachte] de verdachte opdracht gegeven het geldbedrag te verstoppen en niet kwijt te raken. Gelet hierop hebben de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] opzet gehad op het onttrekken van het geld aan het zicht van de autoriteiten.

Standpunt van de verdachte


De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging. Vast staat dat de verdachte het geld onmiddellijk uit eigen misdrijf heeft verkregen. Nu de verdachte geen verhullingshandelingen in de zin van artikel 420bis Sr heeft verricht, het enkele verstoppen of verbergen van het geldbedrag is daartoe onvoldoende, dient vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde te volgen. De verdachte heeft het geldbedrag slechts voorhanden gehad. Gelet hierop kan weliswaar tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde worden gekomen, maar bij gebreke aan enige verhullingshandeling kan dit niet als witwassen als bedoeld in artikel 420bis Sr worden gekwalificeerd.

De beoordeling


Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder de verdachte aangetroffen contant geldbedrag uit een (kort) daarvoor door de verdachte zelf gepleegde misdrijf, te weten het voorhanden hebben van een partij sigaretten die niet in de accijns was betrokken, is verkregen. Met andere woorden betreft het geldbedrag een onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen voorwerp.

Gebleken is dat de verdachte dit bedrag voorhanden heeft gehad en in een plastic tas in een ruimte in het dashboard van de vrachtwagen heeft verstopt. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit handelen van de verdachte niet kan worden aangemerkt als zijnde gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Dit leidt tot vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde. Volgens vaste jurisprudentie over de kwalificeerbaarheid van witwassen kan, nu het handelen van de verdachte als hiervoor omschreven niet heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld, de gedraging van de verdachte niet als witwassen als bedoeld in artikel 420bis Sr worden gekwalificeerd. De omstandigheid dat het geldbedrag de verdachte niet in vermogensrechtelijke zin toebehoort, maakt dit niet anders. Het gaat er immers om dat hij het geldbedrag (slechts) voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal dan ook van het onder 2 onderdeel a ten laste gelegde worden vrijgesproken en voor het onder 2 onderdeel b bewezen feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.4

Bewezenverklaring


In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 19 februari 2018 te Boskoop,

tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk accijnsgoederen, te weten in

totaal (circa) 155.400 stuks sigaretten voorhanden heeft gehad, terwijl

(telkens) die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de

accijns in de heffing waren betrokken;

2.

hij op 19 februari 2018 te Boskoop en Enspijk, een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van totaal 17.281 euro , heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad , terwijl hij wist dat bovenomschreven

geldbedrag - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

Het onder 1 bewezen feit levert op:

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het onder 1 bewezen feit is dus strafbaar.

Onder verwijzing naar de hiervoor onder 4.3 vermelde beoordeling van het ten laste gelegde

witwassen, is het onder feit 2 bewezenverklaarde niet strafbaar, omdat het niet binnen de

delictsomschrijving van artikel 420bis Sr valt.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Verdachte is naar voren gekomen in een onderzoek naar grootscheepse handel in niet-veraccijnsde sigaretten in georganiseerd verband. Deze sigaretten, uit het buitenland Nederland binnnen gesmokkeld, werden in vaak grote hoeveelheden opgeslagen, (opnieuw) verpakt, (door-)verkocht en daadwerkelijk geleverd. Uiteindelijk werden de betrokken sigaretten verkocht aan de consument in veelal Poolse supermarkten. De rol van de verdachte was die van chauffeur van de vrachtwagen met een lading buitenlandse sigaretten. In Nederland aangekomen heeft de verdachte samen met een medeverdachte de lading onveraccijnsde sigaretten omgepakt en uitgeladen.

Door deze handel is de reguliere handel in sigaretten verstoord. Bonafide handelaren is hiermee oneerlijke concurrentie aangedaan door de verkoop van sigaretten ver beneden de reguliere prijs. Door het niet kunnen innen van de accijns is voorts de Nederlandse Staat een aanzienlijk bedrag misgelopen. Het met de accijnsheffing tevens beoogde doel, het terugdringen van roken vanwege de enorme gezondheidsrisico’s, is hiermee ondermijnd.

Naast de ernst van het feit, neemt de rechtbank bij de bepaling van de op te leggen straf in aanmerking dat het bewezen aandeel van verdachte is beperkt tot een eenmalig vervoer van onveraccijnsde sigaretten vanuit Polen naar Nederland en het ompakken en uitladen daarvan. Het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en de namens hem ter zitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden, geven de rechtbank aanleiding om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van na te noemen duur, in combinatie met een onvoorwaardelijke geldboete, te voldoen in maandelijkse termijnen. Het voorwaardelijk strafdeel dient ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte en dient gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte een bedrag van € 100,- in mindering brengen op de op te leggen onvoorwaardelijke geldboete.

8. In beslag genomen voorwerpen

Het in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag van € 17.281,-, zal worden verbeurd verklaard. De verdachte kan het voorwerp geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden en het voorwerp is door middel van het strafbare feit verkregen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24a, 24c, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 onderdeel a ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en onder 2 onderdeel b ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het onder 2 onderdeel b bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het onder 1 bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 900,00 (negenhonderd euro);

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van € 50,- per dag, zodat na deze aftrek € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) te betalen geldboete resteert;

bepaalt dat de resterende geldboete in twee gedeelten van € 250,00 en één gedeelte van
€ 150,00 mag worden voldaan; de termijn voor de betaling van het tweede en derde gedeelte wordt gesteld op een maand;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de geldboete niet of niet tijdig betaalt, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 13 dagen;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op één (1) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beslist ten aanzien van het voorwerp, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd een geldbedrag van € 17.281,-,

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen en mr. V.E. Scholtens, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Boskoop, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten in

totaal (circa) 155.400 stuks sigaretten (AMB-024A; DOC-012), althans een

(grote) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten, voorhanden heeft gehad, terwijl

(telkens) die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de

Accijns in de heffing waren betrokken;

2.

hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Boskoop en/of Enspijk , althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

a) van een of meer voorwerpen, te weten (een) contant geldbedrag(en) van

totaal 17.281 euro (AMB-024), althans (telkens) een of meer (groot/grote)

geldbedrag(en) en/of een of meer goederen, althans een of meer voorwerpen, de

werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing

heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of

verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)

vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

en/of

b) (telkens) een of meer voorwerpen, te weten (een) contant geldbedrag(en)

van totaal 17.281 euro (AMB-024), althans een (grote) geldbedrag(en) en/of een

of meer goederen, althans een of meer voorwerpen, heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans

van een of meerdere voorwerp(en), te weten vorengenoemd(e) goed(eren) en/of

geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven

goed(eren) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven.