Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7014

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
10/996531-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Watercypres (totaal 12 verdachten). Accijnsfraude gepleegd in georganiseerd verband. Bewijs daarvoor volgt uit taps, observaties, verklaringen en aantreffen van deelpartijen sigaretten. Vrijspraak van merkvervalsing. Veroordeling voor witwassen. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996531-18

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentaire Inrichting Kongsvinger Fengsel te Oslo (Noorwegen),

raadsman mr. C.L. van Oostveen, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24, 25, 26 en 29 juni 2020 en 27 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 190 uren, subsidiair 95 dagen vervangende hechtenis, met aftrek.

4. Beoordeling

4.1.

Inleiding

Van het landelijk werkend projectteam “Smoke screen project” van de FIOD dat onderzoek doet naar criminele samenwerkingsverbanden die zich bezig houden met de productie, handel en doorvoer van illegale sigaretten, ontving de FIOD Den Haag in 2016 TCI informatie over vermoedelijke accijnsfraude via onder meer de supermarkt [naam supermarkt] in Den Haag. Uit het opsporingsonderzoek dat hierna door de FIOD onder de naam Watercypres is uitgevoerd - afgeluisterde telefoongesprekken, observaties, inbeslagnames, verklaringen - komt het volgende beeld naar voren. Grote partijen sigaretten - origineel, of soms nagemaakt - worden zonder afdracht van Nederlandse accijns vanuit het buitenland (vermoedelijk Polen en/of Oekraïne) in vrachtwagens naar Nederland gesmokkeld. Eenmaal in Nederland worden de sigaretten soms opgeslagen in loodsen en soms direct doorverkocht aan verschillende supermarkten, van waaruit ook onderling transacties plaatsvinden. De betrokken verdachten werken samen volgens een vast handelspatroon, waarbij zij in wisselende combinaties over en weer sigaretten (door)verkopen en elkaar ook op de hoogte brengen van controles door de douane. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt van bij deze transacties berekende prijzen (€ 15,- tot € 30,- per slof sigaretten) die ver beneden de reguliere prijs liggen van een slof sigaretten waarover de accijns is betaald (€ 60,- tot € 70,- per slof). Van de sigaretten die op basis van deze gesprekken en observaties door de FIOD tijdens het onderzoek in beslag werden genomen, is ook steeds gebleken dat daaraan daadwerkelijk het Nederlands accijnszegel ontbrak. Geen van de verdachten had een vergunning in de zin van de Wet op de accijns om sigaretten op te slaan of voorhanden te hebben, al dan niet onder schorsing van accijns.

Hierna zal de rechtbank aangeven welk ten laste gelegd aandeel daarin ten aanzien van de verdachte bewezen kan worden geacht.

4.2.

Voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten (feit 2)

De officier van justitie heeft het handelen in onveraccijnsde sigaretten ten laste gelegd als overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns, te weten het voor handen hebben van dergelijke sigaretten.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde sigaretten gehad. Hij heeft bekend dat hij de sigaretten, die niet van een Nederlands accijnszegel waren voorzien, heeft uitgeladen en naar zijn woning heeft vervoerd. Het onder 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft verklaard dat hij zeven in zijn woning inbeslaggenomen sloffen sigaretten voor eigen gebruik bij een tankstation in Polen heeft gekocht. Met uitzondering van de zeven sloffen sigaretten, die niet in de accijns betrokken hadden hoeven worden, refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.


Beoordeling

Voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten is vereist dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende onveraccijnsde sigaretten. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder anderen hof Den Bosch 18 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1054) is hiervan sprake als de persoon de hoedanigheid van de goederen kent, deze daadwerkelijk toegang heeft tot die goederen en deze persoon tevens weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing zijn betrokken.

De verdachte heeft de sigaretten met een vrachtwagen uit Polen naar Nederland laten brengen, de sigaretten zijn vervolgens omgepakt en uitgeladen en vervolgens naar zijn woning vervoerd. De verdachte had daarmee daadwerkelijk toegang tot die goederen. De verdachte heeft verklaard dat hij weet dat sigaretten van een Nederlands accijnszegel voorzien moeten zijn en dat het hier sigaretten zonder Nederlands accijnszegel betrof. Het onder 2 ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Merkvervalsing (feit 3)

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat monsters van de onder verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen sigaretten door de merkhouder van de desbetreffende sigarettenmerken zijn onderzocht. Uit de schriftelijke verklaringen van die merkhouders volgt dat sigaretten nagemaakt en daarmee vals zijn. Dat volgt tevens uit de afgeluisterde gesprekken waarin over illegale sigaretten wordt gesproken en uit de omstandigheid dat geen van de inbeslaggenomen producten in de originele verpakking zat. Door onder zodanig verdachte omstandigheden te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het voorhanden hebben van illegale sigaretten en daarmee ook merkvervalste sigaretten aanvaard.

Standpunt verdediging

Wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde ontbreekt. Op grond van het proces-verbaal kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de sigarettenpakjes die zijn onderzocht en waarvan is vastgesteld dat deze merkvervalst zijn, daadwerkelijk onder de verdachte zijn inbeslaggenomen. De omstandigheid dat de sigaretten niet in originele dozen verpakt waren maakt nog niet dat de sigaretten vals zijn, noch dat de verdachte dit moet hebben geweten. Subsidiair dient de ten laste gelegde periode te worden ingekort.

De beoordeling


De vaststelling dat een deel van de mede onder de verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen sigaretten merkvervalst is, volgt alleen uit een door de betrokken merkhouders opgestelde verklaring. Het door de officier van justitie aangevoerde ‘steunbewijs’ daarvoor vindt de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Dat in de contacten tussen verdachten wordt gesproken over illegale sigaretten hoeft niet op merkvervalst te duiden maar kan ook alleen zien op het onveraccijnsd zijn. Dat pakjes sigaretten in andere dozen of verpakkingen zitten dan origineel van de fabrikant maakt die pakjes nog niet merkvervalst. Ook kan op grond van het dossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld welke van de inbeslaggenomen sigaretten dan precies vals of vervalst zouden zijn. Van het onder 3 ten laste gelegde wordt de verdachte vrijgesproken.

4.4.

Criminele organisatie (feit 1)

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één ander persoon die als oogmerk het plegen van misdrijven heeft. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat de deelnemer aan een dergelijke organisatie heeft samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Het is evenmin vereist dat de deelnemer precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht. De deelnemer dient in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

In de tenlastelegging zijn als misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht opgenomen het voorhanden hebben van accijnsgoederen (sigaretten) die niet volgens de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken (verder de accijnsfeiten) en het – kort gezegd – handelen in merkvervalste sigaretten. Op eerder uiteengezette gronden vindt de rechtbank ook voor het oogmerk van het handelen in merkvervalste sigaretten het bewijs ontoereikend.

De vraag die dan voor ligt is of de accijnsfeiten in een georganiseerd verband, in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zijn gepleegd. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

In de in het onderzoek afgeluisterde telefoongesprekken wordt tussen de deelnemers daaraan telkens gesproken over sigaretten, merken, prijzen (ver beneden de reguliere marktprijs) hoeveelheden, wel of niet aanwezige ‘stickers’. Er worden telkens afspraken gemaakt over wat er geleverd kan worden en hoeveel er afgenomen wordt en er worden afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten.

Bij de observaties naar aanleiding van deze gesprekken zijn verscheidene verdachten in wisselende samenstellingen gezien, bij verschillende opslagplaatsen, is gezien dat dozen werden overgedragen van uit busjes naar andere busjes en bij de verschillende aanhoudingen zijn vervolgens grote partijen onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Op de aanhouding van een aantal verdachten uit het onderzoek, bij een loods in Noordwijkerhout op 20 februari 2018, waar zij samen aanwezig waren, zijn telefoongesprekken gevolgd van andere verdachten over deze inval en aanhoudingen, met waarschuwingen daar niet meer heen te gaan.

Voorts is uit de afgeluisterde gesprekken en observaties, in samenhang met overige onderzoeksresultaten – verklaringen, doorzoekingen, onderzoek aan de inbeslaggenomen sigaretten – gebleken dat het veelal ging om sigaretten die door deelnemers aan de organisatie (al dan niet met andere onbekend gebleven personen) vanuit het buitenland werden aangevoerd, in Nederland door deelnemers naar opslagplaatsen werden geleid en daar door deelnemers werden omgepakt en door deelnemers werden geleverd aan andere deelnemers om te worden verkocht, veelal aan Poolse supermarkten. Er is dus sprake geweest van een zekere rolverdeling – al dan niet wisselend per deelnemer –van importeur, leverancier, afnemer, regelaar van faciliteiten (opslagplaatsen, vervoermiddelen).

De rechtbank is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en de verdachte heeft daar in de ten laste gelegde periode ook aan deelgenomen.

Anders dan de verdediging heeft gesteld is het aandeel van de verdachte daarbij niet beperkt gebleven tot een eenmalige samenwerking met het oog op één transport. Uit taps en uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] gedurende langere tijd contact heeft gehad over de levering van sigaretten en dat hij deze medeverdachte ook voorafgaand aan bedoeld transport sigaretten heeft geleverd. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat het in zijn kluis aangetroffen geldbedrag eveneens aan [naam medeverdachte 1] toebehoorde, wat eveneens duidt op meer handelsactiviteiten tussen deze verdachten. Er is sprake van een duurzaam en gestructureerd op het handelen in onveraccijnsde sigaretten gericht samenwerkingsverband waaraan de verdachte, met het invoeren en verhandelen van uit het buitenland afkomstige sigaretten, een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.5.

Witwassen (feit 4)

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een bewijsvermoeden van witwassen van het in de kluis in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 17.660,-. Dat is gelegen in de aanwezigheid van een grote hoeveelheid contant geld onder meer in coupures van € 500, € 200 en € 100 en de betrokkenheid van de verdachte bij handel in onveraccijnsde sigaretten. De verdachte heeft geen concrete en verifieerbare verklaring voor de herkomst van het geld gegeven. Witwassen kan daarmee wettig en overtuigend worden bewezen.

Het geldbedrag van € 17.281,- dat op 19 februari 2018 in een verborgen ruimte in de door de medeverdachte [naam medeverdachte 2] bestuurde vrachtwagen is aangetroffen is van misdrijf afkomstig, want is betaald voor een partij onveraccijnsde sigaretten. De verdachte heeft medeverdachte [naam medeverdachte 2] opdracht gegeven om het geldbedrag te verstoppen en daarmee hebben de verdachte en de medeverdachte opzet gehad op het onttrekken van het geld aan het zicht van de autoriteiten.

Standpunt van de verdachte

De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat het betrokken geldbedrag, dat hij van medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft ontvangen, uit de omzet van diens supermarkt afkomstig was. De verdachte wist niet - en heeft ook niet redelijkerwijs hoeven vermoeden - dat het geld van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft daarmee een concrete en verifieerbare legale herkomst aangegeven die onderzocht had kunnen en moeten worden. Van enige verhullingshandeling gepleegd door de verdachte is verder geen sprake. Dit moet leiden tot vrijspraak.

De beoordeling

De rechtbank acht witwassen, in de zin van voor handen hebben, van het volledige bedrag, het bedrag bij verdachte zelf aangetroffen en het bij de medeverdachte [naam medeverdachte 2] in de vrachtwagen aangetroffen bedrag, bewezen. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij dit volledige bedrag van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft ontvangen. Dat sprake is van witwassen onderbouwt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie kan witwassen – van in dit geval een geldbedrag – bewezen worden geacht, indien het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zodanige feiten en omstandigheden aan te dragen dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die zich voordoen mag van de verdachte worden verlangd dat hij concrete en verifieerbare aanknopingspunten geeft voor een legale herkomst van het betrokken bedrag aandraagt.

Gebleken is dat de verdachte een bedrag van ruim € 35.000,- in contanten voorhanden had, deels bestaande uit in het reguliere betalingsverkeer ongebruikelijke coupures (te weten biljetten van € 500, € 200 en € 100). De ervaring leert dat deze coupures voornamelijk in het criminele circuit worden gebruikt. Het zonder beveiliging vervoeren en bewaren van grote hoeveelheden contant geld is verder ongebruikelijk, gezien de veiligheidsrisico’s die kleven aan deze wijze van vervoeren en bewaren. Voorts is het geldbedrag afkomstig van [naam medeverdachte 1] , een medeverdachte in dit onderzoek naar handel in onveraccijnsde sigaretten. Deze feiten en omstandigheden, in samenhang bekeken, maken aannemelijk dat het geld uit misdrijf afkomstig is.

De verdachte heeft geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven voor een legale herkomst van dit geldbedrag. De verklaring dat het geld van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] afkomstig was kan als zodanig niet gelden en draagt, integendeel, juist bij aan het vermoeden van witwassen, nu daarmee aannemelijk wordt dat het geld afkomstig is uit de handel in onveraccijnsde sigaretten. De feiten en omstandigheden die tot het bewijs bijdragen waren alle kenbaar voor de verdachte, zodat zijn verweer dat hij niet hoefde te vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was, door de rechtbank wordt verworpen.

Het onder 4 ten laste gelegde schuld witwassen is wettig en overtuigend bewezen.

4.6.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 19 februari 2018

in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van meerdere natuurlijke personen, te weten hij, verdachte, en

en [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5]

en [naam medeverdachte 6] en een of meer andere personen en

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken;

2.

hij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 19 februari 2018

te Boskoop, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk

accijnsgoederen, te weten circa 174.700 stuks sigaretten, voorhanden heeft gehad,

terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de

Accijns in de heffing waren betrokken;

4.

hij op 19 februari 2018 te Boskoop,

b) voorwerpen, te weten contante geldbedragen

van totaal 17.660 euro en 17.281 euro voorhanden heeft gehad terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2.
Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

3.

Witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Verdachte heeft zich gedurende een zekere periode in georganiseerd verband bezig gehouden met het voor handen hebben van onveraccijnsde sigaretten. Deze sigaretten, uit het buitenland Nederland binnen gesmokkeld, werden, in vaak grote hoeveelheden, opgeslagen, (opnieuw) verpakt, (door-)verkocht en daadwerkelijk geleverd. Uiteindelijk werden de betrokken sigaretten verkocht aan de consument in verschillende supermarkten.

Door deze handel is de reguliere handel in sigaretten verstoord. Bonafide handelaren is hiermee oneerlijke concurrentie aangedaan door de verkoop van sigaretten ver beneden de reguliere prijs. Door het niet kunnen innen van de accijns is voorts de Nederlandse Staat een aanzienlijk bedrag misgelopen. Het met de accijnsheffing tevens beoogde doel, het terugdringen van roken vanwege de enorme gezondheidsrisico’s, is hiermee ondermijnd.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Met zijn handelwijze heeft de verdachte eraan bijgedragen dat zwart geld in het legaal economisch verkeer zou kunnen vloeien. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel in georganiseerd verband, is de duur van de bewezen bijdrage van de verdachte aan de georganiseerde handel relatief beperkt. Dat neemt niet weg dat de verdachte de import van een grote partij onveraccijnsde sigaretten heeft georganiseerd, de oorsprong en basis voor de verdere Nederlandse illegale handel. Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank een werkstraf, mede gelet op de straffen die de rechtbank aan medeverdachten oplegt, dan ook niet passend.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte financieel wordt getroffen door de naheffingsaanslag van de fiscus. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en ziet zij aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Gezien het tijdverloop zal daarbij de proeftijd worden gesteld op één jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten.


De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte en dient gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. Gelet hierop zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf met 1 maand verminderen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten sigaretten, documenten en een mes, onttrokken dienen te worden aan het verkeer. De verdediging heeft zich gerefereerd. De rechtbank zal overeenkomstig de vordering van de officier van justitie beslissen, nu de bewezen feiten met betrekking tot en met behulp van voornoemde voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie (3) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op één (1) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer: sigaretten, documenten en mes.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen en mr. V.E. Scholtens, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 19 februari 2018

te Boskoop, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van meerdere

natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten hij, verdachte, en/of

[naam medeverdachte 7] en/of [naam medeverdachte 8] en/of [naam medeverdachte 9]

en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 4] en/of [naam medeverdachte 5]

en/of [naam medeverdachte 6] en/of een of meer andere perso(o)n(en) en

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken

(artikel 5 lid 1 onder b juncto 97 Wet op de Accijns); en/of

- het invoeren en/of doorvoeren en/of uitvoeren en/of verkopen en/of te koop

aanbieden en/of afleveren en/of uitdelen en/of in voorraad hebben van

vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde waren (te weten sigaretten)

(artikel 337 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 19 februari 2018

te Boskoop, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk

accijnsgoederen, te weten (circa) 174.700 stuks sigaretten (AMB-023 aanv),

althans een (grote) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten, voorhanden heeft gehad,

terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de

Accijns in de heffing waren betrokken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 19 februari 2018

te Boskoop, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk

-valse, vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of

-waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, en/of

-waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een

bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien,

en/of

-waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of

een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe

afwijking, is nagebootst, en/of

-waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als

een tekening of model waarop een ander recht had, dan wel daarmede slechts

ondergeschikte verschillen vertonen,

te weten één of meer sigarett(ten) en/of één of meer sigarettenpakje(s)

(telkens) voorzien van de merknaam/merknamen Marlboro en/of Pall Mall en/of LM,

althans één of meer sigaret(ten) en/of éen of meer sigarettenpakje(s)

(telkens) heeft ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verkocht

en/of te koop heeft aangeboden en/of afgeleverd en/of uitgedeeld en/of in

voorraad heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt

en/of het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent;

4.

hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Boskoop, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

a. a) van een of meer voorwerpen, te weten (een) contant geldbedrag(en) van

totaal 17.660 euro (AMB-023B) en/of 17.281 euro (AMB-024), althans (telkens)

een of meer (groot/grote) geldbedrag(en) en/of een of meer goederen, althans

een of meer voorwerpen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de

vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen

was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen

voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf,

en/of

b) (telkens) een of meer voorwerpen, te weten (een) contant geldbedrag(en)

van totaal 17.660 euro (AMB-023B) en/of 17.281 euro (AMB-024), althans een

(grote) geldbedrag(en) en/of een of meer goederen, althans een of meer

voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een of meerdere voorwerp(en), te

weten vorengenoemd(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)

vermoeden, dat bovenomschreven goed(eren) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven.