Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7013

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
10/996758-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Watercypres (totaal 12 verdachten). Accijnsfraude gepleegd in georganiseerd verband. Bewijs daarvoor volgt uit taps, observaties, verklaringen en aantreffen van deelpartijen sigaretten. Vrijspraak van merkvervalsing. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996758-17

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24, 25, 26 en 29 juni 2020 en 27 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Van het landelijk werkend projectteam “Smoke screen project” van de FIOD dat onderzoek doet naar criminele samenwerkingsverbanden die zich bezig houden met de productie, handel en doorvoer van illegale sigaretten, ontving de FIOD Den Haag in 2016 TCI informatie over vermoedelijke accijnsfraude via onder meer de supermarkt [naam supermarkt] in Den Haag. Uit het opsporingsonderzoek dat hierna door de FIOD onder de naam Watercypres is uitgevoerd - afgeluisterde telefoongesprekken, observaties, inbeslagnames, verklaringen - komt het volgende beeld naar voren. Grote partijen sigaretten - origineel, of soms nagemaakt - worden zonder afdracht van Nederlandse accijns vanuit het buitenland (vermoedelijk Polen en/of Oekraïne) in vrachtwagens naar Nederland gesmokkeld. Eenmaal in Nederland worden de sigaretten soms opgeslagen in loodsen en soms direct doorverkocht aan verschillende supermarkten, van waaruit ook onderling transacties plaatsvinden. De betrokken verdachten werken samen volgens een vast handelspatroon, waarbij zij in wisselende combinaties over en weer sigaretten (door)verkopen en elkaar ook op de hoogte brengen van controles door de douane. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt van bij deze transacties berekende prijzen (€ 15,- tot € 30,- per slof sigaretten) die ver beneden de reguliere prijs liggen van een slof sigaretten waarover de accijns is betaald (€ 60,- tot € 70,- per slof). Van de sigaretten die op basis van deze gesprekken en observaties door de FIOD tijdens het onderzoek in beslag werden genomen, is ook steeds gebleken dat daaraan daadwerkelijk het Nederlands accijnszegel ontbrak. Geen van de verdachten had een vergunning in de zin van de Wet op de accijns om sigaretten op te slaan of voorhanden te hebben, al dan niet onder schorsing van accijns.

Hierna zal de rechtbank aangeven welk ten laste gelegd aandeel daarin ten aanzien van de verdachte bewezen kan worden geacht.

4.2.

Voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten (feiten 2 en 3)

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten, zodat hij ook van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De verdenking is gebaseerd op tapgesprekken waarvan niet in alle gevallen met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte deze gesprekken heeft gevoerd en waarvan ook de inhoud voor discussie vatbaar is. De betreffende tapgesprekken zijn niet betrouwbaar, mede vanwege het feit dat de vertalingen daarvan niet door daartoe beëdigde tolken zijn opgesteld. Niet kan worden bewezen dat er deals over sigaretten met medeverdachten zijn gemaakt en dat de verkoop daarvan daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Subsidiair is betoogd dat partiële vrijspraak dient te volgen, omdat niet exact kan worden vastgesteld om welke hoeveelheid sigaretten het gaat.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat eveneens vrijspraak dient te volgen. De vermeende deal tussen de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] is niet doorgegaan en de verdachte heeft nooit de beschikkingsmacht gehad over de onder [naam medeverdachte 1] in beslag genomen sigaretten. Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte, zodat het bestanddeel medeplegen niet kan worden bewezen. Ook is van een begin van uitvoering bij de aan de verdachte subsidiair ten laste gelegde poging tot het voorhanden hebben van illegale sigaretten geen sprake.

Beoordeling

De officier van justitie heeft het handelen in onveraccijnsde sigaretten ten laste gelegd als overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns, te weten het voor handen hebben van dergelijke sigaretten.

Voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde voorhanden hebben, is vereist dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende onveraccijnsde sigaretten. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder andere Hof Den Bosch 18 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1054) is hiervan sprake als de persoon de hoedanigheid van de goederen kent, daartoe daadwerkelijk toegang heeft en tevens weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing zijn betrokken.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij meerdere grote hoeveelheden (onveraccijnsde) sigaretten voorhanden heeft gehad. In het dossier bevinden zich tapgesprekken waarin veelvuldig tussen de deelnemers wordt gesproken over handel in sigaretten. De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier af dat de verdachte één van deze gespreksdeelnemers is aan de door de rechtbank voor het bewijs gebruikte tapgesprekken. Dit is door de verdachte zelf ter terechtzitting bevestigd, in die zin dat hij heeft verklaard dat hij meerdere van de hem voorgehouden tapgesprekken met de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] heeft gevoerd en dat hierin werd gesproken over (mogelijkheden tot) handel in sigaretten.

De rechtbank acht de vertaalde tapgesprekken, voor zover relevant en voor het bewijs gebruikt, voldoende betrouwbaar. Uit het dossier blijkt dat de daarin opgenomen tapgesprekken zijn vertaald door twee tolken, beiden beëdigd in de Koerdische taal en een van hen ook beëdigd in de Arabische taal, waarbij deze tweede tolk voornamelijk de in het Arabisch gevoerde gesprekken heeft vertaald. Nu de inhoud van de bedoelde tapgesprekken consistent is en ook wordt gedragen door de verdere bevindingen in het dossier, ziet de rechtbank - anders dan de raadsman - geen aanleiding om de betrouwbaarheid ervan in twijfel te trekken.

Uit de verschillende tapgesprekken tussen de verdachte en onder andere de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] volgt dat de verdachte sigaretten tegen een niet reguliere marktprijs aanbiedt en afspraken maakt voor afname, levering en betaling daarvan. De verdachte bespreekt de prijzen en de hoeveelheden die moeten worden aangekocht en onderhandelt daarover. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte toegang heeft tot (grote partijen) sigaretten en deze ook daadwerkelijk heeft geleverd dan wel afgenomen. Hij kende de hoedanigheid van de verhandelde goederen en had wetenschap van het onveraccijnsd zijn. Daarmee had hij de feitelijke beschikkingsmacht en had hij die sigaretten dus in vereniging voorhanden in de zin van artikel 5 van de Wet op de accijns.

Ten aanzien van de ten laste gelegde hoeveelheden in verband met medeverdachte [naam medeverdachte 1]

De medeverdachte [naam medeverdachte 1] is op 17 januari 2018 met een bestelbus (sprinter) aangehouden op de Rijksweg A20. In de bestelbus zijn dozen met daarin 1.000.000 stuks onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Naar aanleiding hiervan is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Goudvis, waarbij ook de bevindingen uit het Watercypres-onderzoek zijn betrokken. Uit de tapgesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat de medeverdachte met de sigaretten onderweg was naar een afspraak met de verdachte tot aflevering van deze sigaretten. [naam medeverdachte 1] belt op het moment dat hij wordt aangehouden de verdachte om zijn aanhouding door te geven. Op basis van de telefonische overeenkomst tot levering en betaling van deze sigaretten en verdachtes actieve betrokkenheid bij de feitelijke overdracht ervan op de dag van de inbeslagname, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte 1.000.000 onveraccijnsde sigaretten tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte 1] voorhanden heeft gehad.

Een dag nadat deze partij is onderschept, heeft de verdachte een telefoongesprek waarin hij zegt dat ‘de handel geblokkeerd is’. Ook wordt in hetzelfde telefoongesprek gesproken over een hoeveelheid van 350 stuks die zijn verkocht, verdeeld over 100, 100, 100 en 50. Daarnaast wordt gezegd dat er spullen waren, ongeveer 500 stuks, dat de verdachte er 350 heeft genomen en dat daarna de eigenaar spoorloos is geraakt en het lijkt dat hij opgepakt is. De rechtbank maakt hieruit op dat dit gesprek de handel met medeverdachte [naam medeverdachte 1] betreft, aangezien hij een dag eerder met 1.000.000 stuks sigaretten is aangehouden. De rechtbank wijst in dit verband ook op het tapgesprek van 14 januari 2018 (T007-441) met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] waarin wordt gesproken over het leveren van 100 stuks en over de vraag hoeveel er in een auto of een grote sprinter passen. De medeverdachte [naam medeverdachte 1] zegt dan dat er in een Sprinter 120 kunnen. De rechtbank gaat, gezien de aanhouding van de verdachte [naam medeverdachte 1] met een sprinter met daarin 100 dozen gevuld met sigaretten, ervan uit dat de genoemde aantallen in de gesprekken dozen betreffen. Uit de tapgesprekken concludeert de rechtbank verder dat de verdachte dus niet alleen 1.000.000 stuks voorhanden heeft gehad, maar aan hem ook de ten laste gelegde 3.500.000 stuks sigaretten zijn geleverd, hij daarover aldus beschikkingsmacht had en dat hij deze dus voor handen heeft gehad .

4.3.

Criminele organisatie

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, onder meer omdat tussen de verschillende verdachten geen duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestaat. Er lijkt slechts sprake te zijn geweest van een gelegenheidssamenwerking. Hiermee wordt niet voldaan aan de criteria van een criminele organisatie, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één ander persoon die als oogmerk het plegen van misdrijven heeft. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat de deelnemer aan een dergelijke organisatie heeft samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Het is evenmin vereist dat de deelnemer precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht. De deelnemer dient in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

In de tenlastelegging zijn als misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht opgenomen het voorhanden hebben van accijnsgoederen (sigaretten) die niet volgens de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken (verder de accijnsfeiten) en het – kort gezegd – handelen in merkvervalste sigaretten. Voor een oogmerk om te handelen in merkvervalste sigaretten is het bewijs ontoereikend. De vraag die dan voor ligt is of de accijnsfeiten in een georganiseerd verband, in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zijn gepleegd. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

In het onderzoek zijn de telefoongesprekken van meerdere verdachten afgeluisterd. In de tapgesprekken wordt tussen de deelnemers daaraan telkens gesproken over sigaretten, merken, prijzen (ver beneden de reguliere marktprijs) hoeveelheden, wel of niet aanwezige ‘stickers’. Er worden telkens afspraken gemaakt over wat er geleverd kan worden en hoeveel er afgenomen wordt en er worden afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten.

Bij de observaties naar aanleiding van deze gesprekken zijn verscheidene verdachten in wisselende samenstellingen gezien, bij verschillende opslagplaatsen, is gezien dat dozen werden overgedragen vanuit busjes naar andere busjes en bij de verschillende aanhoudingen zijn vervolgens grote partijen onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Op de aanhouding van een aantal verdachten uit het onderzoek, bij een loods in Noordwijkerhout op 20 februari 2018, waar zij samen aanwezig waren, zijn telefoongesprekken gevolgd van andere verdachten over deze inval en aanhoudingen, met waarschuwingen daar niet meer heen te gaan.

Voorts is uit de afgeluisterde gesprekken en observaties, in samenhang met overige onderzoeksresultaten - verklaringen, doorzoekingen en onderzoek aan de inbeslaggenomen sigaretten - gebleken dat het veelal ging om sigaretten die door deelnemers aan de organisatie (al dan niet met andere onbekend gebleven personen) uit het buitenland werden aangevoerd, in Nederland door deelnemers naar opslagplaatsen werden geleid en daar door deelnemers werden omgepakt en door deelnemers werden geleverd aan andere deelnemers om te worden verkocht, veelal aan Poolse supermarkten. Er is dus sprake geweest van een zekere rolverdeling - al dan niet wisselend per deelnemer - van importeur, leverancier, afnemer, regelaar van faciliteiten (opslagplaatsen, vervoermiddelen).

De rechtbank is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en de verdachte heeft daar in de ten laste gelegde periode ook aan deelgenomen.

Anders dan de verdediging stelt, is gezien de inhoud van het dossier niet enkel sprake van gelegenheidssamenwerking. De gesprekken tussen de deelnemers vinden over een langere periode plaats, waarbij uitvoerig wordt gesproken over handel in sigaretten. De verdachte biedt in deze gesprekken de sigaretten aan, onderhandelt over de prijs daarvan in vergelijking met eerdere transacties en andere leveranciers, en maakt concrete afspraken over de levering daarvan. Hij is wisselend leverancier en afnemer van onveraccijnsde sigaretten.

De rechtbank merkt de rol van de verdachte binnen de organisatie juist aan als een belangrijke en bij gelegenheid leidende. Zo blijkt uit het tapgesprek van 29 december 2017 dat medeverdachte [naam medeverdachte 2] de verdachte belt terwijl hij op dat moment op vakantie is in Turkije. Als de medeverdachte [naam medeverdachte 2] vraagt naar sigaretten zegt de verdachte: ‘Ik zal bellen met mijn mensen ze zullen het bezorgen, goed?’. Hieruit volgt dat de verdachte niet alleen sigaretten aanbiedt, maar kennelijk op afstand ook anderen kan aansturen bij de levering daarvan. Dit gaat verder dan het enkel reclame maken voor sigaretten, zoals de verdachte ter terechtzitting zijn eigen rol heeft geduid. Door zijn handelen heeft de verdachte in georganiseerd verband een substantiële bijdrage geleverd aan de handel in onveraccijnsde sigaretten. Het verweer wordt verworpen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 2 februari 2018 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van meerdere natuurlijke personen, te weten hij, verdachte en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 8] en [naam medeverdachte 9] en [naam medeverdachte 10] en een of meer andere

personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken

2.

hij op meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 3 november 2017 tot en met 16 januari 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk accijnsgoederen, te weten:

- grote hoeveelheden sigaretten verhandeld met medeverdachte [naam medeverdachte 2] ; en

- circa 3.500.000 stuks sigarettenverhandeld met medeverdachte [naam medeverdachte 1] voorhanden heeft gehad, terwijl telkens die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

3.

hij op 17 januari 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk accijnsgoederen, te weten circa 1.000.000 stuks sigaretten voorhanden heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

De bewezen feiten leveren op:

1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

2. Medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd;

3. primair,

medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De verdachte heeft zich gedurende een periode van circa 4 maanden in georganiseerd verband bezig gehouden met het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. Deze sigaretten, uit het buitenland Nederland binnen gesmokkeld, werden in vaak grote hoeveelheden opgeslagen, (opnieuw) verpakt, (door-)verkocht en daadwerkelijk geleverd. Uiteindelijk werden de betrokken sigaretten verkocht aan de consument in verschillende supermarkten. De verdachte trad afwisselend op als leverancier en afnemer van de sigaretten, waarbij hij een sturende rol had.

Door deze handel is de reguliere handel in sigaretten verstoord. Bonafide handelaren is hiermee oneerlijke concurrentie aangedaan door de verkoop van sigaretten ver beneden de reguliere prijs. Door het niet kunnen innen van de accijns is voorts de Nederlandse Staat een aanzienlijk bedrag misgelopen. Het met de accijnsheffing tevens beoogde doel, het terugdringen van roken vanwege de enorme gezondheidsrisico’s, is hiermee ondermijnd.

De verdachte heeft zich aan deze nadelige effecten kennelijk niets gelegen laten liggen en alleen zijn eigen winstbejag voor ogen gehad. Dat rekent de rechtbank hem aan en daarop kan, gelet op de ernst van de feiten, niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met de grote rol die de verdachte heeft gespeeld binnen de organisatie en de duur en frequentie van de gepleegde strafbare feiten.

De door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf vindt de rechtbank, gelet op straffen die in andere, soortgelijke zaken zijn opgelegd, echter te hoog. Daarnaast houdt de rechtbank meer rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en ziet zij, anders dan de officier van justitie, aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Gezien het tijdverloop de proeftijd daarbij op één jaar worden gesteld.

De rechtbank stelt tot slot vast dat er sprake is van een overschrijding de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte en dient gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. Gelet hierop zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf verminderen met één maand.

8. In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen document (zijnde een koopovereenkomst van de garagebox [nummer garagebox] [adres] ) terug wordt gegeven aan de verdachte en de in beslag genomen sigaretten onttrokken zullen worden aan het verkeer.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank zal overeenkomstig de vordering van de officier van justitie beslissen. De sigaretten worden onttrokken aan het verkeer, nu de bewezen feiten met betrekking tot die sigaretten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 (één) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer:

1.00

PAK Sigaret

M.01.01.001 t/m M.01.01.017 (verscheidene pakjes)

- gelast de teruggave aan verdachte van:

1.00

STK Document

zijnde een koopovereenkomst van de garagebox [nummer garagebox] [adres] .


Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen en mr. V.E. Scholtens, griffiers,

en uitgesproken in het openbaar.

Bijlage I

Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 2 februari 2018

te Assendeift, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van

meerdere natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten hij, verdachte

en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 5]

en/of [naam medeverdachte 6] en/of [naam medeverdachte 7] en/of [naam medeverdachte 8]

En/of [naam medeverdachte 9] en/of [naam medeverdachte 10] en/of een of meer andere

(rechts)perso(o)n(en),

welke Organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

(telkens)

- het voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) die niet

volgens de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken

(artikel 5 lid 1 onder b juncto 97 Wet op de Accijns); en/of

- het invoeren en/of doorvoeren en/of uitvoeren en/of verkopen en/of te koop

aanbieden en/of afleveren en/of uitdelen en/of in voorraad hebben van

vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde waren (te weten sigaretten)

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 3

november 2017 tot en met 16 januari 2018 te Assendelft en/of Breda en/of

‘s-Gravenhage, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met

(een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens)

opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten:

- in totaal (circa) 278.000 stuks sigaretten, althans (telkens) een (grote)

hoeveelhe(i)d(en) sigaretten (verhandeld met medeverdachte [naam medeverdachte 2]

in of omstreeks de periode 3 november 2017 tot en met 7januari

2018) (AMB-102); en/of

- ( circa) 3.500.000 stuks sigaretten, althans (telkens) een (grote)

hoeveelhe(i)d(en) sigaretten (verhandeld met medeverdachte [naam medeverdachte 1]

in of omstreeks de periode 13 januari 2018 tot en met 16 januari 2018),

in elk geval (telkens) een (grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft

gehad, terwijl (telkens) die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van

de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

art 5 lid 1 onder b Wet op de accijns

art 97 Wet op de accijns

3.

hij op of omstreeks 17januari 2018 te Assendelft en/of Breda en/of

‘s-Gravenhage, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met

(een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk

(een) accijnsgoed(eren), te weten (circa) 1.000.000 stuks sigaretten, althans

een (grote) hoeveelheid sigaretten (in beslag genomen onder medeverdachte

[naam medeverdachte 1] op of omstreeks 17januari 2018), in elk geval een

(grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft gehad, terwijl die

sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de

heffing waren betrokken;

art 5 lid 1 onder b Wet op de accijns

art 97 Wet op de accijns

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks de periode van 13januari 2018 tot en met 17januari 2018

te Assendelft en/of Breda en/of ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van

het door hem, verdachte, en/of een of meer mededader(s) voorgenomen misdrijf

om opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten (circa) 1.000.000 stuks

sigaretten (in beslag genomen onder medeverdachte [naam medeverdachte 1] op of

omstreeks 17 januari 2018), in elk geval een (grote) hoeveelheid sigaretten,

die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing

waren betrokken, voorhanden te hebben:

- [naam medeverdachte 1] heeft gevraagd om 900 dozen (te weten 700 en 200

dozen) althans 200 dozen (onveraccijnsde) sigaretten, althans een (grote)

hoeveelheid (onveraccijnsde) sigaretten, aan hem, verdachte, te

leveren/verkopen; en/of

- met die [naam medeverdachte 1] een mondelinge koopovereenkomst afgesloten en/of

- met die [naam medeverdachte 1] een afspraak voor de levering(en) van die partij

heeft gemaakt; en/of

- het eerste gedeelte van die partij sigaretten (op 16 januari 2018) in

ontvangst genomen en/of

- met die [naam medeverdachte 1] afspraken gemaakt voor de tweede levering van die

partij en/of

- aan de [naam medeverdachte 1] (per sms) gevraagd hoe laat hij komt, of woorden van

gelijke strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 5 lid 1 onder b Wet op de accijns

art 97 Wet op de accijns