Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6983

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
8263966
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidenteel vonnis. Een enkel uitgesproken vermoeden is onvodoende voor rechtmatig belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8263966 CV \ EXPL 20-1510

uitspraak: 31 juli 2020

vonnis in incident van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[naam eiseres] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

eiseres in de hoofdzaak in conventie,

verweerster in het incident in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. drs. J.D.M. Oude Grote Bevelsborg,

tegen

de stichting

[naam gedaagde] ,

gevestigd te [plaats 2] ,

gedaagde in de hoofdzaak in conventie,

eiseres in het incident in conventie

eiseres in reconventie,

mr. S.A.A.C. van Gassen.

Partijen worden hierna [naam eiseres] en de Stichting genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Dit blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 december 2019 met producties;

- de conclusie van eis in het incident in conventie, tevens conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

- de rolbeslissing van 28 februari 2020, waarbij de zaak is verwezen naar de rolzitting van 10 maart 2020 voor uitlating door [naam eiseres] ;

- de akte ter rolle van de zijde van [naam eiseres] van 10 maart 2020 (brief van 3 maart 2020);

- het vonnis van 10 maart 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, die echter vanwege de coronaproblemen geen doorgang heeft kunnen vinden;

- de conclusie van antwoord in het incident in conventie, tevens van repliek in conventie en van antwoord in reconventie.

1.2

Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.

2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

2.1

De Stichting is opgericht op 1 oktober 1981. Zij heeft ten doel “de verwerving van en het beheer over één of meer onroerende goederen, waarin:

1) kleine groepen mensen voor korte of langere tijd kunnen vertoeven om in die periode vanuit christelijk pastoraal oogpunt bemoediging, humor en blijdschap te beleven, zich kunnen bezinnen en verdiepen;

2) mogelijkheid aanwezig is om in bijzondere gevallen vakantie- of rustperioden door te brengen;

3) trainingen en/of cursussen gehouden kunnen worden ter verrijking van eigen persoon en versterking van de groep, waarbij de pastoraal van de bemoediging en die van humor en blijdschap voorop staat.

De stichting kan voor de uitvoering van haar activiteiten onroerend goed verwerven.”

2.2

Artikel 4 van de statuten van de Stichting luidt:

1. Het bestuur bestaat uit een door het bestuur te bepalen oneven aantal van tenminste 5 personen.

2. Bestuursleden worden benoemd, geschorst en ontslagen door het bestuur.

3. Bestuursleden worden benoemd bij een bestuursbesluit, genomen in een bestuursvergadering, met twee/derde van het aantal stemmen van alle bestuursleden.

4. Bestuursleden worden geschorst en ontslagen bij een bestuursbesluit, genomen in een bestuursvergadering, met twee/derde van het aantal stemmen van alle bestuursleden, de stem van het bestuurslid om wiens schorsing of ontslag het gaat, niet medegerekend.

Artikel 6 luidt:

1. Een bestuurder defungeert - onverminderd het in de Wet op de Stichtingen bepaalde - wanneer hij

a. a) overlijdt;

b) vrijwillig aftreedt;

c) bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak onder curatele wordt gesteld of op andere wijze het vrije beheer over zijn vermogen verliest;

d) periodiek aftreedt.

2. Telkenjare treedt een dusdanig aantal bestuurders af, zulks volgens een rooster, op te stellen door het bestuur, dat in een tijdvak van vier jaar iedere bestuurder een maal is afgetreden.

3. Een afgetredene is terstond herkiesbaar.

4. Degene die gekozen is ter vervanging van een tussentijds gedefungeerd bestuurslid, heeft zitting voor de tijd, die zijn voorganger nog te vervullen had.”

Artikel 8 luidt:

“De stichting wordt in en buiten rechte tegenover derden vertegenwoordigd door de voorzitter van het bestuur; bij belet of ontstentenis van de voorzitter wordt de stichting vertegenwoordigd door de secretaris van het bestuur tezamen met een ander bestuurslid.

Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het kopen of op andere wijze verkrijgen, vervreemden of bezwaren van onroerende goederen, tot het sluiten van overeenkomsten, waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een derde verbindt.

De goedkeuring van twee/derde van alle bestuursleden is nodig voor:

a. a) het aangaan van geldleningen, een bedrag van twee duizend vijfhonderd gulden te boven gaande;

b)het kopen, huren en verhuren, vervreemden of bezwaren van onroerende goederen;

c) het doen van aanschaffingen voor het gebruik en de inrichting van haar tehuizen een bedrag van twee duizend gulden per aanschaffing te boven gaande;

d) het aannemen van schenkingen, legaten en erfstellingen onder een last;

e) het aangaan van verplichtingen, voor zover niet onder een der vorige letters vallende, waarvan net belang of de waarde voor de stichting een bedrag van vijf duizend gulden te boven gaat.”

2.3

Een afschrift van een uittreksel uit het handelsregister bij de Kamer van Koophandel van 22 februari 2017 vermeldt als bestuurders van de Stichting : [naam persoon 1] , [naam persoon 2] , [naam persoon 3] , [naam persoon 4] en [naam persoon 5] .

2.4

Een afschrift van een uittreksel uit het handelsregister bij de Kamer van Koophandel van 24 februari 2017 vermeldt als bestuurders van de Stichting :

[naam persoon 6] en [naam persoon 4] .

2.5

[naam eiseres] heeft op 24 februari 2017 aan de Stichting , ter attentie van de heer

[naam persoon 4] en mevrouw [naam persoon 6] , een opdrachtbevestiging gestuurd.

Deze luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

Met referte aan onze telefoongesprekken en uw e-mails van 22 en 24 februari jl. bevestig ik hierbij uw verzoek om de Stichting [naam gedaagde] voor advies bij te staan, mede in het kader van de discussie die is ontstaan over het defungeren van de bestuursleden [naam persoon 2] ,

mevrouw [naam persoon 1] en de heer [naam persoon 3] .

(…)

Indien de cliënt een rechtspersoon is, zoals een stichting , dan heeft [naam eiseres] naast een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de bestuurder(s) van deze stichting tevens een gewaarmerkt uittreksel uit het Handelsregister van deze vennootschap (de kantonrechter leest: rechtspersoon) nodig. Inmiddels heb ik via de online verbinding met de Kamer van Koophandel een dergelijk gewaarmerkt afschrift rechtstreeks opgevraagd en ontvangen.

(…)”

2.6

Bij beschikking van 1 augustus 2017 heeft deze rechtbank, sector Handel en Haven, per die datum benoemd als bestuursleden van de Stichting :

[naam persoon 1] ,

[naam persoon 2] ,

[naam persoon 3] ,

[naam persoon 6] .

2.7

[naam eiseres] heeft de Stichting vijf declaraties gestuurd voor door haar verrichte werkzaamheden. Van die declaraties is drie maal een bedrag van € 5.000,-- door de Stichting betaald, op 15 maart, 13 april en 31 mei 2017. Een bedrag van € 22.210,63 is onbetaald gebleven.

2.8

De Stichting heeft bij e-mailbericht van 22 november 2019 de overeenkomst met [naam eiseres] vernietigd.

3. De vordering in de hoofdzaak in conventie

3.1

[naam eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting veroordeelt aan haar te betalen een bedrag van € 22.210,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldag van elke factuur voor het per factuur openstaande bedrag tot de dag van volledige betaling, alsmede in de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.785,--, althans € 997,11, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

In de rolbeslissing van 28 februari 2020 staat vermeld:

“De kantonrechter constateert ambtshalve dat zij niet bevoegd is omdat de vordering inclusief de gevorderde handelsrente de grens van € 25.000,-- te boven gaat.

[naam eiseres] Advocaten mag zich uitlaten of zij de vordering zonder voorbehoud wenst te beperken.”

In reactie op de rolbeslissing van 28 februari 2020 heeft [naam eiseres] het volgende geschreven:

“In opgemelde zaak nam ik kennis van de rolbeslissing dd 28 februari 2020.

Naar aanleiding daarvan bericht ik u dat conform het gestelde in de dagvaarding de gevorderde hoofdsom (incl kosten) wordt beperkt tot het aangegeven bedrag, waarmede de totale waarde van het gevorderde net beneden de competentiegrens van € 25.000,-- blijft.

Voor zover de hoofdsom tot boven de competentiegrens toeneemt vanwege opeisbare rente tot aan datum dagvaarding blijft deze rente buiten beschouwing.”

3.2

[naam eiseres] baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

Zij heeft in opdracht van de Stichting werkzaamheden verricht.

Op de overeenkomst van opdracht zijn haar algemene voorwaarden van toepassing. Ingevolge artikel 5.3 van die voorwaarden geldt een betalingstermijn van veertien dagen.

[naam eiseres] heeft de Stichting voor haar werkzaamheden declaraties gestuurd. Die declaraties zijn niet volledig voldaan. Te betalen resteert een totaalbedrag van € 22.210,63.

Ondanks aanmaningen en sommaties betaalt de Stichting niet. Zij moet haar daarom ook de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen

4. Het verweer in de hoofzaak in conventie

4.1

De stichting concludeert primair dat [naam eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering, althans dat deze haar moet worden ontzegd, en subsidiair dat de kantonrechter zal verklaren voor recht dat geen overeenkomst van opdracht is tot stand gekomen tussen haar en [naam eiseres] als gevolg van onbevoegde vertegenwoordiging, althans dat deze overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd.

4.2

Zij voert daartoe, zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang, het volgende aan.

Begin februari 2017 is binnen het bestuur van de Stichting een geschil ontstaan. Dit heeft geleid tot een verzoek in de bestuursvergadering van 22 februari aan het bestuurslid [naam persoon 4] om af te treden [naam persoon 4] heeft in die vergadering gesteld dat hij en mevrouw [naam persoon 6] de enige rechtsgeldige bestuurders van de Stichting waren. Daags daarna bleek dat [naam persoon 4] c.s. de andere bestuurders hadden doen uitschrijven uit het Handelsregister, het adres van de Stichting hadden gewijzigd naar hun huisadres en zich de exclusieve toegang hadden verschaft tot de bankrekening van de Stichting . [naam persoon 4] c.s. hadden toen al uitgebreid contact gehad met [naam eiseres] . De mrs. [naam advocaat 1] en [naam advocaat 2] hadden toen al in totaal 3,5 uren besteed aan advisering, uitsluitend ten behoeve van [naam persoon 4] c.s.

[naam persoon 4] c.s. waren krachtens artikel 8 van de statuten niet bevoegd de Stichting te vertegenwoordigen bij het geven van een opdracht aan [naam eiseres] . [naam persoon 4] was geen voorzitter en hij had als gewoon bestuurslid van twee/derde van de bestuursleden goedkeuring moeten hebben.

Er is geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand gekomen tussen haar en [naam eiseres] .

Uit de beschikking van de rechtbank van 1 augustus 2017 volgt dat de Stichting vóór die datum geen rechtsgeldig bestuur had.

Op of omstreeks 22 en 24 februari 2017 waren [naam persoon 4] c.s. dus niet te beschouwen als bestuur in de zin van artikel 2:292 BW en daarom niet bevoegd de Stichting te vertegenwoordigen bij het aangaan van een overeenkomst met [naam eiseres] . De Stichting heeft de overeenkomst niet bekrachtigd als een eigen rechtshandeling.

Subsidiair geldt dat [naam eiseres] niet op grond van een gedraging van de Stichting erop mocht vertrouwen dat [naam persoon 4] c.s. wel bevoegd waren de Stichting te vertegenwoordigen. [naam eiseres] heeft daarvoor onvoldoende gesteld. [naam eiseres] wist dat er op grond van nietige benoemingsbesluiten in het verleden geen rechtsgeldig bestuur meer was, dat op 22 februari 2017 nog vijf bestuursleden waren ingeschreven en dat [naam persoon 4] c.s. de overige hebben doen uitschrijven. [naam eiseres] mocht op 24 februari 2017 dan ook niet uitgaan van de inschrijving in het handelsregister omdat zij toen wist dat die gegevens niet juist waren. Haar komt ook geen derdenbescherming toe ex artikel 25 Handelsregisterwet omdat zij wist dat de werkelijke situatie anders was en dat [naam persoon 4] c.s. niet bevoegd waren de Stichting te vertegenwoordigen.

Mr. [naam advocaat 1] had zich er voorts, als ervaren advocaat en mede op grond van de toepasselijke verordeningen van behoren te vergewissen of [naam persoon 4] c.s. bevoegd waren.

Bij gerede twijfel had hij nader onderzoek moeten instellen. Gelet op de verwikkelingen en de bevoegdheidsperikelen die [naam eiseres] bekend waren vóór het aangaan van de gestelde overeenkomst was zorgvuldig(er) onderzoek vereist. In elk geval had [naam eiseres] haar werkzaamheden moeten staken, althans nader onderzoek moeten doen, nadat zij bij herhaling op was gewezen op de onbevoegdheid van [naam persoon 4] c.s. Na de bespreking van

17 maart 2017 had zij haar werkzaamheden moeten staken.

Aan de inschrijving van [naam persoon 4] c.s. in het Handelsregister kon [naam eiseres] niet het vertrouwen ontlenen dat [naam persoon 4] c.s. bevoegd waren de Stichting te vertegenwoordigen bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht.

Meer subsidiair geldt dat [naam eiseres] de grenzen van de opdracht heeft overschreden.

5. De vordering in het incident in conventie

5.1

De Stichting vordert dat de kantonrechter, bij vonnis in het incident, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] zal veroordelen aan de Stichting inzage te verschaffen “in de hiervoor genoemde bescheiden” op zodanige wijze als de kantonrechter juist acht, op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of gedeelte daarvan vanaf twee dagen na de veroordeling daartoe dat [verweerster] daarmee in gebreke blijft tot het moment van inzage, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van het incident.

Uit het lichaam van de incidentele conclusie blijkt dat de Stichting doelt op:

- alle e-mailcorrespondentie (met bijlagen) die blijkens de urenspecificaties tussen [naam persoon 4] c.s. en [verweerster] is gevoerd op 22 februari 2017;

- de beide e-mailberichten van [verweerster] aan [naam persoon 4] c.s. op 24 februari 2017;

- het e-mailbericht van [naam persoon 4] c.s. aan [verweerster] op 24 februari 2017;

- de notities die zijn gemaakt naar aanleiding van de beide telefoongesprekken tussen [naam persoon 4] c.s. en [verweerster] op 22 februari 2017, het telefoongesprek op 24 februari 2017 en het telefonisch onderhoud op 28 februari 2017;

- alle e-mailcorrespondentie (met bijlagen) en notities van telefoongesprekken

die, voor zover ze zouden bestaan, niet uit de urenspecificaties blijken.

5.2

De Stichting baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

Tussen haar en [verweerster] is geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand gekomen.

Zij heeft van [verweerster] een afschrift van een opdrachtbevestiging ontvangen en van enkele declaraties. Uit de urenspecificaties bij die declaraties blijkt dat vóór de aanvaarding door [verweerster] van de opdracht ruimschoots contact heeft plaatsgevonden tussen [naam persoon 4] c.s. en [verweerster] , dat [verweerster] stukken heeft bestudeerd en werkzaamheden heeft verricht voor

[naam persoon 4] c.s. en heeft geadviseerd ter voorbereiding van onder meer de bestuursvergadering op 22 februari 2017.

De Stichting vermoedt dat er een vooropgezet plan was van [verweerster] en [naam persoon 4] c.s. om [verweerster] werkzaamheden te laten verrichten op naam van de Stichting en de Stichting te laten opdraaien voor de kosten daarvan, terwijl die werkzaamheden in feite ten behoeve van het (privé)belang van [naam persoon 4] c.s. werden verricht. Een groot deel van die werkzaamheden was niet in het belang van de Stichting en zelfs volledig onnodig.

Zij heeft een rechtmatig belang bij deze vordering, omdat haar rechtspositie in sterke mate kan afhangen van wat in de stukken/correspondentie is besproken en afgesproken en niet in de opdrachtbevestiging staat. De inhoud van de bescheiden kan van belang zijn ter onderbouwing van haar verweer tegen de vorderingen van [verweerster] .

Het criterium in artikel 843a Rv “aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn” moet ruim worden uitgelegd. Het is voldoende dat [verweerster] stelt een overeenkomst met de Stichting te hebben.

Geen van de uitzonderingen van het derde of vierde lid van artikel 843a Rv doet zich hier voor. [verweerster] stelt zich immers op het standpunt dat [naam persoon 4] c.s. bestuurders van de Stichting zijn/waren, zodat zij jegens de Stichting niet tot geheimhouding verplicht is.

6. Het verweer in het incident in conventie

[verweerster] concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering.

Op haar verweer gaat de kantonrechter hierna, waar nodig, in.

7. De vordering in reconventie

7.1

De Stichting vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

- zal verklaren voor recht dat de drie door de Stichting verrichte betalingen van telkens € 5.000,-- onverschuldigd zijn verricht;

- [verweerster] zal veroordelen tot (terug)betaling van een bedrag van € 15.000,-- , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betaaldatum van iedere betaling, althans vanaf 4 december 2017, althans vanaf de datum van het instellen van de reconventionele vordering tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

7.2

Zij baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op wat zij in conventie ten verwere heeft aangevoerd en op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

De door [naam persoon 4] c.s. gedane betalingen zijn onverschuldigd verricht. [verweerster] heeft de betalingen te kwader trouw ontvangen. Zou dat laatste niet het geval zijn dan geldt dat de Stichting bij brief van haar gemachtigde van 22 november 2017 [verweerster] in gebreke heeft gesteld en gesommeerd tot terugbetaling. [verweerster] is daarom sinds 4 december 2017 in verzuim. Daarom is zij ook de wettelijke rente verschuldigd.

Subsidiair geldt dat ze onverschuldigd zijn verricht omdat de gestelde overeenkomst van opdracht buitengerechtelijk was vernietigd bij e-mailbericht van 22 november 2019.

De vernietiging heeft terugwerkende kracht zodat de Stichting aanspraak heeft op de wettelijke rente vanaf de respectievelijke betaaldata. In elk geval is [verweerster] vanaf 22 november 2019 in verzuim.

Meer subsidiair beroept de Stichting zich op verrekening. Zij is niet gehouden tot betaling voor werkzaamheden die [verweerster] buiten de opdracht heeft verricht, dat wil zeggen: na 1 mei 2017. Dat breng mee dat in dat geval een bedrag van € 15.000,-- verrekend kan worden met de openstaande bedragen van de facturen van 13 april en 12 mei 2017 (nummers 170261 en 170338) van in totaal € 16.330,71, zodat dan een bedrag van € 1.330,71 te betalen zou resteren.

8. Het verweer in reconventie

[verweerster] concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij verwijst naar wat zij in conventie heeft gesteld en voert verder, zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang, het volgende aan.

Ingevolge artikel 6:211 lid 1 BW is bij een nietige overeenkomst wanneer de verrichte prestatie niet ongedaan kan worden gemaakt, de ongedaanmaking van de tegenprestatie uitgesloten. In dit geval kan de verleende bijstand niet ongedaan worden gemaakt en de tegenprestatie dus evenmin. Dat zou niet stroken met de redelijkheid en de billijkheid.

De gevorderde rente moet ook worden afgewezen. Zij verwijst naar artikel 6:203, lid 1 BW. Ook is de ontvanger te goeder trouw, zoals zij, gerechtigd tot vergoeding van kosten en schade, zodat van verschuldigdheid van rente met terugwerkende kracht geen sprake kan zijn. Tot slot merkt zij op dat haar rechtsbijstand niet per 1 mei 2017 is geëindigd. Daarom is er geen grond voor verrekening.

9. De beoordeling

in het incident in de hoofdzaak

9.1

Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering luidt:

1. Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.

2 De rechter bepaalt zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.

3 Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.

4 Degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

Het gaat in het eerste lid van dit artikel om drie cumulatieve voorwaarden.

9.2

Het enkele door de Stichting uitgesproken vermoeden is onvoldoende om een rechtmatig belang bij de inzage van de bedoelde bescheiden aan te nemen. Dat de rechtspositie van de Stichting , zoals zij stelt, kan afhangen van de inhoud van de bedoelde stukken/correspondentie is bovendien onvoldoende om van een rechtmatig belang te kunnen spreken. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de conclusie van de P-G Strikwerda (ECLI:NL:PHR:2000:AA4877):“Tijdens de algemene beraadslaging in de Eerste Kamer wees de Minister van Justitie erop (Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, blz. 417) dat de exhibitieplicht van art. 843a en 843b Rv "slaat op de situatie, dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft". Art. 843a Rv biedt dus niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan de eiser slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen.

Nu aan de voorwaarde van het rechtmatig belang bij de bescheiden niet is voldaan zal de incidentele vordering worden afgewezen.

9.3

De stichting wordt in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Die kosten begroot de kantonrechter aan de zijde van [verweerster] op € 480,-- aan salaris voor de gemachtigde.

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie

9.4

De zaak wordt verwezen naar de rol van dinsdag 25 augustus 2020 te 15.30 uur voor het nemen van een conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie door de Stichting , waarna [verweerster] een conclusie van dupliek in reconventie kan nemen.

10. De beslissing

De kantonrechter,

in het incident in de hoofdzaak

wijst de vordering af;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 480,-- aan salaris voor de gemachtigde;

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 25 augustus 2020 te 15.30 uur voor het nemen van een conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie door de Stichting , waarna [verweerster] een conclusie van dupliek in reconventie kan nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37878