Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6855

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
ROT 20/324
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Beroep wegens niet tijdig beslissen. Anders dan het college van procureurs-generaal stelt, heeft het de aanvraag en ingebrekestelling wel degelijk ontvangen. Deze stukken zijn aangetekend verzonden en voor ontvangst getekend. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is gegrond, de rechtbank stelt de verbeurde dwangsom vast en verwijst het beroep tegen het alsnog genomen besluit van 18 februari 2020 ter behandeling als bezwaar naar verweerder. In dictum is de verwijzing opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/324

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser,

en

het college van procureurs-generaal, verweerder.

Procesverloop

Op 19 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 4 november 2019 om rectificatie en vernietiging van zijn persoonsgegevens.

Bij besluit van 18 februari 2020 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen op grond van artikel 39m, eerste en tweede lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg), afgewezen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. In artikel 6:2, aanhef en onder b van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

3. In het verweerschrift van 9 maart 2020 heeft verweerder gesteld dat hij het verzoek van eiser van 4 november 2019 en de ingebrekestelling van 16 december 2019 niet heeft ontvangen. In reactie op het verweerschrift heeft eiser echter bewijzen overgelegd van aangetekende verzending van deze brieven. Op deze bewijzen staat vermeld dat de brieven zijn bezorgd op het door verweerder gebruikte adres op respectievelijk 5 november en

18 december 2019. Voor de ontvangst van de brieven is getekend.

4. Een en ander betekent dat verweerder niet binnen de termijn van vier weken als bedoeld in artikel 39m van de Wjsg op het verzoek van eiser van 4 november 2019 heeft beslist, dat eiser na het verstrijken van die termijn verweerder in gebreke heeft gesteld en dat niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog op het verzoek is beslist. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond.

5. Eiser heeft de rechtbank verzocht de door verweerder op grond van artikel 4:17 van de Awb verschuldigde dwangsom vast te stellen. De rechtbank zal gelet op artikel 8:55c van de Awb aan dit verzoek voldoen. De rechtbank stelt de door verweerder verschuldigde dwangsom vast op € 1.442,-, want tussen de ontvangst van de ingebrekestelling op 18 december 2019 en de datum van het besluit van 18 februari 2020 ligt een periode van meer dan 56 dagen (14 plus 42 dagen).

6. Het beroep is gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege gericht tegen het besluit van 18 februari 2020. Dit is een primair besluit. De rechtbank ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 6:20, vierde lid, van de Awb en het beroep naar verweerder te verwijzen teneinde het als een bezwaar af te doen. In dit verband merkt de rechtbank op dat het in de rede ligt dat verweerder in zijn heroverweging het uittreksel justitiële documentatie van 23 april 2019, dat eiser in beroep heeft overgelegd, in zijn beoordeling betrekt.

7. Omdat de rechtbank het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond;

  • -

    vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag;

  • -

    stelt de door verweerder reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;

  • -

    verwijst het beroep tegen het besluit van 18 februari 2020 ter behandeling als bezwaar naar verweerder;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in gedaan op 4 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.