Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6792

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
30-07-2020
Zaaknummer
8186190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding arbeidsovereenkomst, geen billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0909
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8186190 VZ VERZ 19-20562

uitspraak: 3 maart 2020

beschikking ex artikel 7:671b Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Eurocollege Management School B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster, verweerster in de zelfstandige tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. L.C. van der Meer,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerder, verzoeker in de zelfstandige tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. M. Köster.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ECMS’ en ‘ [verweerder] ’.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ontvangen op 21 november 2019;

  • -

    het verweerschrift met producties.

1.2

De mondelinge behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 3 februari 2020. Aanwezig waren [A.] , directeur en [B.] , adjunct-directeur kwaliteitszorg en onderwijszaken van ECMS, bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] was eveneens aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat daarnaast nog is besproken.

1.3

De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

ECMS is een particuliere mbo-opleider met een vestiging in Rotterdam. ECMS verzorgt opleidingen op het gebied van reizen, commerciële dienstverlening, management en ondernemen. Circa 75 studenten volgen er een opleiding. ECMS heeft naast haar directeur en vestigingsdirecteur vier stafleden in dienst, een mbo-coördinator, een mbo-studiebegeleider en een stagebegeleider. Docenten worden op freelance basis ingehuurd.

2.2

[verweerder] is op 15 april 2015 bij ECMS in dienst getreden. Sinds 1 juni 2016 is [verweerder] werkzaam als studie- en studentenbegeleider, met een arbeidsduur van 32 uur per week gedurende de maanden september tot en met mei tegen een salaris van € 2.720,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en 24 uur per week gedurende de maanden juni tot en met augustus met een salaris van € 2.040,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

2.3

Op 14 november 2017 heeft de directeur van ECMS, [A.] de stafleden per e-mail verzocht mee te denken en mee te werken aan het professionaliseren van de school en het werven van nieuwe leerlingen. [verweerder] heeft hierop per e-mail met een cc aan alle stafleden - voor zover hier van belang - gereageerd:

“(…) Zoals wij allemaal weten is er een afdeling die onderstaande punten dient op te pakken. De afdeling heet Marketing. Pak die afdeling keihard aan! No Pain No gain en Machiavelli, vergeet ook niet de lijdensweg van Spartacus…. Ook een inspiratiebron.

(…)

Wat u uw studenten wilt leren merken wij niet op de werkvloer. Dit heb ik meerdere keren aangestipt bij diverse senior managementpersonen, waaronder u. Het is vreemd dat u het wel verwacht van anderen, maar zelf iets anders doet. (…)”.

2.5

[A.] heeft hierop per e-mail van 15 november 2017 - voor zover hier van belang - als volgt geantwoord:

“ (…) Dank voor je mail. Ik heb deze nog een keer gelezen. Nader bekeken lees ik dat jij graag gehoord wilt worden en behoefte hebt aan deelname aan een overleg. In eerste instantie besefte ik niet dat jij jouw mail met iedereen in de cc had gestuurd. Daar jij in jouw mail van alles roept en stelt leek het mij toch verstandig iets van context te geven.

Zoals je weet heb ik sinds t personeelsuitje in Scheveningen de “sleutel” van de vestiging over gedragen. Ik stel voor dat je zaken die jou bezighouden inbrengt in het vestigingsoverleg of bespreekt met jou leidinggevende. Je kunt op ieder moment met mij om de tafel zitten. Ik ben uiteraard bereid om altijd naar je te luisteren.

In jouw mail haal je uit naar de afdeling “marketing”. Ik heb het idee dat je in deze niet een duidelijk beeld hebt hoe de marketing op EC eruit zou moeten zien. Hieronder een korte uitleg.

Zoals je weet is EC een klein bedrijf, mkb. De “afdeling” marketing is klein. Ik heb iemand die 3 dagen in de week prospects nabelt en de mbo-intakes doet. Daarnaast is er een persoon die online marketing doet. Deze is fulltime in dienst. Ik geef toe dat de bezetting wat krap is. Ik ben ook aan t kijken hoe ik het een en ander kan versterken met uiteraard de groeidoelen in mijn achterhoofd.(…)

(…)

In jouw mail stip jij een discrepantie aan tussen wat ik mijn studenten wil leren en wat er daadwerkelijk op school gebeurt? Het geheel aan discrepanties willen we dichter, in ieder geval kleiner maken, door de organisatie te professionaliseren en een begeleidingsfilosofie te hanteren.

[H. 1] , een interim/consultant is momenteel volop bezig middels persoonlijke gesprekken zich inzicht te verschaffen in EC, de organisatie en de processen.

(…) [voornaam verweerder] , nogmaals als je ergens mee zit, kom een keer langs. (…)”

2.7

Op 15 november 2017 laat [D.] , vestigingsdirecteur, [A.] weten dat [verweerder] haar heeft gevraagd of ECMS te koop was en dat hij zich in een gesprek met haar hardop heeft afgevraagd of hij zelf de school zou kunnen kopen. Op 15 november 2017 mailt [A.] aan [verweerder] :

“ [voornaam verweerder] , de ondernemer

Om misverstanden te voorkomen. EC staat niet te koop, is niet te koop en wordt niet verkocht.”

Daarop antwoordt [verweerder] op 17 november 2017:

“Geachte heer [A.]

Dat bepaal ik wel. (…)”

2.8

Op 17 november 2017 heeft [A.] [verweerder] meegedeeld dat hij zich met vragen of opmerkingen eerst tot zijn leidinggevenden dient te wenden en niet rechtstreeks tot [A.] .

2.9

Op 21 november 2017 is [verweerder] door [D.] aangesproken op zijn toon en de vrijheden die hij zich permitteerde ten opzichte van [A.] .

2.10

Op 24 november 2017 schrijft [verweerder] aan [D.] - voor zover hier van belang - als volgt:

“Geachte mevrouw [D.] , vaak wordt mijn rol op EuroCollege niet begrepen. Ik werk 4 dagen op EuroCollege en de overige dagen werk ik niet voor EuroCollege. Daarnaast heb ik ook diverse belangen en deze dien ik te beschermen. Daarom geef ik hieronder een overzicht per e-mailadres welke rol dan vertegenwoordigd wordt. (…) “werknemer”, “prive”, “voorzitter van stichting TIME” en “zakelijk” (…)

Kunt u dit communiceren in het MT en/of doorgeven aan de werknemers?”

2.11

Op 24 november 2017 kondigt [A.] per e-mail aan de stafleden het vertrek van collega [D.] aan. [verweerder] reageert hierop aan allen - voor zover hier van belang -:

“(…) Wat een onverwacht nieuws dat wij, althans ik, niet van verre zagen aankomen. Het is zeer treurig, te horen dat mevrouw [D.] op deze manier afscheid gaat nemen. Ik waardeer haar wel en ze was een rots in de branding. Echt iemand waarvan je dacht, een professional. Jammer dat ze deze keuzen maakt.

(…)

Daarnaast wil ik alle lof toezwaaien aan onze leider en inspirator [A.] wiens inbreng wij al sinds 02/02/2017 moeten missen op de vestiging. U leeft in ons hart mijnheer [A.] ! Alle lof aan u! (…)”

2.12

In reactie op deze e-mail van [verweerder] schrijft collega [F.] op 26 november 2017 aan [verweerder] - voor zover hier van belang -:

“(…)Vol verbazing lees ik enkele mails die jij de wereld instuurt. Vanuit het Amsterdamse ben ik nog steeds erg betrokken bij het EuroCollege en daarom het volgende:

Ik vind dat je met je mails letterlijk in het gezicht spuugt van EuroCollege en daarmee de mijne. Ik begrijp niet waar je mee bezig bent. Je bijdragen zijn ondermijnend en oncollegiaal en leiden tot onrust en muiterij.

Ik vind dat je het bedrijf waarvoor ik met veel liefde en passie al jaren full- maar nu part-time werkzaam ben aan het beschadigen en ondermijnen bent. Je naait op deze manier mij en andere collega’s. Vergeet niet dat wij een bedrijf zijn die op eigen kracht moet draaien in de onderwijswereld en dat iedere student onze huur betaald.

Excuses voor mijn wat harde mail, echter ik vind dat je te ver gaat en er voor zorgt dat wij straks met zijn allen geen baan meer hebben. …! Daar pas ik voor. Misschien moet je zelf eens gaan overwegen of dit dan een geschikte plek is om te werken. (…)”

2.13

Op 28 december 2017 spreekt [K.] (mbo coördinator) [verweerder] erop aan dat hij opdrachten van studenten niet op tijd heeft nagekeken en verzoekt hij [verweerder] dit toe te lichten. Hierop antwoordt [verweerder] :

“(…) Uw mail bevreemdt mij. Op 19 december ben ik teruggekomen vanuit mijn vakantie ten behoeve van de auditdag en was ik voornemens om alle opdrachten volledig binnen de deadline na te kijken. U bood aan om deze opdrachten voor mij na te kijken gezien de werkdruk die ik ondervond. Dat het u niet helder is waarom de opdrachten niet door mij zijn nagekeken is voor mij dan ook een groot raadsel. De termijn voor het nakijken en inleveren van opdrachten van 15 dagen is mij volledig onbekend (…).

De waardering en een oplossing voor lagere werkdruk (al 3 jaar gaande) blijven uit. Het enige wat ik terug krijg is veel negativiteit en dit beantwoord ik blijkbaar in uw perceptie met negativiteit. Excuses daarvoor, ik ben mij daar niet van bewust, maar graag zie ik snel progressie in bovenstaande aangekaarte problemen en wil ik daar graag zelf ook een oplossing in zijn.

Er zal altijd een stok zijn om te blijven slaan. Na extern overleg heb ik het idee dat dit bijna op een modus operandi lijkt om op deze manier om te gaan met kritische, activistische en/of ondernemende werknemers. Het negatieve patroon bij EuroCollege wordt op deze manier niet doorbroken en komen veel werknemers niet toe aan werkgeluk, verbetering van hun werkzaamheden, specialisatie en een veilige werkomgeving.

Gezien wat zich heeft afgespeeld deze zomer (Intellectueel Eigendom kwestie/slecht werkgeverschap/ stichting TIME), de aanhoudende werkdruk (zelfs na belofte in de zomer dat dit zou verminderen, tijd voor tijd etc.) en het wegblijven van waardering maar het toch aanhouden van negatieve bejegening (o.a. waarschuwing zonder onderbouwing/notulen) vind ik het niet geheel vreemd hoe ik mij opstel. Niemand pakt in de organisatie de signalen op dat ik op mijn laatste lootjes loop en dan zit ik wederom in mijn vakantie te e-mailen. Daarnaast voel ik mij niet vertegenwoordigd ten opzichte van het Senior Management.

Voorgaande alinea heeft mij het gevoel gegeven dat EuroCollege voor mij geen veilige werkomgeving is.

(…)

Daarom ben ik, onder andere, voornemens om de route van Personeelsvertegenwoordiging en/of OR voort te zetten. Alhoewel de directie mij hierin niet faciliteert, na meerdere keren aandringen, maar wel verplicht is zal ikzelf hier het voortouw in nemen en mij extern hierover laten adviseren. (…)”

2.14

Naar aanleiding van deze e-mailwisseling tussen [K.] en [verweerder] schrijft [L.] (directeur onderwijsprocessen) op 6 januari 2018 aan [verweerder] :

“(..) Ik begrijp uit deze mailwisseling dat er behoorlijk wat onvrede is. Ik ga graag met je aan tafel om onderstaande e-mail inhoudelijk te bespreken. Kun je aangeven wanneer je weer op je werkplek bent zodat ik deze afspraak direct kan laten inplannen? Alvast bedankt!(…)

Daarop antwoordt [verweerder] :

“(…) U begrijpt mij volkomen verkeerd en daar zal ik zelf debet aan zijn door de voor mij onbekende toon die ik vaak zet.

Er is geen onvrede, er is vrees, vrees voor een leegloop en insolventie van EuroCollege.

Volgens mijn adviseurs heb ik geen onvrede gecommuniceerd met de vorige e-mail maar signalen afgegeven.

We kunnen altijd praten.

Zeker als ik op mijn werkplek ben. Lijkt me leuk. Ik ben er aanstaande zondag wederom, schikt dat?”

2.15

Als collega [S.] op 23 januari 2018 ziek uitvalt schrijft [verweerder] aan [L.] met een cc aan [K.] :

“(…) Wat mij ter ore is gekomen dat [S.] op haar werk gefrustreerd is door gedrag van enkele collega’s en management. Dit gedrag lijkt erg op structureel dwarsbomen van haar werkzaamheden, men zou dit kunnen aanduiden als pesten/onveilige werkomgeving.

Ik zie graag tegemoet dat hier gedegen onderzoek naar wordt gedaan en mocht dit werkelijk zo de schuldigen hiervoor op worden aangesproken, ook in het management. (…)”

2.16

Op 25 januari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [L.] , [A.] en [verweerder] . Naar aanleiding hiervan schijft [L.] aan [verweerder] - voor zover hier van belang -:

“(…) Naar aanleiding van het gesprek dat de heer [A.] en ik vanmiddag met je hebben gevoerd bevestig ik hierbij hetgeen we vanmiddag hebben besproken en afgesproken.

Je werkhouding, je omslag van flexibele medewerker richting “vakbondshouding” en een aantal verhalen over de interne organisatie heeft ervoor gezorgd dat je nu in een conflictmodel met de directie terecht bent gekomen, hetgeen partijen nu teveel tijd kost en ook behoorlijk frustreert.

De heer [A.] heeft duidelijk gemaakt dat je nu of aan kunt haken in de positievere sfeer en werkwijze die nu voor de volle 100% beoogd wordt of dat je beter je loopbaan per direct bij een ander bedrijf of school voort kunt zetten, aangezien de werkrelatie nu zeer zwaar onder druk staat.

Om aan deze escalatie per direct een eind te maken hebben wij vanmiddag met elkaar het volgende afgesproken:

  • -

    voor 17:00 heb je vandaag de ouders gebeld die je moet bellen om de gemaakte afspraak voor 7:00 uur te halen en de cijfers er uit kunnen

  • -

    dat je samen met [M.] de audit van volgende week samen met mij voorbereidt om te komen tot een proces van continue verbetering

  • -

    en dat je nu per direct stopt met dit gedoe qua houding en emails richting directie, aangezien dit tot een volstrekt onwerkbare situatie leidt

  • -

    je zult zoals besproken geen emails met negatieve strekking of wat voor strekking dan ook aan de heer [A.] versturen.

Mocht ik een en ander niet correct of volledig verwoord hebben hoor ik dat graag.”

2.17

Hierop antwoordt [verweerder] per e-mail van 27 januari 2018 - voor zover hier van belang -:

“(…)

1. Een gesprek is wederkerig, in dit gesprek was geen sprake van wederkerigheid.

2. Kritiek op mijn werkhouding zie ik graag besproken in een functioneringsgesprek die ik bij deze aanvraag over mijn werkzaamheden in de periode sinds mijn laatste functioneringsgesprek van deze zomer die volledig positief was en waar sindsdien bepaalde beloftes niet zijn nagekomen. Dit heb ik al meerdere keren aangegeven. Agenda volgt na afstemming datum gesprek.

3. Er is geen omslag in het zijn van een flexibele medewerker. Zoals u weet heb ik afgelopen week 4 van de 4 dagen van 08:30-20:30 gewerkt, met uitzondering van donderdag waar een incident mij belemmerde tijdig aanwezig te zijn.

4. Een vakbondshouding kan nooit verkeerd zijn, ik heb geen idee wat hiermee bedoeld wordt, maar het impliceert iets negatiefs. Heeft de directie van EuroCollege het standpunt dat vakbonden geen recht van spreken hebben en een houding van die leest negatief is?

5. Kunt u concreet zijn over de verhalen. Ik wil de verhalen die ik vertel altijd ondersteunen met (schriftelijk) bewijs. Een vraagstelling en een poging een proces te verbeteren kan nooit te boek staan als verhalen, me dunkt. (…)

6. De stellingname dat IK in conflict met de directie ben gekomen doet te kort aan alle pogingen tot constructief in overleg te komen met de directie van mijn kant. Zie punt 1.

7. Kan de heer [A.] de positievere sfeer aanwijzen en wat hij (de directie) hier aan doet? Dan kan ik aanhaken.

8 . Ik zet mijzelf altijd 100% in voor de werkzaamheden die ik doe voor EuroCollege. Dat de heer [A.] hier aan twijfelt is voor mij een novum en niet te relateren aan feedback en/of voortgangsgesprekken van mijn meerderen. Met nadruk wil ik de feedback die ik wel kreeg altijd positief was tot heden.

9. De werkverhouding staat eenzijdig onder druk. Ik ben bereid mij te verbeteren en aan te passen. Ik heb geen enkele behoefte te werken bij een andere werkgever.

(..) Daarnaast zijn mij ook inhoudelijke eenzijdige afspraken opgelegd waar ik ook kort op in wil gaan. Ik heb mijn repliek in italic weergegeven. (…)

2.18

Op 30 januari 2018 besluit [A.] dat een studentenraad opgericht moet worden omdat verschillende studenten beklag hebben gedaan over [verweerder] . ECMS stelt [verweerder] hiervan op de hoogte.

2.19

Naar aanleiding hiervan schrijft [verweerder] op 1 februari 2018 per e-mail aan [K.] - voor zover hier van belang-:

(…) Ik voel mij totaal niet senang. Onlangs is er verkondigd dat er meer budgettair ruimte is voor extra personeel bij het MBO. Onlangs ben ik geschoffeerd omdat ik mijn uren niet maak. Binnenkort verwacht ik alle extra uren uitbetaald. Dit gaat totaal voorbij aan mijn eigen wensen en aan de mantra van het senior management, ik maak die uren en ik leef niet in wanen. Het senior management is niet in control in mijn optiek.

Ik voel mij totaal niet gewaardeerd, gepoogd te schoffering en gepasseerd. Onnodig gezien mijn pro actieve houding. Ik heb als werknemer een actieve rol aangenomen om zaken recht te rekken. Extra mensen ernaast, prima. Maar alle uren die ik extra doe zijn gratis en niet gewaardeerd.

Ik word geschoffeerd door iemand in de organisatie die niet zijn eigen geld kan tellen. Ik komt tot 8.1 miljoen, 2 miljoen, 3 miljoen, 4 miljoen, 5 miljoen aii…. Lukt me ook niet… toch zo dom als ik beschreven ben,

Ik ben aangetrokken als ondernemer. Prima

Waardeer (betaal) me als de ondernemer of verwacht mij als werknemer

Geen gejank van senior management ten opzichte van mij.

Regel dit acuut, aub!”

2.20

Op 12 februari 2018 besluit ECMS een crisisteam op te richten om de problemen op het mbo op te lossen. Besloten is dat enkele stafleden zich zullen gaan bezighouden met het wegwerken van achterstanden. [K.] en Henriquez gaan zich richten op begeleiding van studenten, waaronder bijlessen.

2.21

Op 14 februari 2018 schrijft [A.] aan [verweerder] en [L.] dat hij de volgende dag een gesprek wil met [verweerder] over zijn “oncollegiaal gedrag” en “nalatigheid in het werk”. [verweerder] antwoordt hierop afwijzend, onder meer omdat hij zich bij dit gesprek wil laten bijstaan.

2.22

Op 16 februari 2018 wordt [verweerder] verzocht een vergadering bij te wonen waarin de situatie op het mbo wordt besproken binnen het crisisteam en waarin een nieuwe taakverdeling wordt gemaakt. [verweerder] verzet zich hiertegen.

2.23

Op 16 februari 2018 vindt de volgende mailwisseling plaats tussen [A.] en [verweerder] .

[A.] aan [verweerder] :

“(…)Na ons gesprek is het duidelijk dat jij een compleet andere visie hebt op waarom zaken bij t mbo niet gebeuren dan de rest van de organisatie.

Ik stel voor dat we bijv 2 wekelijks gaan zitten opdat ik je kan bijpraten/inwerken in wat EC is en waar EC voor staat. Dit is belangrijk om jou zo beter te laten functioneren en bewegen maar nog belangrijker is dat de mbo studenten zich prettig en goed begeleid op school voelen.

Momenteel zijn veel studenten negatief over de begeleiding en begeleiders van t mbo. Vragen worden niet meer gesteld omdat er niets mee gedaan wordt. Dat doet mij pijn.”

Hierop antwoordt [verweerder] - onder meer-:

“De duidelijkheid die u schetst deel ik niet. Voor mij is nog niets duidelijk. Mijn eigen visie is mijn eigen visie, mijn professionele visie als werknemer bij Euro College is ook duidelijk.

(…)

Ik heb 0,0 inzicht in de meningen van studenten die u schetst terwijl er elk kwartaal enquêtes worden afgenomen. Nog nooit gezien. Onprettig.

Ik heb 10,10 inzicht in de meningen van werknemers en ex-werknemers. Beschamend. Gelukkig ligt de waarheid in het midden.

Ik vroeg nog of ze oud-werknemers genoemde wilde worden zoals men gewend is bij de Mariniers… helaas was het ex. Schande!

(…)

Ik hoor dat ik in deze organisatie alleen sta in mijn observaties. De organisatie deelt mijn mening niet. Dat maakt de organisatie blind en verloren. Ik zeg dit deels vanuit mijn eigen arrogantie maar niet mijn functie in EuroCollege en ook omdat ik mij stoel op (corporate) benchmarks.

Met simpele handreikingen is de derde pilaar aan het onderwijs weer te herstellen. Alle negativiteit weg. Een efficiënt bedrijf. Mooie eventuele pensioen exit, wat u wilt/

Het betreurt mij dat al mijn e-mails negatief worden opgevat terwijl het goedbedoelde adviezen zijn waar andere ondernemers grof voor betalen.

Dus bij deze wijs ik uw uitnodiging af tenzij u mij als werknemer in mijn hoedanigheid dit expliciet beveelt. Dan laat ik de cruciale verbeterpunten voor mij, dit valt niet in mijn functieomschrijving.”

Hierop antwoordt [A.] :

“(…) Jammer dat je steeds dwarsligt. Ik reik je een hand. Het is vreemd dat jij een aanbod om beter ingewerkt te worden afwijst.

Ik begrijp jouw vijandigheid niet.

In ieder geval is duidelijk dat jij niet mee wil werken. Het gevolg van deze houding is dat t mbo daar niet beter van word. Ik zal dit meenemen in mijn verdere planning. Uiteindelijk zal op t mbo een passend team neergezet moeten worden.”

In reactie hierop schrijft [verweerder] :

“(…) Als u dat denkt succes!

Het is uiteraard bezijden de waarheid.

Ik neem het ook mee in mijn planning, om een passend team neer te zetten bij het MBO of ergens anders in de organisatie. (…)”

2.24

Op 16 februari 2018 schrijft [verweerder] aan [L.] :

“(…) Afgelopen woensdag werd ik een vergadering ingeroepen door de heer [A.] . Achteraf bleek dat het gesprek van woensdag dezelfde toon en onderwerp had als het op korte termijn aangekondigde gesprek van de donderdag waar ik aangaf mij te willen laten bijstaan.

Hier voel ik mij niet prettig bij. Het lijkt mij dat het niet zo kan zijn dat als ik aangeef dit soort vergaderingen mij te laten bijstaand ik op de gang waar lessen plaatsvinden gesommeerd word om toch ad hoc dit soort vergaderingen te voeren.

Het gaat hier niet om gesprekken van luchtige aard maar over gesprekken over mijn functioneren.

(…) Dit is niet de eerste keer en dit belemmert mij in mijn functioneren, motivatie en geestelijke gesteldheid. (...)

Vandaag kreeg ik een e-mail van de heer [A.] die niet strookt met het besprokene afgelopen woensdag. Er wordt in deze e-mail gesuggereerd dat ik niets snap en alles verkeerd doe, althans dat ik nog ingewerkt dien te worden (ik ben al ongeveer 3 jaar werkzaam bij EuroCollege). U zult nooit van mij horen dat ik alles goed doe, maar ik kan niets met deze feedback. Ik vraag elke keer weer om concretisering van dit soort statements zodat ik mijzelf kan verbeteren. Nog nooit in mijn gehele werkzame periode heb ik inhoudelijke en concrete feedback gehad over mijn functioneren.

1x heb ik een functioneringsgesprek gehad waarvan de uitkomst positief was. Mijn verzoek om een tweede functioneringsgesprek omdat ik mij graag verbeter is tot op heden niet gereageerd.

Elk semester worden enquêtes afgenomen, ik heb nog ooit mijn resultaten of dat van ons team mogen inzien, ook niet na herhaaldelijk verzoek. Wat ik wel hoor is dat ik alles ontzettend slecht doe, mij als ambtenaar opstel, de laatste is dat ik mij als een heer Roemer (..) opstel (…)terwijl ik de organisatie probeer te verbeteren en voor mijn eigen rechten opkom. (…)

2.25

Op 20 februari 2018 reageert [L.] op de e-mails van [verweerder] van 16 februari 2018 aan [A.] . [L.] schrijft:

“Even voor alle duidelijkheid. Wij hebben vorige week met elkaar afgesproken dat je geen emails meer de organisatie in zult sturen om het belang van het gehele MBO-team te behartigen en ook van jezelf.

Dat je nu weer in deze emailwisseling terecht bent gekomen met de heer [A.] ervaar ik dan ook zelf als zeer teleurstellend en niet conform onze eerder gemaakte afspraak.

Wat mij nu wel echt dwars zit is dat de heer [A.] je een handreiking doet om aan tafel te gaan zitten met elkaar om elkaar beter te leren begrijpen en om meer op 1 lijn te komen te zitten qua visie.

Voor alle duidelijkheid; binnen elk bedrijf is “de golden rule” dat je de communicatielijnen met elkaar open houdt en of je dat zelf nu wel leuk vindt of niet is gewoon geen onderwerpen van gesprek, want als er niet meer wordt gecommuniceerd dan wordt er als het ware zand in het gestrooid en dan stagneert elke organisatie en kan er ook geen sprake zijn van onderling begrip en van vooruitgang.

Ik ga er dan ook vanuit dat je gewoon op dit aanbod van de heer [A.] ingaat en zijn uitnodiging om aan jou uit te leggen waar EC voor staat nu wel me beide handen aangrijpt. (…).”

2.26

Op 11 maart 2018 schrijft [verweerder] aan mevrouw [T.] , secretaresse:

“(…) De heer [A.] wil graag salariëring in het algemeen en meer specifiek die van mij toelichten op het EuroCollege samen met mevrouw [B.] tijdens een afspraak.

Kunt u een vergadering inplannen. Komende drie (3) weken ligt mijn focus op het herstellen van de schade die is berokkend bij het MBO. Mijn agenda is derhalve beperkt (…). Kunt u zo vriendelijk zijn (…) een afspraak in te plannen?”

Hierop antwoordt [A.] aan [verweerder] :

“(…) Focus je eerst maar op het herstel en de schade die oa jij op t mbo hebt aangericht.

In juni zullen mevrouw [B.] en ik je dan uitleggen dat we je salaris niet verhogen zolang je blijft steken op je huidige werkniveau en de wijze waarop jij voortdurend loopt te zieken en te etteren.”

En later schrijft [A.] :

“Laten we duidelijk zijn. Ik zie je liever gaan dan blijven. Ik vind je een onprettig persoon, je werkt slecht samen, je bent slecht geïnformeerd. Je stelt nooit vragen. Als collega slaag je er altijd in veel werk voor een ander te laten liggen. Je voert je functie niet uit. Je probeert te treiteren en bent vooral steeds bezig anderen te irriteren.

Je geef zelf aan dat je niet zelfstandig kunt functioneren; je hebt taken nodig. Iemand moet zeggen wat je moet doen. Terwijl alles wat je moet doen in handleidingen staat. Bizar natuurlijk.

Grote vraag is natuurlijk waarom je bij EC blijft.”

En daarna:

“(…) Gezien je gebrek aan loyaliteit, de wijze waarop jij je steeds meent te keren tegen de school wil ik jou niet meer zien op open dagen en avonden.(…)”

2.27

Op 14 maart 2018 schrijft [verweerder] aan [A.] :

“(…) Kunt u kwantificeren en kwalificeren welke schade ik heb aangericht bij het MBO?

Daarnaast werk ik ver onder mijn marktwaarde gezien mijn kwaliteit en ook ver onder mijn marktwaarde in het onderwijs.

(…) Wat u ziet als zieken als etteren zie ik als opbouwende kritiek en wijzen op plichten.”

2.28

Op 16 maart 2018 schrijft [A.] aan [verweerder] :

“(…) Gezien de incidenten waar jij bij betrokken bent geweest tijdens t Gala van vorig jaar heb ik liever niet dat jij dit jaar komt.

Daarbij, staf- mag niet drinken op t Gala - is dan aan t werk. Daar jij je uren op de minuut bijhoudt wil ik voorkomen dat je mij verwijten gaat maken dat je teveel werkt. Ik heb liever dat jij je concreet op het realiseren van je functie van studie en studentenbegeleider.

Overigens zoals is gebleken uit de mbo-raad is er nog veel te doen aan de kwaliteit van jouw begeleiding. Veel studenten voelen zich niet gehoord en gezien.”

2.29

Daarop antwoordt [verweerder] :

“(…) Ik ben bij 0 incidenten aanwezig geweest bij het gala.

Indien staf aan het werk is tijdens het gala dienen ze uitbetaald te worden,

De MBO raad bestaat uit 1e jaars… ik begeleid tweedejaars.

Kap om met je heen te zwaaien laat me je helpen en mijn werk doen.

Er is zoveel aan te merken hoe u mijn uren via management te werk stelt, om te huilen.

Hopelijk wordt aan aangifte wel snel verwerkt.

Dit is niet leuk meer.”

2.30

Op 19 april 2018 heeft ECMS [verweerder] een waarschuwing gegeven. De brief vermeldt - voor zover hier van belang- :

“(…) Op woensdag 18 april 2018 heeft u om 10.35 een mail gestuurd met daarin een schermprint van de agenda van de heer [O.] . De heer [O.] heeft echter geen machtiging aan u gegeven om zijn agenda in te kunnen zien (…) U heeft zich hiermee op een oneigenlijke, grove manier ongeoorloofd toegang verschaft tot informatie die niet voor u bestemd is.

Hiermee heeft u een grens van het fatsoenlijke en betamelijke overschreden die voldoende grond geeft om u een officiële waarschuwing te geven. (…)”

2.31

In reactie op de waarschuwingsbrief schrijft [verweerder] op 19 april 2018:

“(…) Dank dat u zich zo zorgen maakt over mijn ziekte. Ik voel mij hier ontzettend prettig bij. Mocht u het nog niet duidelijk zijn, dit is cynisme.

Dit soort e-mails bevorderen niet mijn herstel. Ik heb meerdere malen aangegeven een zeer hoge werkdruk te ervaren, niet gewaardeerd en zelfs gepest voel op EuroCollege door de directie en collega’s. Recent is het mij zelfs verboden om op open dagen en avonden te komen en zelfs op het gala “omdat ik op mijn uren let.”

Meer dan 2 jaar werk ik structureel meer dan 50 uur per week en recent zelfs op zaterdagen en op vrijdagen terwijl ik een arbeidscontract heb voor 4 dagen (ma-do 32 uur) met minimale opname vakantie.

Ik ben ziek tot mijn grote spijt en daar baal ik ontzettend van. (…)

Ik ben heftig geëmotioneerd dat met zeer groot gemak mijn functioneringsgesprek wegens een niet gemotiveerd agendaconflict wordt geannuleerd terwijl ik daar zo lang naar uitzie.

(…)

Ik heb met goede bedoelingen en pragmatisch zoals altijd een oplossing proberen te zoeken en met die reden zijn agenda geopend.

1. Kunt u mij precies uitleggen wat ik precies verkeerd heb gedaan met het inzien van een agenda van een collega (studiebegeleider IBE) van het HBO? Daar zijn toch juist agenda’s voor?

2. Kunt u mij ook wijzen op instructie vanuit EuroCollege dat het inzien van agenda’s niet is toegestaan en ik hierop geattendeerd ben (…)

3. U waarschuwt mij voor het gebruik van informatie die met mij gedeeld wordt. Dat mag blijkbaar niet. Hoe wilt u dat ik mijn werkzaamheden uitvoer?

4. Kunt u mij aangeven hoe ik op een oneigenlijke manier deze informatie tot mij heb gekregen?

Uw aantijgingen en beschuldigingen zijn zelfs zo ernstig dat ik graag bewijs zie van mijn opzet en strafbaarheid van het beïnvloeden van een geautomatiseerd werk om data te bemachtigen met kwaadaardige bedoelingen die mij niet toekomt en/of computervredebreuk te plegen. Ik voel mij in mijn goede naam aangetast dat u dit zo stelt. Gezien hoe snel dit word opgepakt daarna dit bewijs voor 20 april 0:00 leveren.

Ik zou willen dat u mij aanspreekt met de heer [verweerder] en niet mijn voornaam. (…)”

2.32

Op 2 mei 2018 heeft ECMS [verweerder] geschorst. De brief luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“ (…) U heeft zich naar aanleiding van ons conflict hierover en over andere zaken ziek gemeld. Hieraan voorafgaand heeft u:

  • -

    Ondanks een verbod van mij daartoe regelmatig lopen borrelen na afloop van de lessen met studenten die zich in een kwetsbare leeftijd bevinden. U nam hen ook mee naar netwerkborrels.

  • -

    Zo bent u vorig jaar, na afloop van het gala 2017, (ondanks een verbod om met studenten uit te gaan) toch mee gaan borrelen met studenten. Op de WhatsApp opnames, die onder onze studenten circuleerden, is een dronken en uit de band springende heer [verweerder] zichtbaar. Er is zelfs sprake geweest van agressief gedrag van jouw kant richting de studenten.

  • -

    Er (...) kwamen klachten over uw studentikoze en onprofessionele gedrag en u bent hier meermaals door mij op aangesproken.

  • -

    In reactie hierop begon u mij in de late avonduren ongepaste e-mails te versturen waarvoor ik u ook heb gewaarschuwd om dit na te laten.

Sinds uw afwezigheid hebben wij naar aanleiding van het bovenstaande verder onderzoek gedaan naar uw omgang met studenten en ouders. Daaruit is onder meer gebleken dat:

  • -

    Studenten en ouders aangeven dat vragen veelal onbeantwoord bleven, begeleiding uitbleef en zaken niet geregeld waren of werden;

  • -

    Studenten aangeven dat zij uw gedrag en uitlatingen onprofessioneel vinden en schadelijk voor de school, hun school.

  • -

    U samen met [S.] minimaal een keer absentiepercentages hebt opgehoogd opdat de student alsnog examen kon doen. Deze student had veel lessen gemist. (…)

  • -

    U tegen minimaal een student gezegd heeft dat u beslag op het huis van de heer [A.] gaat leggen als u ontslagen wordt.

Tot slot destabiliseert u EuroCollege in het licht van uw geventileerd voornemen om de school te willen kopen - door tijdens uw afwezigheid geruchten te verspreiden dat u bent ontslagen - terwijl dat niet het geval is - en de suggestie te wekken dat Euro College zijn accrediterende erkenning dreigt te verliezen - terwijl dat ook niet het geval is. Op grond van het vorenstaande kunnen wij niet anders concluderen dan dat u moedwillig aan de poten van de school zaagt. (…)

2.33

Op 25 juni 2018 heeft ECMS met [verweerder] gesproken. Het verslag vermeldt hierover - voor zover hier van belang-:

“(…)

Context

Echter gedurende de laatste schoolweken heeft [verweerder] het vertrouwen van de EuroCollege studenten en hun ouders en EuroCollege als onderneming geschaad. In gesprekken met ouders en studenten heeft hij aangegeven bij ouders en studenten dat “EuroCollege mogelijk geen diploma’s kan afgeven” en/of “studenten hun opleidingen niet zouden kunnen afronden”. Deze uitlatingen hebben tot veel onrust geleid onder studenten en ouders. Omdat de relatie EuroCollege - Klant (ouder/student) geschonden was heeft EuroCollege de vestiging mbo moeten herbemannen en klantvergaderingen moeten beleggen om het geschonden vertrouwen te herstellen. Dankzij de herbemanning en de belegde bijeenkomsten is de rust op de vestiging teruggekeerd. Gezien de vertrouwensbreuk tussen EuroCollege en [verweerder] heeft EuroCollege besloten dat hij geen contact meer met klanten; ouders en studenten mag onderhouden. [verweerder] geeft aan dat dat de keuze van EuroCollege is.

(…)

De volgende afspraken zijn gemaakt.

(…)

[verweerder] zal op maandag en donderdag aanwezig zijn op EuroCollege. Hij begint om 8.30 uur en werkt het aantal uren dat de Arbo-arts hem heeft aangeraden.

Er zal een werkplek aanwezig zijn op de 6e verdieping of extern; dat het prikkelarm is zal leidend zijn in die keuze;

(…)

[verweerder] heeft geen contact met studenten en/of ouders, studie-en studentenbegeleiders mbo.

[verweerder] komt niet op de 1e, 4e of 5e verdieping (lees: waar studenten zich bevinden) van EuroCollege.”

2.34

Op 24 juli 2018 adviseert de bedrijfsarts om mediation in te zetten om het conflict op te lossen.

2.35

Op 28 september 2018 heeft ECMS [verweerder] een (laatste) waarschuwing gegeven. ECMS schrijft:

“(…) Helaas zijn we genoodzaakt om u weer, maar ditmaal voor het laatst een schriftelijke waarschuwing te geven naar aanleiding van uw voortdurende provocaties, intimidaties en feitelijk getreiter richting EuroCollege.

(…) Uw diverse e-mails, laatstelijk aan de afdeling marketing waarin u zichzelf uitnodigt voor de diploma-uitreiking van hedenavond zijn zeer ongewenst, temeer daar wij de afgelopen maanden geconfronteerd zijn met beschadigde studenten en bezorgde ouders. Het behalen van hun diploma vandaag is evident niet dankzij u maar ondanks de door u aangerichte schade. U heeft hiermee onze school en daarmee ook uw werkgever in diskrediet gebracht (…).”

2.36

Op 28 maart 2019 adviseert de bedrijfsarts om in een gesprek met een onafhankelijke derde de miscommunicatie te bespreken en een structurele oplossing te zoeken.

2.37

Op 4 april 2019 heeft [verweerder] het UWV om een deskundigenoordeel gevraagd. Op 29 april 2019 heeft het UWV geconcludeerd dat ECMS onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht door geen mediationtraject in te zetten.

2.38

In mei 2019 is mediation gestart. Op 1 juli 2019 heeft [verweerder] zich opnieuw ziek gemeld. De mediation is hervat, maar uiteindelijk zonder succes afgebroken.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

ECMS heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] per de eerste mogelijke datum te ontbinden. Aan dit verzoek heeft ECMS ten grondslag gelegd dat sprake is van een dermate ernstig verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW, dat niet van haar kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2

ECMS verwijt [verweerder] dat hij heeft getracht een coupe te plegen door collega’s te verzamelen om ECMS over te nemen, hij onophoudelijk negatieve en cynische e-mails heeft gestuurd waarin hij de positie van de directeur van ECMS ondermijnt, stelselmatig zijn leidinggevende heeft genegeerd om zich rechtstreeks tot de directeur te wenden, terwijl hem dit bij herhaling is verboden, en hij de directeur van ECMS heeft geprovoceerd en getreiterd. Daarnaast heeft [verweerder] door zijn gedragingen en uitlatingen tegenover ouders en studenten ECMS in diskrediet gebracht. [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en het verstoord raken van de arbeidsverhouding is in grote mate aan hem toe te rekenen. Aan [verweerder] komt daarom geen transitievergoeding toe.

4 Het verweer en de voorwaardelijke zelfstandige tegenverzoeken

4.1

[verweerder] erkent dat de arbeidsrelatie ernstig en blijvend is verstoord, maar volgens hem is dit te wijten aan ernstig verwijtbaar handelen van ECMS. Door overbelasting, aanhoudende verwijten en een pestcultuur heeft [verweerder] zich vanwege overspannenheid moeten ziekmelden. De ziekmelding van [verweerder] is niet serieus genomen en ECMS heeft er alles aan gedaan om hem weg te werken. De adviezen van de bedrijfsarts zijn genegeerd, met name het advies om tot mediation te komen. Pas nadat het UWV in het deskundigenoordeel heeft geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen van ECMS onvoldoende waren is, ruim negen maanden na de ziekmelding, mediation gestart. Dat heeft geen resultaat meer gehad.

4.2

[verweerder] verzoekt toekenning van de wettelijke transitievergoeding, door [verweerder] berekend € 5.511,00 bruto, rekening houdend met structureel door hem gewerkte overuren, en daarnaast een billijke vergoeding van € 44.174,16,00 bruto vanwege ernstig verwijtbaar handelen van ECMS. Voorts verzoekt [verweerder] bij het bepalen van de einddatum van het dienstverband rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn, zonder aftrek van de proceduretijd.

5 De beoordeling

Het verzoek van ECMS

Redelijke grond

5.1

Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden wanneer daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Gelet op de inhoud van de processtukken, waaronder de geciteerde e-mails, en hetgeen partijen ter zitting over en weer naar voren hebben gebracht, waarbij [verweerder] de verstoorde arbeidsrelatie heeft erkend en ook vindt dat de arbeidsrelatie moet eindigen, is voldoende duidelijk geworden dat deze ernstig en duurzaam verstoord is geraakt. Een en ander zodanig dat de arbeidsrelatie in redelijkheid niet kan worden voortgezet.

5.2

Herplaatsing in een andere functie ligt niet in de rede nu de verstoring voor een belangrijk deel betrekking heeft op de relatie van [verweerder] met de directie van ECMS die aan de onderneming leiding geeft. Herplaatsing ligt te minder in de rede nu beide partijen de onderlinge verhouding verstoord achten.

5.3

Dit betekent dat er sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g BW.

Opzegverbod

5.4

Naar het oordeel van de kantonrechter houdt het verzoek van ECMS geen verband met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] , zodat ingevolge artikel 7:671b lid 6 BW het opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW niet aan de verzochte ontbinding in de weg staat.

5.5

De arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden.

Datum ontbinding

5.6

Nu het ontbindingsverzoek wordt toegewezen dient de einddatum van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. De wettelijke opzegtermijn bedraagt voor ECMS één maand. ECMS heeft met een beroep op artikel 7:671b lid 8 sub b BW verzocht de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn (eerder) te ontbinden.

5.7

Voor toepassing van artikel 7:671b lid 8 sub b BW moet sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Ernstige verwijtbaarheid als bedoeld in dit artikel doet zich naar het oordeel van de kantonrechter niet voor.

5.8

Met ECMS is de kantonrechter het eens dat de manier waarop [verweerder] zich heeft gedragen en tegenover ECMS heeft opgesteld niet is zoals van een werknemer mag worden verwacht. De talloze e-mails die hij aan de directeur en - vaak in cc aan collega’s - heeft gestuurd geven blijk van onvoldoende gevoel voor verhoudingen. Het kan zo zijn dat [verweerder] het met bepaalde zaken in de onderneming niet eens was, maar dat levert geen rechtvaardiging op voor de stroom e-mails met een vaak verwijtende toon. Daarbij is het niet aan [verweerder] om het beleid in de onderneming te bepalen. Ook de omstandigheid dat [verweerder] - zoals hij niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken - heeft geopperd om ECMS over te nemen en dat hij naar ouders (ten onrechte) heeft gecommuniceerd dat ECMS haar accreditatie dreigde te verliezen en dat hij zou zijn ontslagen valt hem kwalijk te nemen.

5.9

[verweerder] heeft met zijn gedragingen en houding een belangrijke bijdrage geleverd aan het verstoord raken van de arbeidsverhouding en dat kan hem worden aangerekend. Artikel 7:671b lid 8 sub b BW legt de lat hoog door van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer te spreken. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt aan die (strenge) maatstaf niet voldaan. Er bestaat onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat [verweerder] (de reputatie van) ECMS of haar directeur doelbewust heeft willen schaden. Het lijkt er meer op dat [verweerder] een manier zocht om zijn inzichten voor het voetlicht te brengen en, omdat hij vond dat hij onvoldoende gehoor vond, de grenzen van behoorlijke communicatie uit het oog is verloren.

5.10

Omdat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid (als bedoeld in genoemd wetsartikel) wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden met inachtneming van de wettelijke minimum termijn van een maand, dus met ingang van 1 mei 2020.

De zelfstandige tegenverzoeken

Transitievergoeding

5.11

[verweerder] heeft aanspraak op de wettelijke transitievergoeding. Dat zou anders zijn wanneer het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] (artikel 7:673 lid 7 sub c BW). Die situatie doet zich, zoals hiervoor is overwogen, niet voor.

5.12

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] - gelet op de gemotiveerde betwisting door ECMS - in het kader van de berekening van de transitievergoeding onvoldoende onderbouwd dat hij in opdracht van ECMS structureel overuren heeft gewerkt. De transitievergoeding wordt daarom berekend op basis van het overeengekomen salaris en de overeengekomen arbeidsduur zonder rekening te houden met eventuele overuren. Volgens ECMS bedraagt de transitievergoeding dan € 4.406,00 bruto. [verweerder] heeft dit niet weersproken. ECMS zal daarom worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

Billijke vergoeding

5.13

De kantonrechter ziet geen aanleiding om [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5.14

Een billijke vergoeding kan worden toegekend wanneer de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 8 sub c BW). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zich alleen zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de werkgever grovelijk zijn verplichtingen niet nakomt en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als de werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als doel een onwerkbare situatie te creëren. Wat [verweerder] naar voren heeft gebracht is onvoldoende om ernstig verwijtbaar handelen van ECMS aan te nemen.

5.15

[verweerder] stelt dat ECMS niet als goed werkgever heeft gehandeld door van hem lange werktijden te verlangen, onredelijke eisen te stellen, ziekmeldingen en re-integratie niet serieus te nemen en doordat sprake is van pesten en intimidatie. [verweerder] verwijst hiervoor onder meer naar verklaringen van enkele voormalig werknemers van ECMS en een verslag van een gesprek dat hij heeft gehad met de Raadsman pesten op de werkvloer.

5.16

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] onvoldoende met feiten onderbouwd dat EMCS onredelijke eisen aan hem heeft gesteld en onredelijk lange werktijden van hem heeft verlangd. ECMS heeft tegen de stellingen van [verweerder] ingebracht dat [verweerder] juist zelf heeft verkondigd dat hij geen negen tot vijf mentaliteit had (maar in zijn woorden een vijf tot negen mentaliteit). ECMS heeft verder verklaard dat het klopt dat [verweerder] in een bepaalde periode meer uren heeft gewerkt maar dat hij hiervoor door middel van tijd-voor-tijd werd gecompenseerd. Daarbuiten bleef [verweerder] vaak op eigen initiatief langer op school, zonder dat zijn functie hierom vroeg. [verweerder] heeft dit niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Hij heeft verder niet concreet aangegeven welke onredelijke eisen aan hem zijn gesteld, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

5.17

De door [verweerder] overgelegde stukken en wat hij hierover heeft verklaard geven geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van pest- en intimidatiegedrag door ECMS. [verweerder] heeft geen concrete voorbeelden gegeven waaruit dit zou blijken. De overgelegde verklaringen van voormalig werknemers (waarvan enkele betrekking hebben op de periode voordat [verweerder] bij ECMS in dienst trad) bevatten evenmin concrete feiten waaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van pesten of intimidatie van [verweerder] . Ook uit de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen ECMS en [verweerder] blijkt dit niet. Uit deze e-mails kan worden opgemaakt dat [verweerder] soms in stevige bewoordingen op zijn gedrag is aangesproken maar niet zo dat dit moet worden beschouwd als pesten of intimidatie. Hierbij komt dat de bewoordingen van [verweerder] in zijn eigen e-mails ook niet bijdragen aan onderling begrip. Het verslag van het gesprek met de Raadsman geeft evenmin aanleiding om aan te nemen dat [verweerder] is gepest of geïntimideerd aangezien de daarin vervatte conclusies vooral zijn gebaseerd op uitlatingen van [verweerder] zelf. ECMS is hierover in elk geval niet gehoord.

5.18

[verweerder] kan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat ECMS zijn ziekmelding en re-integratie niet serieus heeft genomen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat ECMS zijn ziekmeldingen heeft geaccepteerd, afspraken heeft gemaakt over de re-integratie en dat deze ook zijn uitgevoerd. De kantonrechter is het wel met [verweerder] eens dat ECMS de door de bedrijfsarts geadviseerde mediation eerder had kunnen inzetten. Dat dit niet is gebeurd is echter niet ernstig verwijtbaar. Er zijn geen aanwijzingen dat ECMS mediation heeft geweigerd of doelbewust heeft vertraagd. ECMS heeft toegelicht dat met mediation niet eerder is begonnen omdat zij orde op zaken moest stellen op het mbo en [A.] door overspannenheid minder beschikbaar was. Hierbij komt dat het maar de vraag is of door middel van eerdere mediation de onderlinge verhoudingen tot rust zouden zijn gekomen.

5.19

Voor wat betreft de stelling van [verweerder] dat ECMS hem onterechte waarschuwingen heeft gegeven en heeft geschorst overweegt de kantonrechter het volgende. Van een werkgever mag in beginsel worden verwacht dat hij, alvorens een maatregel op te leggen, met de werknemer spreekt en vervolgens na afweging van feiten en belangen besluit of een maatregel al dan niet terecht is. ECMS had gezien de aan [verweerder] verweten gedragingen (raadplegen van de agenda van een collega, zichzelf uitnodigen voor een diploma-uitreiking, geruchten over het verlies van accreditering) voor mildere maatregelen kunnen kiezen. Aan de andere kant valt te begrijpen dat ECMS de aanhoudende e-mails en de houding van [verweerder] ten opzichte van (de directie van) ECMS als gezagsondermijnend en verstorend heeft ervaren en dat zij een duidelijk standpunt heeft willen innemen. Ernstig verwijtbaar (de wettelijke maatstaf) is dit dus niet.

Proceskosten

5.20

De kosten van de procedure worden gecompenseerd, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten zullen dragen.

Intrekking verzoek

5.12

Omdat geen billijke vergoeding wordt toegekend bestaat er geen aanleiding om ECMS in de gelegenheid te stellen haar verzoek in te trekken.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2020;

veroordeelt ECMS om binnen één maand na ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan [verweerder] de wettelijke transitievergoeding te betalen van € 4.406,00 bruto;

compenseert de kosten van de procedure in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Langeler en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34650