Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6782

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-07-2020
Datum publicatie
30-07-2020
Zaaknummer
C/10/581030 / FA RK 19-7512
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot nihilstelling partneralimentatie, kinderalimentatie en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige, thans meerderjarige.

Loonbeslag wegens zakelijke schulden van de echtgenote van de onderhoudsplichtige geen wijzigingsgrond, ondanks gemeenschap van goederen. Verdiencapaciteit onderhoudsgerechtigde leidt wel tot herbeoordeling van de onderhoudsbijdragen.

Behoefte en behoeftigheid minderjarige en jongmeerderjarige met eigen inkomen. Verzoek onderhoudsbijdrage voor de inmiddels meerderjarige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/581030 / FA RK 19-7512

Beschikking van 3 juli 2020 betreffende de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

en [naam (jong)meerderjarige], de jongmeerderjarige, thans meerderjarige,

beide wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

advocaat mr. H.A. Schipper te 's-Gravenhage.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 28 augustus 2019;

  • -

    de brief met bijlagen van de man van 11 september 2019;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op
    2 oktober 2019;

  • -

    de brief met bijlagen van de man van 2 oktober 2019;

  • -

    de pleitnotities met bijlagen van de man, ingekomen op 10 oktober 2019;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 11 oktober 2019;

  • -

    de pleitnotities van de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] van 15 oktober 2019;

  • -

    de brieven met bijlagen van de man van 8 maart 2020 en 26 mei 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] van 27 mei 2020;

  • -

    de pleitnotities van de man van 4 juni 2020.

1.2.

De minderjarige [naam minderjarige] heeft zijn mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

1.3.

De mondelinge behandeling van de (bodem)zaak heeft plaatsgevonden op 5 juni 2020.

Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de man met zijn advocaat;

  • -

    de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] met hun advocaat.

1.4.

De advocaat van de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] heeft tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities met bijlagen overgelegd en voorgedragen.

1.5.

De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling kennisgenomen van de eerder in de procedure overgelegde maar toen niet goed leesbare salarisstroken van de vrouw van 10 juni 2020, zoals met partijen is afgesproken.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn op 20 september 1996 gehuwd.

2.2.

De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2002 te [geboorteplaats] ;

en van de inmiddels meerderjarige:

[naam (jong)meerderjarige] , geboren op [geboortedatum (jong)meerderjarige] te [geboorteplaats] .

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2014 is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken. Op 31 december 2014 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

Bij voormelde beschikking is het convenant, waarvan het ouderschapsplan deel uitmaakt, gehecht en gewaarmerkt.

2.5.

Uit het convenant volgt – voor zover van belang – het navolgende.

“(…)

De kinderen

2. Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, welk plan als bijlage aan dit convenant is gehecht. De afspraken in het ouderschapsplan maken deel uit van dit convenant.

Partneralimentatie

3. De man zal met ingang van 1 januari 2015 maandelijks bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand aan de vrouw voldoen een bedrag van € 850,- bruto, als bijdrage in haar levensonderhoud. Deze bijdrage zal jaarlijks worden verhoogd volgens de geldende wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, en wel voor het eerst per 1 januari 2016.

4. De regeling, vermeld in het voorgaande artikel kan wel bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden.

5. Conform art.1:160 BW eindigt de partneralimentatieplicht definitief indien de alimentatiegerechtigde in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat of gaat samenwonen met een ander als waren zij gehuwd.

(…)”

2.6.

Uit het ouderschapsplan volgt – voor zover van belang – het navolgende.

“(…)

Financieel

Dagelijkse kosten

18. De dagelijkse kosten ten aanzien van het kind (zoals voeding en onderdak) komen voor rekening van de ouder waar het kind op het betreffende moment verblijft. Iedere ouder draagt derhalve de eigen dagelijkse kosten.

Kinderalimentatie

19. De vader zal met ingang van 1-1-2015 en zolang de kinderen minderjarig zijn en bij de moeder wonen, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder betalen een bedrag van € 250,- per kind per maand, bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand, te vermeerderen met elke wettelijke kindertoelage waarop hij aanspraak kan maken. Deze bijdrage ten behoeve van de kinderen zal jaarlijks worden verhoogd volgens de geldende wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, en wel voor het eerst per 1 januari 2016.

20. De kosten ten behoeve van sport en school zullen door de vader worden voldaan.

Alimentatie jongmeerderjarige

21. Vanaf het moment waarop een kind meerderjarig wordt betaalt de vader de hiervoor genoemde alimentatie aan het kind zelf op een door het kind aan te wijzen bankrekening, tenzij het kind op dat moment nog bij de moeder woont. In dat geval wordt door de ouders en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang die situatie voortduurt.

(…)”

2.7.

Krachtens wettelijke indexering bedraagt de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage), dat voor [naam (jong)meerderjarige] sinds 17 maart 2017 geldt als een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, op het moment van indiening van het verzoekschrift een bedrag van afgerond € 268,- per maand per kind, exclusief de door partijen overeengekomen aanvullende kosten ten behoeve van sport en school. De uitkering in het levensonderhoud van de vrouw (hierna: partnerbijdrage) bedraagt op het moment van indiening van het verzoekschrift afgerond € 910,- bruto per maand.

2.8.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3. De beoordeling

3.1.

Voorlopige voorziening

3.1.1.

Bij proces-verbaal van 11 oktober 2019 zijn partijen ter beëindiging van de onderhavige procedure in het kader van artikel 223 Rv het volgende overeengekomen:

De vrouw en [naam (jong)meerderjarige] zullen, behoudens loonbeslag, geen executie-maatregelen (laten) treffen ter incasso van de achterstand in alimentatie. Dit geldt voor zowel de kinderalimentatie, de alimentatie voor de destijds jongmeerderjarige als voor de partneralimentatie.

3.1.2.

Op grond van artikel 89 lid 1 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is de

procedure voor wat betreft de voorlopige voorziening met deze schikking geëindigd.

3.2.

Verzoeken in de bodemprocedure

3.2.1.

De man verzoekt wijziging van voormelde beschikking van 27 november 2014 waarin het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan van 24 oktober 2014 zijn opgenomen in die zin, dat de in dat echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan overeengekomen kinderbijdrage, die voor [naam (jong)meerderjarige] sinds 17 maart 2017 geldt als een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, alsmede de uitkering in het levensonderhoud van de vrouw, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift wordt bepaald op nihil.

3.2.2.

De vrouw en [naam (jong)meerderjarige] voeren gemotiveerd verweer en verzoeken zelfstandig:

  1. te bepalen dat de man de afgesproken onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen ook na hun 21e verjaardag moet betalen zolang zij nog een opleiding volgen en behoeftig zijn;

  2. de man te veroordelen tot het betalen van alle kosten verbonden aan de sporten die de kinderen beoefenen, plus schoolopleidingen die de kinderen volgen;

  3. de man te veroordelen tot betaling van € 2.139,- schoolkosten, te voldoen binnen twee weken na de te wijzen beschikking.

3.3.

De ingangsdatum

3.3.1.

Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage bij toewijzing van het verzoek moet worden gewijzigd. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.

Het verzoekschrift is op 28 augustus 2019 bij de rechtbank ingediend, zodat de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] vanaf die datum rekening hebben kunnen houden met een eventuele wijziging dan wel nihilstelling van de onderhoudsbijdragen. Daarom zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum vaststellen.

3.4.

Wijziging van omstandigheden

3.4.1.

De man stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de overeengekomen onderhoudsbijdragen niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoen. De man stelt de volgende wijzigingen:

  1. de draagkracht van de man is afgenomen wegens een toename van schulden;

  2. [naam minderjarige] heeft eigen inkomen van € 800,- netto per maand;

  3. [naam (jong)meerderjarige] heeft eigen inkomen van € 900,- netto per maand;

  4. de vrouw heeft voldoende eigen inkomen dan wel verdiencapaciteit en zij kan interen op (rendement uit) vermogen.

3.5.

Toetsingskader

3.5.1.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld welk toetsingskader van toepassing is op het wijzigingsverzoek van de man. De vrouw stelt dat zij en de man destijds bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, waardoor niet het toetsingskader van artikel 1:401 lid 1 BW geldt, maar de zwaardere toets van artikel 1:159 lid 3 BW van overeenkomstige toepassing is. Volgens de vrouw kan de overeenkomst slechts gewijzigd worden als de man stelt en aannemelijk maakt dat na de overeenkomst een wijziging is opgetreden die maakt dat hij, in het licht van de alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. De vrouw beroept zich op het rechtsgevolg dat een strengere maatstaf dient te gelden, het is dan ook aan haar om te stellen en te onderbouwen dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw dit, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft gedaan. Uit de situatie ten tijde van het uiteengaan blijkt dat de man en de vrouw samen afspraken hebben gemaakt die aan de gezamenlijke advocaat/mediator zijn voorgelegd. De advocaat/mediator heeft volgens beide partijen zonder noemenswaardige eigen inbreng of voorlichting deze afspraken opgenomen in het convenant en ouderschapsplan. De man erkent dat het initiatief voor de afspraken vooral bij hem lag, maar daarmee is een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven niet gegeven. De rechtbank zal het wijzigingsverzoek van de man aldus beoordelen aan de hand van artikel 1:401 lid 1 BW.

3.5.2.

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende het levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.

Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.

3.5.3.

De rechtbank zal de gestelde wijzigingen van omstandigheden hierna achtereenvolgens bespreken.

3.6.

Gewijzigde omstandigheid 1: draagkracht man

3.6.1.

De man stelt dat hij aflost op schulden waardoor hij inmiddels onvoldoende draagkracht heeft om de onderhoudsbijdragen te voldoen. De vrouw en [naam (jong)meerderjarige] betwisten deze wijzigingsgrond gemotiveerd.

3.6.2.

De man is op 27 november 2015 opnieuw in het huwelijk getreden met zijn huidige partner. De man stelt onweersproken dat zij zijn getrouwd in gemeenschap van goederen en dat er sprake is van gemeenschapsschulden. De belangrijkste schulden zijn zakelijke schulden van de echtgenote van de man aan de belastingdienst, vanwege onder andere het niet betalen van de omzetbelasting. Uit het door de man overgelegde schuldenoverzicht blijkt dat per 3 maart 2020 een totale schuld van € 67.581,- bestaat. De man stelt dat zijn draagkracht is afgenomen omdat er loonbeslag is gelegd op het salaris van de man, waarbij alles boven de beslagvrije voet van € 1.695,- per maand wordt ingehouden voor het aflossen van de zakelijke schuld van zijn echtgenote. Volgens de man moet daarom bij het bepalen van zijn draagkracht rekening worden gehouden met een inkomen van € 1.695,-.

3.6.3.

Niet in geschil is dat het jaarinkomen van de man ten tijde van het huwelijk met de vrouw € 84.521,- bruto bedroeg en het jaarinkomen van de man in 2019 bedraagt € 97.287,- bruto, uitgaande van de jaaropgave 2019 minus de fiscale bijtelling wegens privégebruik van een auto van de zaak. Dit is dan ook het inkomen waarmee moet worden gerekend. De inhouding op het salaris als gevolg van het beslag is een aflossing op de schulden van de echtgenote van de man. De vraag is of met deze schulden rekening moet worden gehouden.

3.6.4.

De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat de echtgenote van de man aansprakelijk is voor haar eigen schulden. De gemeenschap van goederen brengt niet mee dat de man voor deze schulden mede aansprakelijk wordt. Wel zal hij in beginsel in de verhouding tot zijn echtgenote mede draagplichtig zijn voor deze schuld en kan de schuld door de schuldeiser op hem worden verhaald, maar de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] stellen zich terecht op het standpunt dat hieruit niet zonder meer volgt dat het ten opzichte van de alimentatiegerechtigden redelijk is bij het bepalen van de draagkracht al dan niet gedeeltelijk met deze schuld rekening te houden. In beginsel wordt met de schulden van derden, waaronder een nieuwe echtgenote, geen rekening gehouden. Het ligt daarom op de weg van de man om duidelijk te maken dat zijn echtgenote de schuld niet zelf kan voldoen en dat het daarom, op grond van zijn onderhoudsplicht jegens haar, aan hem is om de schuld af te lossen dan wel verhaal zonder terugbetaling door de echtgenote aan hem te accepteren.

3.6.5.

De man heeft de kolommenbalansen van de onderneming van zijn echtgenote van de jaren 2018 en 2019 overgelegd waaruit inderdaad blijkt dat er in 2019 sprake was van een verlies van grofweg € 20.065,-, maar de rechtbank heeft geen recente gegevens over de omzet in 2020 en ook geen aangiften en aanslagen inkomstenbelasting. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen wat het totale inkomen van de echtgenote van de man is en de rechtbank heeft ook geen enkel inzicht gekregen in de huidige inkomens- en vermogenspositie van de man en zijn echtgenote. De man heeft zijn, door de vrouw betwiste, stelling dat zijn echtgenote niet kan werken vanwege een burn-out onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft alleen stukken ontvangen waaruit blijkt dat zij naar de fysiotherapeut gaat en een niet toegelicht overzicht van een aantal medicijnen. Van de zijde van de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] is in het verweerschrift al verzocht om meer inzicht in de eventuele financiële reserves van de echtgenote van de man, maar de man heeft hierover geen duidelijkheid gegeven. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man dan ook onvoldoende onderbouwd dat de schuld voor rekening van de man moet komen omdat zijn echtgenote deze schuld zelf niet kan voldoen.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de echtgenote van de man kennelijk wel € 350,- per maand aflost op een eigen, voorhuwelijkse schuld, alsmede € 200,- per maand aan aflossing betaalt voor een schuld van de man, die ook weer is ontstaan door de oorspronkelijke zakelijke schuld van de echtgenote van de man.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat er op het punt van de draagkracht van de man sprake is van een rechtens relevante wijziging die maakt dat de onderhoudsbijdragen niet langer voldoen aan de wettelijke maatstaven.

3.7.

Gewijzigde omstandigheid 2: inkomen [naam minderjarige]

3.7.1.

De man stelt dat de minderjarige [naam minderjarige] niet behoeftig is, omdat hij € 800,- netto per maand verdient met ingang van september 2019 en daarmee in zijn eigen behoefte kan voorzien.

3.7.2.

De rechtbank stelt voorop dat behoeftigheid bij minderjarige en jongmeerderjarige kinderen geen vereiste is om aanspraak te hebben op een bijdrage in het levensonderhoud. Wel kunnen structurele eigen inkomsten van een minderjarige of jong-meerderjarige, als deze voldoende substantieel zijn, als behoefteverlagend worden aangemerkt.

3.7.3.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat [naam minderjarige] een leerarbeidstraject volgt waarbij hij ongeveer € 458,- netto per maand verdient, exclusief vakantietoeslag. De rechtbank deelt de opvatting van de vrouw dat het primair op de weg van de ouders ligt en niet van een minderjarige zelf om in eigen levensonderhoud te zien. Gelet op het voorgaande, en de hoogte van het inkomen, is de rechtbank van oordeel dat het inkomen van [naam minderjarige] geen rechtens relevante wijziging is die maakt dat de oorspronkelijke kinderbijdrage niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

3.8.

Gewijzigde omstandigheid 3: inkomen [naam (jong)meerderjarige] als jong-meerderjarige

3.8.1.

De man stelt dat [naam (jong)meerderjarige] niet meer behoeftig is sinds het indienen van zijn verzoekschrift omdat zij in eigen levensonderhoud kan voorzien.

3.8.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat [naam (jong)meerderjarige] na de zomer van 2019 aan een Hbo-opleiding is begonnen, maar dat zij in februari 2020 met deze opleiding is gestopt en nu tijdelijk wat meer uren bij Jumbo werkt, totdat zij in september 2020 zal beginnen met een andere Hbo-opleiding. Volgens de verder onbetwiste verklaring van [naam (jong)meerderjarige] verdiende zij van augustus 2019 tot en met februari 2020 een paar honderd euro per maand. De rechtbank is van oordeel dat dit inkomen moet worden gezien als bijbaan naast haar studie, en dat dit inkomen onvoldoende substantieel is om als behoefteverlagend aan te merken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het inkomen van [naam (jong)meerderjarige] geen rechtens relevante wijziging is die maakt dat de oorspronkelijke bijdrage in haar levensonderhoud en studie tijdens haar jongmeerderjarigheid niet langer voldeed aan de wettelijke maatstaven.

3.8.3.

Per 17 maart 2020 is [naam (jong)meerderjarige] meerderjarig geworden. Vanaf dat moment gaat het criterium van de behoeftigheid wel een rol spelen. Hierop wordt verder ingegaan bij de bespreking van de zelfstandige verzoeken van de vrouw.

3.9.

Gewijzigde omstandigheid 4. Behoeftigheid vrouw

3.9.1.

De man stelt dat het inkomen van de vrouw en haar verdiencapaciteit zijn gestegen en dat, voor zover dat niet zo is, dit voor haar rekening en risico dient te komen. Uit de salarisstroken van de vrouw van maart-mei 2020 volgt dat zij € 1.306,- bruto ofwel € 1.106,- netto per maand verdient. De man stelt zich op het standpunt dat dit inkomen geëxtrapoleerd dient te worden naar een fulltime dienstverband en salaris (€ 30.487,- bruto per jaar ofwel € 2.434,- netto per maand) omdat nergens uit blijkt dat zij niet meer uren kan werken.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en stelt dat zij sinds juni 2019 eerst 16 uur per week in de zorg werkte, als verzorgende, en vrij snel daarna 20 uur per week, maar dat zij niet meer inkomen kan genereren dan zij op dit moment doet.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende heeft onderbouwd dat zij zich in de afgelopen periode voldoende heeft ingespannen om meer inkomen te generen. De vrouw heeft haar stelling dat zij veel gesolliciteerd heeft en dat het moeilijk is om werk te vinden, niet met stukken onderbouwd. De stelling dat er geen uitbreidingsmogelijkheden zijn bij haar huidige werkgever, is ook niet onderbouwd. Daarbij komt dat de vrouw een kappersopleiding heeft gevolgd en dat zij eveneens onvoldoende heeft onderbouwd dat zij geen (extra) inkomen als kapster kan genereren. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat zij vanwege haar (mentale) gezondheid niet meer uren kan werken. De rechtbank zal het inkomen van de vrouw daarom extrapoleren naar een dienstverband van 36 uur per week, te vermeerderen met vakantiegeld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden en de rechtbank zal hierna berekenen of en in hoeverre dit dient te leiden tot wijziging van de verschillende onderhoudsbijdragen.

3.10.

Onderhoudsbijdrage [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige]

3.10.1.

Tussen partijen is de hoogte van de te wijzigen kinderbijdrage voor [naam minderjarige] en de bijdrage in de kosten voor levensonderhoud en studie van [naam (jong)meerderjarige] in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen conform de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport).

De behoefte

3.10.2.

De man stelt dat de behoefte van [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige] in 2019 € 1.013,- bedroeg, ofwel € 507,- per maand per kind. De vrouw heeft deze behoefte niet betwist en partijen zijn het erover eens dat ook na het achttiende levensjaar (wanneer de kinderen jongmeerderjarig zijn) van deze behoefte moet worden uitgegaan. Gelet op de ingangsdatum van de te wijzigen onderhoudsbijdragen zal de rechtbank laatstgenoemd bedrag als behoefte vaststellen.

Draagkrachtberekening

3.10.3.

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding de behoefte van [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van beider draagkracht.

3.10.4.

Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.

Gezien de ingangsdatum van de wijziging van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2019-II.

Draagkracht man

3.10.5.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man op € 4.716,- per maand ten behoeve van de kinderbijdrage, aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2019, waarop een jaarloon staat vermeld van € 102.711,-. Geen rekening is gehouden met de bijtelling vanwege een auto van de zaak, waardoor het belastbaar jaarloon uitkomt op € 97.287,- bruto.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting.

3.10.6.

De draagkracht van de man moet, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,- per maand, in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 950)].

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.6.5. houdt de rechtbank geen rekening met de fiscale zakelijke schuld van de echtgenote van de man voor de berekening van de draagkracht van de man. De rechtbank houdt eveneens geen rekening met de door de man gestelde creditcardschuld, waarop wordt afgelost met een bedrag van
€ 200,- per maand, omdat de man heeft verklaard dat het aangaan van deze schuld rechtstreeks samenhangt met de zakelijke schulden van zijn echtgenote. Dit betekent dat als met deze creditcardschuld rekening wordt gehouden, de zakelijke schulden van de echtgenote van de man toch (deels) ten laste van zijn draagkracht zouden worden gebracht, terwijl de door de man overgelegde stukken dit niet rechtvaardigen. De rechtbank zal wel rekening houden de persoonlijke lening van de man, te weten het overbruggingskrediet van € 6.000,- waarop de man aflost met een bedrag van € 127,- per maand tot en met mei 2020, omdat vaststaat dat de man deze schuld heeft en deze niet verwijtbaar en/of vermijdbaar is.

De rechtbank zal daarom, conform het verzoek van de man, rekening houden met deze betalingsverplichting in die zin dat in de formule het draagkrachtloos inkomen wordt verhoogd met de aflossing van de huwelijkse schulden van maandelijks € 127,- tot en met mei 2020. De draagkracht van de man bedraagt dus 70% x [€ NBI – (0,3 x NBI + 950 + € 127,-)] = € 1.557,- per maand van 28 augustus 2019 tot en met mei 2020 en € 1.646,- per maand vanaf 1 juni 2020.

Draagkracht vrouw

3.10.7.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI (de verdiencapaciteit) van de vrouw op € 2.288,- per maand ten behoeve van de kinderbijdrage, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 2.351,- (€ 1.306,- geëxtrapoleerd naar 36 uur)

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

- pensioenpremie € 191,- (€ 106,- geëxtrapoleerd naar 36 uur)

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting.

3.10.8.

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 4.244,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.

3.10.9.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,- , vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 950)] en bedraagt € 456,- per maand.

Draagkrachtvergelijking tot 1 mei 2020

3.10.10.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: € 1.557,- / € 2.013,- x € 1.013,- = € 784,-

het deel van de vrouw bedraagt: € 456,- / € 2.013,- x € 1.013,- = € 229,- +

samen € 1.013,-

Van de totale behoefte van [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige] komt dus een gedeelte van € 784,- per maand ofwel € 392,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 229,- per maand ofwel € 115,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Draagkrachtvergelijking vanaf 1 mei 2020

Het deel van de man bedraagt: € 1.646,- / € 2.102,- x € 1.013,- = € 793,-

het deel van de vrouw bedraagt: € 456,- / € 2.102,- x € 1.013,- = € 220,- +

samen € 1.013,-

Van de totale behoefte van [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige] komt dus een gedeelte van € 793,- per maand ofwel € 397,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 220,- per maand ofwel € 110,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

3.10.12.

De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 5%. De vrouw voert verweer.

3.10.13.

De zorgkorting bedraagt in beginsel minimaal 5% van de behoefte van de [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige] . De rechtbank ziet geen aanleiding van dit beginsel af te wijken. Op dit moment is er geen verdeling van de zorg, doch niet gebleken is dat het de man is, die zijn verplichting tot verdeling van de zorg niet nakomt.

3.10.14.

Omdat de behoefte van [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige] € 1.013,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 51,- per maand.

3.10.15.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige] , wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als onderhoudsbijdrage aan de vrouw moet betalen € 733,- per maand, ofwel afgerond € 367,- per maand per kind van 28 augustus 2019 tot 1 mei 2020 en € 742,- per maand, ofwel € 371,- per maand per kind met ingang van 1 mei 2020.

Aanvaardbaarheidstoets

3.10.16.

De man doet voorts een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. Deze toets wordt toegepast indien de onderhoudsplichtige stelt en onderbouwt dat de bijdrage, berekend op basis van zijn inkomen en vermogen en rekening houdend met een redelijk lastenpatroon, onder de gegeven omstandigheden vanwege gebrek aan draagkracht voor hem tot een onaanvaardbare uitkomst zal leiden. Het lag daarom op de weg van de man om zowel de omstandigheden als het gebrek aan draagkracht te stellen en te onderbouwen, waarbij van hem verwacht had mogen worden volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van redelijke inkomsten en uitgaven, met onderliggende stukken – inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen (en die van zijn echtgenote). De man heeft dit niet gedaan en heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht. Het beroep op de aanvaardbaarheidstoets wordt daarom verworpen.

Conclusie

3.10.17.

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam minderjarige] van € 367,- per maand van 28 augustus 2019 tot 1 mei 2020 en van € 371,- per maand met ingang van 1 mei 2020 in overeenkomst met de wettelijke maatstaven. Daarbij is een door te man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [naam (jong)meerderjarige] van € 367,- van 28 augustus 2019 tot 17 maart 2020 (wanneer [naam (jong)meerderjarige] meerderjarig is geworden) in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

De rechtbank mag echter niet buiten de rechtsstrijd van partijen treden. Omdat de man heeft verzocht om nihilstelling van de kinderbijdrage en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie en de vrouw (en [naam (jong)meerderjarige] ten aanzien van haar onderhoudsbijdrage) heeft verzocht om afwijzing van die verzoeken, zal de rechtbank het wijzigingsverzoek van de man afwijzen, nu niet is gebleken dat de wijziging van omstandigheden leidt tot een lagere kinderbijdrage voor [naam minderjarige] en ook niet tot een lagere bijdrage in de kosten voor levensonderhoud en studie van [naam (jong)meerderjarige] . Dat de kosten van sport en school, die volgens het ouderschapsplan naast de overeengekomen kinderbijdrage voor rekening van de man komen zo hoog zijn dat daarover anders zou moeten worden geoordeeld in niet gesteld. De rechtbank acht dit ook niet aannemelijk.

3.11.

Zelfstandige verzoeken vrouw en [naam (jong)meerderjarige] ten aanzien van de kinderen van partijen

3.11.1.

Ten aanzien van de zelfstandige verzoeken oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank wijst af het verzoek om te bepalen dat de man de afgesproken onderhoudsbijdragen ook na de 21e verjaardag van [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige] moet doorbetalen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de rechtsgrond hiervoor niet heeft gesteld en onderbouwd, er bestaat geen contractuele grondslag voor een zodanige onderhoudsplicht en ten aanzien van [naam (jong)meerderjarige] , die inmiddels meerderjarig is, is haar behoeftigheid onvoldoende vast komen te staan. [naam (jong)meerderjarige] heeft al een Mbo-opleiding en dat zij een Hbo-opleiding wil volgen is begrijpelijk, maar maakt niet zonder meer dat zij behoeftig is.

Ten aanzien van [naam minderjarige] ziet de rechtbank ook geen aanleiding om bij voorbaat ervan uit te gaan dat hij te zijner tijd niet in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

3.11.2.

De rechtbank zal het verzoek om de man te veroordelen tot het betalen van alle kosten verbonden aan de sporten die hun kinderen beoefenen, plus schoolopleidingen eveneens afwijzen. Dit verzoek is te algemeen geformuleerd om zo te kunnen worden toegewezen. Dit zou leiden tot executiegeschillen waarbij geen van partijen gebaat is. Dit laat onverlet de afspraak van partijen in het ouderschapsplan dat de kosten van sport en school door de man worden voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de man tot en met het twintigste levensjaar van de kinderen gehouden deze kosten te voldoen.

3.11.3.

Tot slot zal de rechtbank het verzoek om de man te veroordelen tot betaling van
€ 2.139,- aan schoolkosten toewijzen, omdat deze kosten deugdelijk zijn onderbouwd en vast staat dat de ouders zijn overeengekomen dat de man dit zou betalen. De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer van de man dat deze vordering via een dagvaarding zou moeten worden ingeleid, omdat de grondslag van het zelfstandig verzoek het verstrekken van een bijdrage in het levensonderhoud is.

3.12.

Partneralimentatie

3.12.1.

Tussen partijen is de hoogte van de te wijzigen bijdrage van de man in de kosten voor het levensonderhoud van de vrouw in geschil. De rechtbank zal de partneralimentatie berekenen conform de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport).

Behoefte

3.12.2.

De vrouw stelt dat haar behoefte volgens de Hofnorm moet worden vastgesteld. De man stelt primair dat moet worden uitgegaan van de bijstandsnorm, omdat de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de Hofnorm wel moet worden toegepast, berekent de man de behoefte van de vrouw op € 1.891,- netto per maand in 2014. De vrouw gaat van hetzelfde bedrag uit.

De rechtbank is van oordeel dat de man de toepasselijkheid van de Hofnorm onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, nu hij heeft volstaan met een kale betwisting waarbij hij slechts verwijst naar ‘vaste jurisprudentie’ in het algemeen.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van een behoefte van € 1.891,- netto per maand in 2014 en stelt de rechtbank de geïndexeerde behoefte van de vrouw in 2019 vast op € 2.092,-.

3.12.3.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI (de verdiencapaciteit) van de vrouw op € 1.934,- per maand ten behoeve van de partneralimentatie, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 2.351,- (€ 1.306,- geëxtrapoleerd naar 36 uur)

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

- pensioenpremie € 191,- (€ 106,- geëxtrapoleerd naar 36 uur)

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting.

3.12.4.

Op de behoefte van de vrouw moet haar inkomen (verdiencapaciteit) van € 1.934,- netto per maand, inclusief vakantiegeld, in mindering worden gebracht, waarna een aanvullende behoefte van € 158,- netto per maand resteert.

3.12.5.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) de behoefte van de vrouw vast op € 158,- netto per maand, ofwel € 255,- bruto per maand.

Draagkrachtberekening

3.12.6.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage voor de vrouw te voldoen.

3.12.7.

De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport).

3.12.8.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man op € 4.716,- per maand ten behoeve van de partneralimentatie, aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2019, waarop een jaarloon staat vermeld van € 102.711,-. Geen rekening is gehouden met de bijtelling vanwege een auto van de zaak, waardoor het belastbaar jaarloon uitkomt op € 97.287,- bruto.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting.

3.12.9.

De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de man de navolgende, niet betwiste maandelijkse lasten in mindering op het hiervoor berekende netto besteedbaar inkomen:

  • -

    Het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 1.030,-;

  • -

    De ziektekosten van € 117,-, bestaande uit de premie voor een zorgverzekering, inclusief aanvullende verzekeringen, van € 120,-, verminderd met het al in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 35,- en vermeerderd met het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden van € 32,-;

  • -

    De aflossing van het overbruggingskrediet van € 6.000,-, waarop de man aflost met een bedrag van € 127,- per maand tot en met mei 2020.

3.12.10.

Ten aanzien van de betwiste lasten overweegt de rechtbank hierna per post als volgt:

De rechtbank houdt bij de vaststelling van de draagkracht van de man rekening met de helft van de woonlasten van de man en zijn echtgenote, omdat het uitgangspunt is dat echtgenoten de woonlasten delen en de man onvoldoende heeft onderbouwd dat dit onder de gegeven omstandigheden onredelijk is. De rechtbank houdt rekening met de woonlasten van € 347,-, bestaande uit de helft van de huurlast (inclusief enige servicekosten) van € 573,-, verminderd met de gemiddelde basishuur van € 226,-.

De rechtbank houdt geen rekening met de fiscale schuld van de echtgenote van de man en met de creditcardschuld, gelet op hetgeen hierover is overwogen onder rechtsoverweging 3.10.6.

Conclusie

3.12.11.

Uit het voorgaande volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal
€ 1.621,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 3.095,- per maand resteert, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de kinder- en partnerbijdrage, zijnde een bedrag van € 1.857,- per maand.

3.12.12.

Na aftrek van de onderhoudsbijdragen voor [naam minderjarige] en [naam (jong)meerderjarige] in 2019 van in totaal
€ 536,- (€ 268,- per maand per kind) resteert een bedrag van € 1.321,- netto per maand, ofwel € 2.662,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Vanaf 17 maart 2020 is de man niet langer onderhoudsplichtig voor [naam (jong)meerderjarige] , zodat vanaf dat moment resteert een bedrag van € 1.589,- netto per maand.

In bovenstaande berekening is geen rekening gehouden met de kosten van sport en school die de man ten behoeve van de kinderen dient te voldoen zolang zij de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de gemiddelde hoogte van deze kosten, zodat deze de rechtbank niet bekend zijn. Deze kosten kunnen echter buiten beschouwing blijven, omdat de behoefte van de vrouw aan alimentatie de vast te stellen bijdrage zodanig beperkt, dat onaannemelijk is dat de kosten van sport en school tot een andere uitkomst zouden hebben geleid.

3.12.13.

Derhalve is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering in haar levensonderhoud ter hoogte van de aanvullende behoefte van de vrouw van € 255,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank ziet geen aanleiding een nieuwe berekening te maken voor de situatie na 1 juni 2020, wanneer de man niet langer aflost op het overbruggingskrediet met € 127,- per maand, omdat dit niet zal leiden tot een lagere partnerbijdrage gelet op het grote verschil in draagkracht van de man en aanvullende behoefte van de vrouw.

Jusvergelijking

3.12.14.

De man verzoekt de rechtbank een zogenaamde “jus”-vergelijking te maken, zodat de rechtbank de financiële situatie van partijen op basis van ieders inkomen en lasten zal vergelijken. Omdat bij de rechtbank geen lasten van de vrouw bekend zijn, zal de rechtbank bij de vrouw enkel rekening houden met de bijstandsnorm en dezelfde zorgpremie als bij de man.

3.12.15.

De vergelijking van de draagkrachtruimten van beide partijen geeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding de partnerbijdrage op een ander bedrag vast te stellen dan de € 255,- waar de vrouw behoefte aan heeft.

Limitering/afbouw

3.12.16.

Wat betreft het verzoek van de man de alimentatieduur te beperken van maximaal één tot drie jaar, althans deze in een afbouwend schema te bepalen, overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW (oud) heeft, omdat het huwelijk van partijen meer dan vijf jaar heeft geduurd, in beginsel als uitgangspunt te gelden dat de verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud aan de vrouw van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden in verband met het ingrijpende karakter van een limitering van de partnerbijdrage voor de onderhoudsgerechtigde hoge eisen gesteld aan de stelplicht van degene die om limitering verzoekt alsmede aan de motivering van de rechter (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695). Een limitering houdt namelijk in dat de alimentatieverplichting definitief eindigt. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor hem of haar passende wijze in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

3.12.17.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.12.18.

De rechtbank is van oordeel dat door de man geen zodanig bijzondere feiten en omstandigheden zijn gesteld dat daaruit een toewijzing van zijn verzoek tot limitering dan wel afbouw kan volgen. Het gaat om een langdurig huwelijk (bijna twintig jaar) waaruit twee kinderen zijn geboren. Hierbij was sprake van een traditioneel huwelijk en rollenpatroon, waarbij de man de kostwinner was en de vrouw de hoofdverzorgster van de kinderen, die nog steeds bij de vrouw inwonen. Wat de man aan zijn verzoek tot limitering ten grondslag heeft gelegd, komt hoofdzakelijk neer op de stelling dat de vrouw inmiddels moet worden geacht volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. De rechtbank heeft de vrouw reeds een fulltime verdiencapaciteit toegerekend, waarmee zij nog niet in staat zou zijn om in haar volledige behoefte te voorzien. De door de man aangevoerde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de wettelijke termijn te beperken tot één tot drie jaar. Het verzoek van de man tot limitering dan wel afbouw van de verplichting tot levensonderhoud wordt derhalve afgewezen.

Proceskosten

3.12.19.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2014 en het daarin opgenomen het echtscheidingsconvenant van 24 oktober 2014 in die zin, dat de tussen partijen overeengekomen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 28 augustus 2019 wordt bepaald op € 255,- per maand;

4.2.

veroordeelt de man tot betaling van de schoolkosten van € 2.139,- aan de vrouw, binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beschikking;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Wieman-Bart rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Stolk op 3 juli 2020.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.