Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6769

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
8605272 VZ VERZ 20-12647
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

aanzegvergoeding, 7:668 BW, mondelinge verlenging niet voldoende

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0956
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8605272 VZ VERZ 20-12647

Uitspraak: 4 augustus 2020

Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] , hierna: ‘ [verzoeker] ’,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. L. van Luipen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THE ART HOTEL B.V., hierna: ‘The Art Hotel’,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: [naam gemachtigde] te Ridderkerk.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, met producties, van [verzoeker] , op 25 juni 2020 ter griffie ontvangen;

  • -

    het verweerschrift gedateerd 15 juli 2020 van The Art Hotel, met producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft op 21 juli 2020 via Skype plaatsgehad, dit in verband met de coronamaatregelen, tezamen met de mondelinge behandeling van een door [verzoeker] jegens The Art Hotel aanhangig gemaakte kort geding procedure, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer 8605069 VV EXPL 20-246.

1.3

Aan de zitting hebben deelgenomen [verzoeker] en zijn gemachtigde en voorts namens The Art Hotel de heer [naam persoon 1] , bijgestaan door de gemachtigde van The Art Hotel. De gemachtigden van partijen hebben ieder het eigen standpunt mondeling toegelicht. Ook partijen zelf zijn in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven. Van hetgeen ter zitting is verhandeld, heeft de griffier aantekening gehouden.

1.4

De datum voor deze uitspraak is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld of blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend of niet (voldoende) zijn bestreden:

2.1

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 1 oktober 2019 voor de bepaalde duur van één maand in dienst getreden van The Art Hotel, in de functie van nachtreceptionist, tegen een loon van € 1.700,- netto per maand, exclusief emolumenten, bij een 38-urige werkweek.

2.2

Bij brief van 31 oktober 2019 heeft The Art Hotel aan [verzoeker] bevestigd dat zijn arbeidsovereenkomst met zes maanden wordt verlengd, derhalve tot 1 mei 2020, en dat zijn salaris met ingang van 1 november 2019 is verhoogd naar € 1.850,- netto per maand, exclusief emolumenten, bij een 38-urige werkweek.

2.3

De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2020 voortgezet en [verzoeker] heeft (in ieder geval) nog gewerkt voor The Art Hotel op 1, 4, 5, 6, 7 en 8 mei 2020.

2.4

Op 6 en 9 mei 2020, beide keren aan het einde van zijn dienst, heeft The Art Hotel [verzoeker] verzocht een brief gedateerd 29 april 2020 te ondertekenen. In die brief bevestigt The Art Hotel dat zij de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 op gelijke voorwaarden wenst voort te zetten voor de duur van drie maanden (tot 1 augustus 2020). Toen [verzoeker] , evenals hij op 6 mei 2020 had gedaan, op 9 mei 2020 weigerde die brief te ondertekenen, heeft The Art Hotel hem naar huis gestuurd.

2.5

[verzoeker] heeft voor wat betreft de periode sindsdien jegens The Art Hotel verklaard bereid en beschikbaar te zijn om zijn werkzaamheden te hervatten.

3. Het geschil

3.1

[verzoeker] heeft verzocht bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, The Art Hotel te veroordelen om binnen tien dagen na de datum van de te geven beschikking aan [verzoeker] te betalen:

  1. de aanzegvergoeding als bedoeld in artikel 7:668 lid 3 BW ter grootte van € 1.850,- netto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid en met een bedrag van € 277,50 aan buitengerechtelijke kosten, en

  2. voorwaardelijk, voor het geval komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de datum van de te geven beschikking is geëindigd, de wettelijke transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid en met een bedrag van € 56,24 aan buitengerechtelijke kosten,

met veroordeling van The Art Hotel in de kosten van de procedure.

3.2

Ter toelichting daarop heeft [verzoeker] -samengevat en voor zover nu van belang- aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2020 stilzwijgend is verlengd zodat de arbeidsovereenkomst geacht wordt met opnieuw zes maanden te zijn voortgezet, derhalve tot 1 november 2020. Niet juist is dat er, naar The Art Hotel heeft gesteld, op 30 maart 2020 met [verzoeker] zou zijn gesproken over een verlenging van de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 met drie maanden, laat staan dat die verlenging toen mondeling zou zijn overeengekomen.

Nu The Art Hotel niet heeft voldaan aan haar verplichting om [verzoeker] uiterlijk een maand voordat de tweede arbeidsovereenkomst eindigde (per 1 mei 2020), schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst (en ingeval van voortzetting ook over de voorwaarden waaronder zij de arbeidsovereenkomst wilde voortzetten), is zij [verzoeker] op grond van artikel 7:668 lid 3 BW een aanzegvergoeding van € 1.850,- netto verschuldigd. Niet juist is dat zij [verzoeker] op 29 april 2020 een brief heeft overhandigd waarin zij kenbaar maakt de arbeidsovereenkomst met drie maanden te willen voortzetten. Die brief heeft zij namelijk pas op 6 mei 2020 aan hem overhandigd. En al zou [verzoeker] die brief wel op 29 april 2020 hebben ontvangen, dan nog is The Art Hotel hem een aanzegvergoeding gelijk aan 29/30ste deel van zijn maandloon verschuldigd.

Naast de aanzegvergoeding van € 1.850,- netto maakt [verzoeker] jegens The Art Hotel aanspraak op de wettelijke rente daarover en op een bedrag van € 277,50 als vergoeding voor de door zijn gemachtigde verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden.

Voor het geval zou komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst ten tijde van de te geven beschikking is geëindigd, maakt [verzoeker] voorts jegens The Art Hotel aanspraak op de wettelijke transitievergoeding, eveneens vermeerderd met wettelijke rente en met een bedrag van € 56,24 aan buitengerechtelijke kosten.

3.3

Het door The Art Hotel gevoerde verweer laat zich -ook voor zover nu van belang -als volgt samenvatten.

Van een stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 is geen sprake. Tijdens een gesprek op 30 maart 2020 tussen de heren [naam persoon 2] en [naam persoon 3] namens The Art Hotel en [verzoeker] is namelijk mondeling een verlenging van zijn arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 met drie maanden overeengekomen. Er was om die reden voor The Art Hotel ook geen noodzaak meer het einde van rechtswege van zijn (tweede) arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 schriftelijk te bevestigen.

Op 29 april 2020 heeft The Art Hotel [verzoeker] een schriftelijke bevestiging van deze verlenging overhandigd en heeft zij hem verzocht die te ondertekenen. Daarop heeft [verzoeker] verzocht een exemplaar van deze brief mee naar huis te mogen nemen om die goed door te kunnen nemen en deze dan de volgende dag weer mee te nemen. Hij had de volgende dag echter geen getekend exemplaar bij zich.

[verzoeker] heeft daarna aan de heer [naam persoon 3] van The Art Hotel te kennen gegeven dat hij de brief niet wilde tekenen omdat hij het niet eens was met de duur van de verlenging. Hij verzocht om een verlenging voor de duur van twaalf maanden of ten minste zes maanden. The Art Hotel heeft [verzoeker] daarop medegedeeld dat zij bleef bij de op 30 maart 2020 mondeling overeengekomen verlenging voor de duur van drie maanden. [verzoeker] heeft daarna ondanks herhaald aandringen geweigerd de brief van 29 april 2020 te tekenen. Uiteindelijk heeft The Art Hotel [verzoeker] de toegang tot de werkvloer ontzegd.

The Art Hotel stelt zich op het standpunt dat zij geen aanzegvergoeding aan [verzoeker] is verschuldigd gegeven de reeds op 30 maart 2020 mondeling overeengekomen verlenging van de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 met drie maanden. Vanaf die datum was hij dus al op de hoogte van die verlenging en hij heeft de schriftelijke bevestiging daarvan al dan niet bewust weten te voorkomen door de brief van 29 april 2020 niet te tekenen.

3.4

Op hetgeen partijen overigens nog naar voren hebben gebracht, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 7:668 lid 1 BW The Art Hotel in dit geval verplicht was uiterlijk een maand voor het einde van rechtswege van de tweede arbeidsovereenkomst (1 mei 2020) [verzoeker] schriftelijk te laten weten of zij de arbeidsovereenkomst daarna wilde voortzetten en zo ja, onder welke voorwaarden.

4.2

Dit schriftelijkheidvereiste is van dwingend recht, zodat voor de aanspraak daarop niet van belang is of The Art Hotel, naar zij heeft gesteld maar [verzoeker] heeft betwist, [verzoeker] op 30 maart 2020 mondeling heeft medegedeeld de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 te willen verlengen (met drie maanden).

4.3

Op grond van artikel 7:668 lid 3 BW is de werkgever die de aanzegverplichting in het geheel niet is nagekomen, aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor een maand, door [verzoeker] onweersproken gesteld op € 1.850,- netto. Ingeval te laat is aangezegd, is de werkgever een vergoeding verschuldigd ten bedrage van het loon over de periode dat de verplichting te laat is nagekomen.

4.4

Uit de stellingen van The Art Hotel begrijpt de kantonrechter dat zij, weliswaar te laat, aan haar aanzegverplichting heeft voldaan door [verzoeker] op 29 april 2020 een brief te overhandigen waarin zij bevestigt de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 op gelijke voorwaarden te willen voortzetten. [verzoeker] heeft echter uitdrukkelijk betwist die brief op die datum van The Art Hotel te hebben ontvangen. Volgens [verzoeker] werd hem die brief eerst op 6 mei 2020 overhandigd.

4.5

Geoordeeld wordt dat bij deze stand van zaken, zonder verder bewijs, niet vast staat dat The Art Hotel deze brief op 29 april 2020 aan [verzoeker] heeft overhandigd. Op de voet van artikel 150 Rv rust de bewijslast ter zake van de juistheid van die stelling hier op The Art Hotel. Zij heeft echter geen bewijs aangeboden, terwijl de kantonrechter ook geen termen aanwezig acht haar ambtshalve tot bewijslevering toe te laten, te minder nu The Art Hotel niet heeft verklaard waarom, als juist is dat partijen al op 30 maart 2020 mondeling een verlenging per 1 mei 2020 (met drie maanden) van de arbeidsovereenkomst zouden zijn overeengekomen, zij dit niet al toen maar eerst een maand nadien, juist voor het verstrijken van de duur voor welke de tweede arbeidsovereenkomst werd aangegaan, schriftelijk aan [verzoeker] heeft bevestigd.

4.6

Dat heeft tot gevolg dat haar verweer dat zij deze brief op 29 april 2020 aan [verzoeker] heeft overhandigd, wordt verworpen. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat The Art Hotel haar aanzegverplichting jegens [verzoeker] in het geheel niet is nagekomen.

4.7

Dat betekent dat de verzochte aanzegvergoeding van € 1.850,- netto toewijsbaar is.

4.8

Ook de door [verzoeker] verzochte wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) over de aanzegvergoeding en de door hem verzochte buitengerechtelijke kosten zijn, als op de wet gegrond en door The Art Hotel ook niet (afzonderlijk) bestreden, toewijsbaar.

4.9

[verzoeker] heeft nog verzocht, maar slechts voor het geval zou komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de datum van deze beschikking is geëindigd, hem een transitievergoeding toe te kennen, vermeerderd met wettelijke rente en met buitengerechtelijke kosten.

4.10

Overwogen wordt dat partijen het erover eens zijn dat de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 in ieder geval met drie maanden is verlengd, derhalve tot 1 augustus 2020, volgens The Art Hotel omdat dat is overeengekomen en volgens [verzoeker] omdat de arbeidsovereenkomst op 1 mei 2020 zonder tegenspraak is voortgezet, en daarom (op grond van artikel 7:668 lid 4 BW) geacht wordt voor opnieuw zes maanden te zijn voortgezet, derhalve tot 1 november 2020. Niet vast staat dan ook dat op de datum van deze beschikking de arbeidsovereenkomst tussen partijen reeds is geëindigd, terwijl overigens het standpunt van [verzoeker] nu juist is dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt (tot 1 november 2020). De vraag of de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd per 1 augustus 2020, zal, zoals ter mondelinge behandeling ook aan de orde is gekomen, beantwoord dienen te worden in een volgende (bodem)procedure.

4.11

Nu, gezien het voorgaande, de voorwaarde waaronder het verzoek sub b is ingesteld, niet is vervuld, komt de kantonrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.

4.12

The Art Hotel wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure, zoals hierna gemeld, dit in verband met de aan [verzoeker] verleende toevoeging. Daarbij merkt de kantonrechter volledigheidshalve op dat bij de vaststelling van het salaris voor de gemachtigde van [verzoeker] rekening is gehouden met het feit dat de mondelinge behandeling in deze zaak gelijktijdig heeft plaatsgevonden met die in de door [verzoeker] jegens The Art Hotel aanhangig gemaakte kort geding procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt The Art Hotel om binnen tien dagen na heden aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 1.850,- netto aan aanzegvergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening, en voorts een bedrag van € 277,50 aan buitengerechtelijke kosten;

- veroordeelt The Art Hotel in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 83,- aan griffierecht en € 480,- aan salaris voor zijn gemachtigde, van welke bedragen het totaal (van € 563,-) rechtstreeks aan die gemachtigde moet worden voldaan;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654