Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6762

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2020
Datum publicatie
30-07-2020
Zaaknummer
C/10/525628 / HA ZA 17-410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2019:2350; eindvonnis; er is sprake van wilsovereenstemming tussen de klanten en Nationale Nederlanden op het punt van de kosten. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van de gehele gang van zaken rond het sluiten van de overeenkomsten. Er is geen sprake van oneerlijke bedingen. Op het punt van het tussentijds afkopen zijn partijen het bij nader inzien eens dat de wijze van in rekening brengen van de kosten niet of nauwelijks verschil maakt. Er is dus geen leemte die aangevuld zou moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 5, p. 229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/525628 / HA ZA 17-410

Vonnis van 29 juli 2020

in de zaak van

de vereniging

CONSUMENTENBOND,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. D. Beljon te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R. van de Klashorst te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de Consumentenbond en NN genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 maart 2019, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de conclusie/akte uitlaten van de Consumentenbond,

  • -

    de conclusie na tussenvonnis van NN, met producties 62 tot en met 67,

  • -

    het faxbericht van 22 januari 2020 van mr. Kloppenburg namens NN,

  • -

    het faxbericht van 23 januari 2020 van mr. Beljon,

  • -

    de antwoordconclusie van de Consumentenbond, met producties 1 en 2,

  • -

    de antwoordconclusie na tussenvonnis van NN.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Het tussenvonnis van 27 maart 2019

2.1.

In het tussenvonnis van 27 maart 2019 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank – samengevat weergegeven en voor zover hier relevant – geoordeeld dat NN met betrekking tot de NN-beleggingsverzekeringen heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen op grond van de Derde levensrichtlijn en de daaruit voortvloeiende regelgeving, zodat de vorderingen onder V, W, X en Y (zie 3.1 tussenvonnis) moeten worden afgewezen (zie 4.18 – 4.56 tussenvonnis).

2.2.

Ten aanzien van het hefboom- en inteereffect heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat NN geen waarschuwingsplicht heeft geschonden en dat om die reden de vordering onder P moet worden afgewezen (zie 4.57 – 4.59 tussenvonnis).

2.3.

Met betrekking tot de vraag of er een contractuele grondslag is voor het in rekening brengen van de eerste kosten verzekeraar, eerste kosten assurantietussenpersoon en doorlopende kosten assurantietussenpersoon, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de vraag of wilsovereenstemming is bereikt over het in rekening brengen van die kosten (4.78 tussenvonnis). Daarnaast heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze waarop deze kosten in de tijd werden verdeeld en de gevolgen daarvan voor tussentijdse beëindiging (4.79 tussenvonnis) en over de invulling van een mogelijk leemte (4.80 tussenvonnis).

2.4.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de vorderingen onder J tot en met O, Q en R met betrekking tot de overlijdensrisicopremie zullen worden afgewezen (zie 4.83 – 4.93).

2.5.

Tot slot heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de minimaal (door de assurantietussenpersoon) te verstrekken contractsdocumentatie (zie 4.94 tussenvonnis).

Verschrijving

2.6.

In het tussenvonnis is onder 4.60 verwezen naar 2.3 onder b (eerste kosten verzekeraar), c (doorlopende kosten verzekeraar) en e (doorlopende kosten assurantietussenpersoon) en is onder 4.95 vermeld dat partijen zich ter zake de wilsovereenstemming mochten uitlaten over de eerste en doorlopende kosten NN en de eerste en doorlopende kosten assurantietussenpersoon. Naar NN terecht aanvoert is op deze punten sprake van kennelijke verschrijvingen. Tussen partijen is immers in geschil of er een contractuele grondslag is voor het in rekening brengen van de eerste kosten NN, de eerste kosten assurantietussenpersoon en de doorlopende kosten assurantietussenpersoon. Rechtsoverweging 4.60 van het tussenvonnis moet daarom worden gelezen dat bedoeld is “…(zie 2.3 onder b, d en e)”. Daarnaast is in rechtsoverweging 4.95 bedoeld “eerste kosten NN en de eerste en doorlopende kosten assurantietussenpersoon”.

2.7.

In 4.81 van het tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat de eerste en doorlopende kosten assurantietussenpersoon verdeeld over de maanden van de gehele looptijd werden doorberekend aan de polishouder, verhoogd met een rentevergoeding van 8% per jaar in verband met de gespreide inhouding. NN voert aan dat ook hier sprake is van een kennelijke verschrijving. Alleen de doorlopende kosten assurantietussenpersoon worden over de gehele looptijd verrekend en daarover wordt geen rentevergoeding berekend, aldus NN inmiddels, na het tussenvonnis. De Consumentenbond heeft dat niet betwist. De rechtbank zal in het midden laten of op dit punt sprake is van een kennelijke verschrijving, nu de hiervoor bedoelde vaststelling in 4.81 van het tussenvonnis niet dragend is voor de onderhavige beslissing.

Kosten

2.8.

De rechtbank heeft NN in de gelegenheid gesteld haar stellingen dat wilsovereenstemming is bereikt nader toe te lichten (zie 4.78 en 4.95 tussenvonnis). Essentieel is of de gemiddelde consument/verzekeringnemer, gegeven de verstrekte informatie, de universal life systematiek en de (veronderstellenderwijs door de assurantietussenpersoon verstrekte) complete documentatie, in redelijkheid moet hebben begrepen dat hij, met het opnemen van de overeengekomen bruto premie in het aanvraagformulier, en omdat het verwachte eindkapitaal in de offerte was opgenomen, ook instemde met de door de Consumentenbond aan de orde gestelde kosten; en dat tevens NN er daarom van uit mocht gaan dat die consument daarmee instemde en er dus per saldo wilsovereenstemming is bereikt (vgl 4.71 tussenvonnis).

2.9.

In haar conclusie na tussenvonnis heeft NN toegelicht dat zij in de procedure tot aanvraag van een NN-beleggingsverzekering (via de assurantietussenpersoon) de volgende documenten aan de verzekeringnemer verstrekte:

- een offerte, inclusief – afhankelijk van de periode waarin de offerte werd afgegeven – een toelichting, productleeswijzer en/of financiële bijsluiter;

- een blanco aanvraagformulier (en een blanco gezondheidsverklaring).

In de offerte werden onder meer de bruto premie en netto voorbeeldkapitalen vermeld. De in het geding zijnde kosten waren verwerkt in de tariefstructuur op basis waarvan de netto voorbeeldkapitalen waren berekend.

Daarnaast verstrekte NN via de assurantietussenpersoon, afhankelijk van de specifieke periode, de brochure(s) zoals vermeld onder 2.5 van het tussenvonnis.

Op basis van de offerte vulde de (aspirant)verzekeringnemer (bijgestaan door de assurantietussenpersoon) het aanvraagformulier in, waarop onder meer de bruto premie en de hoogte van uitkering bij overlijden/in leven zijn op een nader te bepalen datum (zie tussenvonnis) ingevuld moesten worden. Na ontvangst van het aanvraagformulier, en na controle van de gegevens op het aanvraagformulier (in combinatie met de gezondheidsverklaring), zond NN de polis met de bijbehorende polisvoorwaarden aan de assurantietussenpersoon, die de complete set documentatie aan de verzekeringnemer verstrekte. In de polis werden de premie, uitkering en het toepasselijke tarief bevestigd. NN stelt dat na acceptatie van het op basis van de offerte ingevulde aanvraagformulier wilsovereenstemming werd bereikt over alle in de bruto premie en de netto voorbeeldkapitalen verwerkte kosten. NN heeft zich steeds aan de offerte, op basis waarvan de verzekeringnemer de NN-beleggingsverzekering had aangevraagd, gehouden en heeft haar beleggingsverzekeringen overeenkomstig de tariefstructuur, die aan de offerte ten grondslag lag, uitgevoerd. Dat is wat de verzekeringnemer van NN mocht verwachten, aldus NN.

2.10.

De Consumentenbond stelt dat de verzekeringsovereenkomst tot stand kwam op

grond van de in de offerte opgenomen informatie en de daarbij aangeleverde contractsdocumentatie. Om tot wilsovereenstemming te komen over de eerste kosten NN, eerste kosten assurantietussenpersoon en doorlopende kosten assurantietussenpersoon, had NN bij de totstandkoming van de overeenkomst minimaal die documentatie moeten verstrekken waaruit – kort gezegd – de gemiddelde consument/verzekeringnemer redelijkerwijs had moeten begrijpen dat bovenvermelde kosten in rekening werden gebracht. De door NN verstrekte documentatie voldeed niet aan die eis. Uit de onder 2.5 van het tussenvonnis vermelde documentatie blijkt niet of slechts zeer summier welke kosten specifiek in rekening werden gebracht, hoe hoog deze kosten waren en op welke wijze zij in rekening werden gebracht. Doordat de (aspirant)verzekeringnemers nooit kennis kunnen hebben nemen van deze kosten, is over deze kosten geen wilsovereenstemming ontstaan. Nu geen wilsovereenstemming bestaat over de kosten, heeft NN in de door haar gehanteerde systematiek een te hoog bedrag aan kosten ingehouden, waardoor het voor de verzekeringnemers resterende bedrag aan participaties te laag is geweest. Dit is een leemte die als gevolg van het ontbreken van wilsovereenstemming omtrent de kosten is ontstaan. Deze leemte in de overeenkomst dient te worden ingevuld door het deel van de door middel van de bruto premie aangekochte participaties dat door NN als (de rechtbank begrijpt) de aan de orde zijnde eerste kosten NN en eerste en doorlopende kosten tussenpersoon werd ingehouden, alsnog aan de verzekeringnemers te laten toekomen.

2.11.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals reeds is overwogen in het tussenvonnis onder 4.67 kwalificeert de NN-beleggingsverzekering als levensverzekeringsovereenkomst waarvan de kenmerkende elementen de (hoogte van de) premie en de (te verwachten) uitkering bij leven of overlijden zijn (zie 4.68 tussenvonnis). De Consumentenbond heeft niet betwist dat de feitelijke gang van zaken zo was dat de verzekeringnemer, via de tussenpersoon, op basis van de aan hem verstrekte offerte een door hem ingevuld aanvraagformulier indiende bij NN.

Partijen zijn echter kennelijk verdeeld over de vraag hoe dit juridisch geduid dient te worden. De rechtbank begrijpt het standpunt van de Consumentenbond zo, dat de offerte van NN als het aanbod moet worden gezien.

Dat standpunt wordt niet gevolgd. De stukken die NN voor het tot stand komen van de overeenkomst via de tussenpersoon aan de verzekeringnemer verstrekte, waaronder de offerte, moeten worden gezien als een uitnodiging tot het doen van een aanbod. Zoals ook is vermeld in de toelichting bij artikel 2 lid 3 RIAV 1998, moet het indienen van het aanvraagformulier door de verzekeringnemer bij de verzekeraar worden gezien als een aanbod tot het sluiten van een verzekering op universal life-basis van de verzekeringnemer aan de verzekeraar. Indien de verzekeraar het aanbod aanvaardt, komt de beleggingsverzekeringsovereenkomst tot stand en laat de verzekeraar dat aan de verzekeringnemer weten door toezending van de polis en de polisvoorwaarden. Volgens het geldende verzekeringsrecht (artikel 7:932 BW) wordt de overeenkomst vastgelegd in een akte, genaamd polis; in die polis pleegt verwezen te worden naar de van de overeenkomst deel uitmakende polisvoorwaarden. Ook naar het in de betreffende periode geldende recht gold dat de verzekeringsovereenkomst vastgelegd werd in een polis met polisvoorwaarden.

De offerte maakt dus geen onderdeel uit van de beleggingsverzekeringsovereenkomst, maar speelt wel een rol bij de uitleg van de overeenkomst, als relevante omstandigheid. Op de daarin vermelde gegevens baseert de verzekeringnemer immers de invulling van het aanvraagformulier. Zoals reeds is overwogen in het tussenvonnis onder 4.63 zijn bij de uitleg van de NN-beleggingsverzekering alle omstandigheden van het geval van belang, zij het dat deze collectieve actie in dit opzicht beperkingen meebrengt.

Hetzelfde geldt voor de onder 2.5 van het tussenvonnis vermelde algemene documentatie, nu de verzekeringnemer ook die kon betrekken bij het invullen van het aanvraagformulier en daarmee bij zijn aanbod. Zoals reeds is overwogen onder 4.15 van het tussenvonnis gaat de rechtbank er in deze collectieve actie van uit dat die brochures door de tussenpersoon aan de verzekeringnemers zijn verstrekt. In deze collectieve actie kan immers niet per individuele verzekeringnemer worden vastgesteld welke documentatie is verstrekt en ontvangen.

2.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verzekeringnemers voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst in ieder geval zijn geïnformeerd over de bruto premie die NN voornemens was in rekening te brengen als een overeenkomst tot stand zou komen. Die premie was, zoals NN onweersproken heeft toegelicht (zie 2.9), vermeld in de offerte en diende door de verzekeringnemer te worden ingevuld op het aanvraagformulier. De kosten werden, gelet op de universal life systematiek, pas geïnd na de omzetting in participaties (units) op naam van de verzekeraar. De bruto premie werd helemaal belegd in units en vervolgens werden vanuit de units de kosten, ook de eerste kosten NN en de eerste en doorlopende kosten assurantietussenpersoon, voldaan door een gedeelte van die units weer te verkopen (zie 4.66 en 4.74 tussenvonnis). Zoals reeds is overwogen waren deze kosten, gelet op de universal life systematiek, geen kosten die volgens artikel 2 lid 2 onder r RIAV 1998 ‘naast’ de bruto premie in rekening worden gebracht, zodat daarvan geen (kwantitatieve) weergave diende te worden gegeven (zie tussenvonnis onder 4.74). Voormelde kosten waren ook geen kosten voor nevendekkingen of kosten die andere aanbieders van beleggingsverzekeringen helemaal niet in rekening brachten (zie 4.74 tussenvonnis). Daarnaast bestond er tot 2008 ook geen (algemene) verplichting tot het vermelden van de diverse kostensoorten (zie 4.32 tussenvonnis).

2.13.

Over het andere kenmerkende element van de levensverzekeringsovereenkomst, de uitkering, werden de verzekeringnemers in de offerte geïnformeerd via

voorbeeldkapitalen. Dit waren bij bepaalde voorbeeldscenario’s behorende

netto rekenvoorbeelden. NN stelt dat alle door de Consumentenbond aan de orde gestelde kosten waren verwerkt in deze in de offerte vermelde netto voorbeeldkapitalen en dat deze netto voorbeeldkapitalen werden berekend aan de hand van dezelfde berekeningswijze (tariefstructuur) als die ten grondslag lag aan de berekening van de werkelijk opgebouwde waarde tijdens de gehele looptijd van de beleggingsverzekering. De Consumentenbond heeft dit op zich niet gemotiveerd weersproken.

Naar het oordeel van de rechtbank verkreeg de verzekeringnemer door middel van de netto

voorbeeldkapitalen dus indirect inzicht in het totaaleffect van alle kosten en inhoudingen

gezamenlijk op de uiteindelijk te verwachten uitkering (in het betreffende

voorbeeldscenario).

Van de gemiddelde verzekeringnemer (zie 4.16 tussenvonnis) mag verwacht worden dat hij begreep dat het bedrag van de uitkering zou wijzigen, indien het scenario waarop de voorbeeldkapitalen gebaseerd waren wijzigde (door de uiteindelijke koersontwikkeling). De gemiddelde verzekeringnemer moest er verder in redelijkheid van uit gaan dat sprake zou zijn van het berekenen van kosten. In de offertes zijn immers verwijzingen naar kosten vermeld (zie 4.71 tussenvonnis). Daarnaast waren ook in de algemene documentatie (zie 2.5 tussenvonnis) diverse verwijzingen naar kosten vermeld.

Daaraan doet niet af dat NN voor 2008 niet aangaf welke kostensoorten waren verwerkt in het voorbeeldkapitaal. De algemene maatschappelijke opvatting was destijds dat de aspirant-verzekeringnemer niet behoefde te weten welke kostensoorten voor rekening van de verzekeringnemer zouden komen om zich een voldoende beeld van het product te vormen; gedetailleerde informatie over de kosten werd niet nodig geacht (zie 4.31 en 4.32 tussenvonnis). Het ging om de te verwachten netto einduitkering.

2.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met het ondertekenen en het indienen van het aanvraagformulier (dat werd ingevuld op basis van de offerte) bij NN en het aanvaarden van dat aanbod door NN, wilsovereenstemming is ontstaan over het in rekening brengen van de totale kosten die NN in de bruto premie en de netto voorbeeldkapitalen had verwerkt; de grondslag voor de eerste kosten NN, eerste kosten assurantietussenpersoon en doorlopende kosten assurantietussenpersoon is dus te vinden in de wilsovereenstemming over de bruto premie en de uitkering op basis van netto voorbeeldkapitalen. Afzonderlijke wilsovereenstemming over de individuele kostensoorten, die waren verwerkt in de bruto premie en de netto voorbeeldkapitalen, was dus niet noodzakelijk.

Anders dan de Consumentenbond stelt (zie 2.10), is er dus ook geen sprake van een leemte in de verzekeringsovereenkomst vanwege het ontbreken van wilsovereenstemming over de in het geding zijnde kosten.

Tussentijds afkopen

2.15.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat, als gevolg van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten NN en de eerste kosten assurantietussenpersoon gedurende het eerste deel van de looptijd van de verzekering, tussentijdse beëindiging van de polis (afkoop), (zeer) nadelig zou kunnen zijn voor de opbouw van vermogen, omdat de eerste kosten over de dan kortere looptijd veel zwaarder drukken op de inleg zodat het netto productrendement sterk afneemt. De verzekeringnemers mochten in beginsel redelijkerwijs verwachten dat kosten gelijkmatig zouden worden verdeeld over de looptijd van de verzekeringsovereenkomst (zie 4.79 tussenvonnis). Aldus oordeelde de rechtbank dat er mogelijk sprake is van een leemte in de verzekeringsovereenkomsten (zie 4.80 tussenvonnis).

2.16.

Er is sprake van een leemte als wilsovereenstemming op het punt van de wijze van in rekening brengen van bovenvermelde kosten ontbreekt en het noodzakelijk is dat er op dit punt een voorziening wordt getroffen.

2.17.

In hun conclusies na tussenvonnis hebben beide partijen aangevoerd dat het voor de hoogte van de afkoopwaardes weinig tot geen verschil maakt of deze worden vastgesteld op basis van de door NN gehanteerde methode, waarbij de eerste kosten (NN en assurantietussenpersoon) alleen gedurende het eerste deel van de looptijd van de verzekering in rekening werden gebracht, of op basis van de methode van spreiding van de kosten over de gehele looptijd. Dit, (onder meer) omdat bij tussentijdse afkoop altijd de nog niet in rekening gebrachte eerste kosten worden verrekend met de opgebouwde waarde van de polis.

2.18.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de wijze van in rekening brengen van bovenvermelde kosten niet of nauwelijks verschil maakt voor de hoogte van de (tussentijdse) afkoopwaardes, behoeft er geen voorziening te worden getroffen in de hierboven bedoelde zin. Aldus is er geen sprake van een leemte die in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid in de zin van art. 6:248 BW dient te worden ingevuld.

2.19.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen onder A en B moeten worden afgewezen. De vorderingen onder G, H, I, S, T en U zijn daarmee evenmin toewijsbaar. De overige stellingen van partijen met betrekking tot deze vorderingen behoeven geen bespreking meer.

Oneerlijke bedingen

2.20.

Nu er in de wilsovereenstemming over de bruto premie en de uitkering op basis van netto voorbeeldkapitalen een grondslag is te vinden voor de inhouding van de eerste kosten NN en de eerste en doorlopende kosten assurantietussenpersoon, wordt niet toegekomen aan de vorderingen onder C en E (zie 3.1 tussenvonnis). De voorwaarden waaronder die vorderingen zijn ingesteld, zijn immers niet vervuld. Dat geldt niet voor de vorderingen onder D. Met betrekking tot deze vorderingen is aan de orde de vraag of sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van richtlijn 93/13 EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13), die vernietigd moeten worden.

2.21.

NN betwist dat sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93/13 en stelt dat de Consumentenbond bovendien geen belang heeft bij haar vorderingen.

2.22.

Het meest verstrekkende verweer van NN houdt in dat de vordering tot vernietiging van de betreffende bedingen is verjaard door het verstrijken van de termijn van drie jaar van artikel 3:52 lid 1 onder d BW en dat de Consumentenbond om die reden geen belang heeft bij haar betreffende vorderingen.

2.23.

Naar het oordeel van de rechtbank leent de vraag of een bepaalde vordering is verjaard zich in de regel niet voor behandeling in een collectieve actie als de onderhavige. Het antwoord op die vraag is immers afhankelijk van de bijzondere omstandigheden in individuele gevallen, bijvoorbeeld voor wat betreft de vraag wanneer de verjaringstermijn is aangevangen en / of deze tijdig is gestuit. Voorts kan, onder omstandigheden (die per definitie van geval tot geval kunnen verschillen en moeten worden vastgesteld), het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. In het kader van deze collectieve actie en gelet op de stellingen van partijen zal de rechtbank het beroep op verjaring daarom passeren en zal zij er in het navolgende veronderstellenderwijs van uitgaan dat de individuele vorderingen tot vernietiging als bedoeld onder D niet zijn verjaard, zodat de Consumentenbond het vereiste belang heeft.

2.24.

De rechtbank stelt voorop dat Richtlijn 93/13 in de Nederlandse rechtsorde niet rechtstreeks van toepassing is op de horizontale verhouding tussen private partijen als hier aan de orde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13 (zie laatstelijk HR 22 november 2019 ECLI:NL:HR:2019:1830).

2.25.

Indien en voor zover ervan uit moet worden gegaan dat sprake is van bedingen die vallen onder de werking van Richtlijn 93/13, geldt naar het oordeel van de rechtbank het volgende.

2.26.

De Consumentenbond stelt dat er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht, vanwege verborgen inhoudingen die een grote impact op de waarde opbouw in de polis hebben. Door geen duidelijkheid te verschaffen over de in te houden kostensoorten en de (wijze van berekening van de) hoogte daarvan, weet de verzekeringnemer niet dat forse bedragen aan eerste kosten verzekeraar en eerste en doorlopende kosten assurantietussenpersoon worden ingehouden. Die verstoring is in strijd met de goede trouw. Indien de verzekeringnemer op de hoogte was geweest van de omvang van de kosten, zou hij niet bereid zijn geweest daarmee in te stemmen.

2.27.

NN voert onder meer aan dat zij de bruto premie en de netto uitkering en de invloed van kosten en inhoudingen op de uitkering conform destijds breed gedragen maatschappelijke opvattingen en de destijds geldende regelgeving inzichtelijk heeft gemaakt. De premie en uitkering zijn niet oneerlijk en leiden evenmin in strijd met de goede trouw tot een aanzienlijke verstoring van het economisch evenwicht.

2.28.

Op grond van art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Art. 4 lid 1 Richtlijn 93/13 bepaalt dat voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

Om te bepalen of een beding een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Aan de hand van een dergelijk vergelijkend onderzoek kan de nationale rechter bepalen of, en in voorkomend geval, in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke uit het geldende nationale recht voortvloeit. Een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kan al volgen uit het feit dat de rechtspositie waarin de consument als partij bij de betrokken overeenkomst verkeert krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat de inhoud van de rechten die de consument volgens die bepalingen aan die overeenkomst ontleent, wordt beperkt of de uitoefening van die rechten wordt belemmerd dan wel doordat aan de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin de nationale bepalingen niet voorzien.

Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter na te gaan of de verkoper redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.

Tot slot weegt bij de toets of een beding oneerlijk is mee of sprake is van een gebrek aan transparantie (zie HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830 en de daarin vermelde jurisprudentie).

2.29.

De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van bedingen die voorkomen op de grijze of zwarte lijst van de artikelen 6:236 en 6:237 BW of die voorkomen op de indicatieve lijst van Richtlijn 93/13. Evenmin is sprake van bedingen als gevolg waarvan de wettelijke rechten van de verzekeringnemer worden beperkt of uitgesloten.

2.30.

Zoals reeds is overwogen in het tussenvonnis kwalificeert de NN-beleggingsverzekering als een levensverzekeringsovereenkomst, waarbij de (hoogte van) de premie en de (te verwachten) uitkering bij leven of overlijden de kenmerkende elementen zijn. Voor dergelijke producten golden de informatievoorschriften uit de regelgeving die voortvloeide uit de Derde levensrichtlijn, die mede strekte tot bescherming van de consument. In de periode dat de NN-beleggingsverzekeringen werden verkocht gold het systeem van indirecte transparantie. Zoals in het tussenvonnis en hiervoor reeds is overwogen was het tot 2008 voor NN op grond van bovenvermelde informatievoorschriften niet nodig om, voor zover de kosten waren verwerkt in het voorbeeldkapitaal, aan te geven welke kostensoorten voor rekening van de verzekeringnemer zouden komen. Het ging om de te verwachten netto einduitkering (zie 2.13).

Zoals NN onweersproken heeft gesteld, was het fiscale regime voor levensverzekeringen destijds een belangrijk motief voor consumenten om een NN-beleggingsverzekering af te sluiten. De spaarrentes daalden begin jaren negentig van de vorige eeuw en de rendementen op de beurs stegen. Bovendien waren, naar NN eveneens onweersproken stelt, de premies voor beleggingsverzekeringen en daarmee de kosten en inhoudingen aan stevige concurrentie onderhevig.

Onder die omstandigheden kan – zonder nadere stellingen daarover van de Consumentenbond, die ontbreken – niet worden vastgesteld dat de gemiddelde (aspirant)verzekeringnemer niet had ingestemd met de bruto premie en de netto voorbeeldkapitalen, indien NN inzicht had verschaft in de specifieke kostensoorten, de hoogte daarvan en de wijze van in rekening brengen. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank het evenwicht tussen de uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen niet, in strijd met de goede trouw, ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord, zodat van oneerlijke bedingen geen sprake is.

2.31.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de vorderingen onder D moet worden afgewezen.

Wanprestatie / onrechtmatig handelen

2.32.

Tot slot is nog aan de orde de vraag of, zoals onder F gevorderd, NN jegens de polishouders in verzuim is althans onrechtmatig heeft gehandeld door de aspirant-polishouders niet passend te informeren over de (hoogte van de) kosten die door NN en door de beleggingsfondsen worden ingehouden.

2.33.

Zoals eerder reeds is overwogen was er tot 2008 geen wet- en regelgeving die NN verplichtte om de verzekeringnemers over de (hoogte van de) diverse kosten(soorten) te informeren (zie 2.13). Dat veranderde in 2008. Vanaf 2008 moest NN meer gedetailleerd inzicht verschaffen in alle door de wetgever benoemde kostensoorten en inhoudingen (zie 4.32 tussenvonnis). In het tussenvonnis heeft de rechtbank reeds overwogen dat NN aan deze verplichting heeft voldaan; vanaf 1 januari 2008 deed zij in haar offertes in overeenstemming met de Modellen de Ruiter (zie 2.20 tussenvonnis) opgave van de kosten per voorgeschreven soort en uitgesplitst naar kosten verzekeringsmaatschappij en kosten verzekeringsadviseur (zie 4.51 – 4.53 tussenvonnis). Tussen partijen is niet in geschil dat NN ook aan de (op dat moment reeds) bestaande polishouders jaaropgaven in overeenstemming met de Modellen de Ruiter is gaan verstrekken. Gesteld noch gebleken is dat die aan de (aspirant en bestaande) verzekeringnemers verstrekte berekeningen op zichzelf onjuist waren.

Tot slot is gesteld noch gebleken dat er een aanvullende contractuele verplichting was op grond waarvan NN eerder dan 2008 meer gedetailleerd inzicht moest verstrekken in (de hoogte van) de kostensoorten en inhoudingen. Dat geldt ook voor de kosten van de beleggingsfondsen; voor een maximering, zoals de Consumentenbond kennelijk voorstaat, is geen rechtsgrond.

2.34.

Op grond van het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van wanprestatie of onrechtmatig handelen zoals weergegeven onder 2.32. Het gevorderde onder F zal dan ook worden afgewezen. Het beroep van NN op verjaring behoeft geen bespreking meer.

Conclusie

2.35.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen onder A tot en met I en S tot en met U zullen worden afgewezen. In het tussenvonnis is reeds overwogen dat de vorderingen onder J tot en met R en V tot en met Y niet toewijsbaar zijn. Nu de vorderingen van de Consumentenbond worden afgewezen, is er geen plaats voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten zoals gevorderd onder Z. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen grond voor een bevel tot overlegging van nadere informatie ex artikel 22 Rv, zoals verzocht. Ook dit verzoek en het gevorderde onder Z zullen daarom worden afgewezen.

Proceskosten

2.36.

De Consumentenbond zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van NN worden begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat 4.170,00 (6,0 punten × tarief € 695,00)

Totaal € 6.094,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt de Consumentenbond in de proceskosten, aan de zijde van NN tot op heden begroot op € 6.094,00, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt de Consumentenbond in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Consumentenbond niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.C.A.T. Frima en mr. P. Volker en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de oudste rechter op 29 juli 2020.

[2083/106/1659/2221]