Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6595

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2020
Datum publicatie
24-07-2020
Zaaknummer
6194867 CV EXPL 17-26507
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, schending zorgplicht, eigen schuld, verbod cold colling, advisering door aanbieder, onaanvaardbaar zware financiële last, fiscaal voordeel andere kredieten, fiscaal voordeel bij berekening hoogte van de schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6194867 CV EXPL 17-26507

uitspraak: 17 juli 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘Dexia’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding;

  2. de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;

  3. de conclusie van repliek tevens conclusie van antwoord in reconventie;

  4. de conclusie van dupliek tevens conclusie van repliek in reconventie tevens akte vermindering van eis in reconventie;

  5. de conclusie van dupliek in reconventie;

  6. de overgelegde producties.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[eiser] heeft op 10 september 1999 een aandelenleaseovereenkomst gesloten met Dexia. Hij heeft deze overeenkomst op 10 september 2002 verlengd. In het kader van de overeenkomst heeft [eiser] € 8.104,25 aan Dexia betaald en in totaal € 1.402,63 van Dexia ontvangen. Er is een restschuld van € 6.211,04.

2.3

Leaseproces heeft op 7 november 2005 namens [eiser] een brief gestuurd aan Dexia. In die brief staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…) Voorts wordt het contract voor zover nog nodig, vernietigd c.q. ontbonden op grond van de artikelen 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), 6:74 BW (wanprestatie), 6:162 BW (onrechtmatige daad), 6:194 BW (misleidende reclame) en 6:228 BW (dwaling). Namens cliënt wordt het recht voorbehouden om hiertoe nog andere gronden aan te voeren. (…)”

2.4

Leaseproces heeft in januari 2012 namens [eiser] een brief gestuurd aan Dexia. In die brief staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…) Namens de op de bijgesloten lijst vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. (…)”

3. Het geschil

In conventie

3.1

[eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat Dexia jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en/of dat zij jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten, althans haar zorgplicht heeft geschonden jegens [eiser] ;

II. voor recht te verklaren dat er ten aanzien van de litigieuze overeenkomst sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het zogenaamde Hofmodel;

III. voor recht te verklaren dat Dexia het verbod op cold-calling, zoals neergelegd in artikel 21 Nadere regeling toezicht effectenverweer 1995 (hierna: NR 1995) en artikel 26 Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) jegens [eiser] heeft geschonden;

IV. Dexia te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen al hetgeen [eiser] aan Dexia ingevolge de litigieuze overeenkomst heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van de door [eiser] gedane betalingen tot aan de dag van algehele voldoening;

V. Dexia te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden de volledige door [eiser] verschuldigde buitengerechtelijke kosten, althans subsidiair de buitengerechtelijke kosten conform rapport Voorwerk II;

VI. Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,-;

VII. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan de vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. Dexia heeft bij het aangaan van de overeenkomst niet voldaan aan haar zorgplicht. Zij heeft onvoldoende gewaarschuwd voor het risico van een restschuld en zij heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de financiële positie van [eiser] om te kunnen vaststellen of [eiser] de lasten uit de overeenkomst kon betalen. De overeenkomst leverde voor [eiser] een onaanvaardbaar zware financiële last op. Dexia heeft [eiser] voorts zonder voorafgaande toestemming telefonisch benaderd voor het verkopen van een effectenleaseproduct, zodat zij in strijd met het verbod op cold calling heeft gehandeld. Daarnaast is sprake van (onjuiste) advisering door Dexia. Dexia heeft daarom onrechtmatig tegenover [eiser] gehandeld en is gehouden de door [eiser] geleden schade te vergoeden.

3.3

Dexia weerspreekt niet dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Zij voert als verweer dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd, dat de vordering van [eiser] is verjaard, dat zij het verbod op cold calling niet heeft overtreden en dat de schade mede is veroorzaakt door de eigen schuld van [eiser] als bedoeld in artikel 6:101 BW. De schade dient daarom overeenkomstig de zogenaamde hof-formule voor 1/3e deel door [eiser] zelf te worden gedragen.

In reconventie

3.4

Dexia vordert, na vermindering van eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de overeenkomst met nummer [nummer overeenkomst] rechtsgeldig tot stand gekomen is, niet is vernietigd en niet blootstaat aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [verweerder] een beroep kan worden gedaan;

II. [verweerder] te veroordelen om aan Dexia te betalen een bedrag van € 4.372,51 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 september 2005 tot de dag van algehele voldoening;

III. voor recht te verklaren dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [verweerder] ;

IV. [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.

3.5

Ter toelichting daarop stelt Dexia – samengevat – dat [verweerder] aldus wordt gedwongen om in de onderhavige procedure al zijn stellingen die betrekking hebben op de rechtsgeldigheid van de overeenkomst aan de orde te stellen. Dexia maakt aanspraak op betaling van het bedrag van de eindafrekening, verminderd met de schadevergoeding waarop [verweerder] volgens de zogenaamde hof-formule recht heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6

[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing.

4. De beoordeling

In conventie

4.1

Het gaat in deze zaak om iemand die met geleend geld in aandelen heeft belegd. [eiser] belegde niet zelf maar via een constructie, de ‘aandelenleaseovereenkomst’. Over deze constructie is in de afgelopen jaren in Nederland een groot aantal procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak procespartij was.

4.2

De Hoge Raad heeft in deze zaken verschillende uitspraken gedaan. Deze uitspraken houden – voor zover hier van belang – het volgende in.

De waarschuwings- en onderzoeksplicht van Dexia

4.3

Bij het aanbieden en aangaan van aandelenleaseovereenkomsten met particuliere beleggers rustte op Dexia een bijzondere zorgplicht. Dexia diende te waarschuwen voor het risico van een restschuld en zij diende onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van particuliere beleggers. Indien Dexia aan een van deze verplichtingen niet heeft voldaan, dan zal dat in het algemeen meebrengen dat zij is gehouden de daarmee verband houdende schade te vergoeden (HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, r.o. 5.2.1-5.3).

Verdeling van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld

4.4

Aan de zijde van de particuliere belegger zal meestal sprake zijn van eigen schuld. Dexia heeft in de meeste gevallen voldoende duidelijk gemaakt dat werd belegd met geleend geld, dat de leaseovereenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moest worden betaald en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald. Dexia hoeft daarom niet alle schade te vergoeden (HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, r.o. 5.6.2).

4.5

Als uitgangspunt geldt dat de vergoedingsplicht op de voet van artikel 6:101 BW verdeeld wordt naar de maatstaf 1 (de particuliere belegger) staat tot 2 (Dexia). Indien Dexia had moeten begrijpen dat de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden, dient de schade volgens deze maatstaf te worden verdeeld zowel voor de restschuld als de rente, aflossing en kosten.

4.6

Indien geen sprake was van een onaanvaardbaar zware last, dient alleen het bedrag van de restschuld volgens deze maatstaf te worden verdeeld. Dexia is dan niet verplicht om de door de afnemer betaalde rente, aflossing en kosten als schade te vergoeden (HR 5 juni 2009, ECLI:NL: HR:2009:BH2815, r.o. 5.6.3).

Verdeling van de vergoedingsplicht in het geval van een tussenpersoon

4.7

Indien Dexia wist of had moeten weten dat de particuliere belegger bij haar is aangebracht door een cliëntenremisier die tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, moet Dexia wel alle schade vergoeden. De reden daarvan is dat Dexia dan had moeten weigeren om de overeenkomst aan te gaan (HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, r.o. 6.2.1-6.2.3).

4.8

Dexia moet ook alle schade vergoeden als de tussenpersoon (wel) voldoende gewaarschuwd heeft voor de financiële risico’s. De omstandigheid dat zij contracteerde in weerwil van een wettelijk verbod moet Dexia zwaar worden aangerekend. De inhoud van het advies is dan niet meer van belang (HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, r.o. 3.6.4).

Toepassing op deze zaak

4.9

Dexia erkent dat zij niet heeft gewaarschuwd voor het risico van een restschuld. Daarom staat vast dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden en dus onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld. Dat betekent dat Dexia een vergoeding voor geleden schade moet betalen.

4.10

Tussen partijen is ook niet in geschil dat Dexia voldoende heeft duidelijk gemaakt dat werd belegd met geleend geld, dat de leaseovereenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moest worden betaald en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald. Er is daarom sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiser] . Dat betekent dat Dexia in beginsel niet alle schade hoeft te vergoeden.

Verbod op cold calling en advisering door Dexia

4.11

[eiser] vindt dat Dexia in deze zaak alle schade moet vergoeden omdat zich omstandigheden voordoen die vergelijkbaar zijn met het laatstgenoemde arrest van de Hoge Raad. Hij stelt dat Dexia in strijd met het verbod op cold calling heeft gehandeld en dat Dexia hem heeft geadviseerd de overeenkomst aan te gaan. Op Dexia rustte als adviseur een bijzondere zorgplicht. De schending van deze zorgplicht en de schending van het verbod op cold calling moeten volgens [eiser] leiden tot een vermindering van de eigen schuld of een billijkheidscorrectie. Dexia is het daar niet mee eens.

4.12

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de arresten Van Uden/NBG Finance en Beckers/Dexia. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) echter al geoordeeld dat de situatie zoals hier aan de orde niet vergelijkbaar is. De door [eiser] aangehaalde arresten hebben betrekking op advisering door een onafhankelijke derde. Aangezien de afnemer in een dergelijk geval ervan mag uitgaan dat hij onafhankelijk en deskundig advies krijgt, hoeft de afnemer in zo’n geval minder snel bedacht te zijn op niet vermelde risico’s. Dat is anders bij advisering door de aanbieder zelf. [eiser] diende er daarom rekening mee te houden dat de adviseur van Dexia geneigd zou zijn de eigen producten te willen verkopen. Het onderhavige geval verschilt daarom niet wezenlijk van de situatie als aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815). Dat [eiser] mogelijk is benaderd door Dexia door middel van cold calling maakt dat niet anders, ook niet als deze werkwijze van Dexia als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Die omstandigheid neemt de eigen schuld van [eiser] niet weg. Voor een afwijking van de gebruikelijke schadeverdeling bestaat dan ook geen aanleiding (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR: 2019:590).

4.13

[eiser] heeft als zelfstandige vordering ingesteld dat voor recht wordt verklaard dat Dexia in strijd heeft gehandeld met het verbod op cold calling. Nu uit het vorenstaande blijkt dat deze vraag voor de beoordeling van de schade niet relevant is en uit de stukken van [eiser] ook geen ander belang kan worden afgeleid, zal deze vordering bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Onaanvaardbaar zware financiële last?

4.14

Om te beoordelen of de overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de particuliere belegger legde, wordt in beginsel een algemene formule (de hof-formule) gehanteerd (Hof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009: BK4978). Deze formule luidt X + V – W – A – B – C – D < Y + 0,1 x Y + 0,15 x (X - Y).

Netto maandinkomen (factor X), Nibud basisnorm (factor Y)

4.15

Niet in geschil is dat het netto maandinkomen van [eiser] in het jaar 1999 € 1.978,18 bedroeg. Evenmin is in geschil dat moet worden uitgegaan van de Nibud basisnorm van € 544,-.

Woonlasten (factor W), verplichtingen uit andere overeenkomsten (factor B), bijzondere lasten (factor D) en vermogen (factor V)a

4.16

Partijen zijn het erover eens dat de woonlasten van [eiser] (de woonlastencomponent van) het basisbedrag van het Nibud met € 440,46 overstijgen. Evenmin is in geschil dat [eiser] geen verplichtingen uit andere overeenkomsten, bijzondere lasten of vermogen heeft dat in aanmerking moet worden genomen.

Verplichtingen uit de overeenkomst (factor A)

4.17

De verplichtingen uit de overeenkomst bedroegen € 657,88 per maand.

Andere kredieten (factor C)

4.18

Partijen twisten over de vraag of de overige kredieten van [eiser] bij de berekening in aanmerking moeten worden genomen. [eiser] heeft gesteld dat hij op grond van de met Vola afgesloten kredietovereenkomst maandelijks een bedrag aan rente moest betalen. Dit is door Dexia betwist.

4.19

[eiser] heeft ter onderbouwing over het jaar 1999 twaalf rekeningoverzichten overgelegd. Deze overzichten zijn opgesteld door Vola. Hierop staat de hoogte van het krediet, het rentepercentage en het in die maand verschuldigde rentebedrag. Daartegenover heeft Dexia onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van een daadwerkelijk in het kader van de overeenkomst bestaande renteverplichting. Dit krediet dient daarom in de berekening te worden betrokken.

4.20

Dexia heeft aangevoerd dat de rente van de Vola-overeenkomst fiscaal aftrekbaar was, zodat voor de C-factor van een lager bedrag moet worden uitgegaan. [eiser] heeft niet weersproken dat hij de rente fiscaal kon aftrekken, maar heeft aangevoerd dat dit niet in de hof-formule kan worden meegenomen.

4.21

De achterliggende gedachte van de door het hof vastgestelde rekenwijze is dat zo veel als mogelijk moeten worden vastgesteld de verplichtingen die de bestedingsruimte van de afnemer beperken. Aangezien [eiser] de rente fiscaal kon aftrekken, werd de bestedingsruimte daardoor – net als bij de hypotheekkosten – niet daadwerkelijk beperkt. Deze aftrekpost dient daarom bij de vaststelling van de factor C in aanmerking te worden genomen. Dexia heeft onweersproken gesteld dat de renteverplichting na aftrek van het fiscale voordeel nog € 51,45 bedraagt, zodat daarvan zal worden uitgegaan.

4.22

[eiser] heeft voorts gesteld dat sprake was van een doorlopend krediet bij ANWB Visa Card. Dexia heeft betwist dat dit krediet bij de berekening moet worden meegenomen, omdat de kredietovereenkomst niet in het geding is gebracht.

4.23

Op de door ANWB Visa Card opgemaakte rekeningoverzichten staat de hoogte van de rente op jaarbasis en het maandelijks minimaal door [eiser] af te lossen bedrag. Dexia heeft daartegenover onvoldoende gemotiveerd weersproken dat dit een daadwerkelijk op basis van de kredietovereenkomst bestaande betalingsverplichting betreft. Het enkele feit dat [eiser] de kredietovereenkomst niet in het geding heeft gebracht, betekent niet dat hij zijn standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de stellingen en stukken van [eiser] volgt voldoende duidelijk welk bedrag hij maandelijks moest aflossen. Het had op de weg van Dexia gelegen om uit te leggen waarom een en ander niet juist is.

4.24

Aangezien het een doorlopend krediet betreft, verschilt de hoogte van het maandelijks te betalen bedrag. In het kader van de hof-formule dient gekeken te worden naar de betalingsverplichting bij aanvang van de overeenkomst. Dexia had die verplichting immers in haar onderzoek mee kunnen nemen en op basis daarvan al dan niet moeten ontraden de aandelenleaseovereenkomst aan te gaan. Uit het rekeningoverzicht blijkt dat [eiser] in september 1999 minimaal een bedrag van € 22,69 diende te betalen, zodat dit bedrag zal worden meegenomen in de berekening.

4.25

Op grond van bovengenoemde overeenkomsten was reeds sprake van een onaanvaardbaar zware financiële last. De overige door [eiser] genoemde kredieten kunnen daarom onbesproken blijven.

Hoogte van de schade

4.26

De door [eiser] geleden schade zal worden berekend aan de hand van de bedragen die [eiser] aan Dexia heeft betaald. Uit het door Dexia overgelegde financieel overzicht blijkt dat [eiser] € 8.104,25 aan inleg heeft betaald.

4.27

Artikel 6:100 BW bepaalt dat voor zover dat redelijk is bij de berekening van de schade rekening moet worden gehouden met eventuele voordelen die voortvloeien uit de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt. Niet in geschil is dat het door [eiser] ontvangen dividend van € 1.402,63 op de betaalde inleg in mindering moet worden gebracht. Partijen twisten over de vraag of de fiscale voordelen eveneens in de berekening moeten worden betrokken.

4.28

[eiser] heeft niet weersproken dat de overeenkomst heeft geleid tot fiscale voordelen. De voordelen vloeien voort uit de schadeveroorzakende gebeurtenis (schending van de waarschuwings- en onderzoeksplicht) en dienen daarom bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking te worden genomen (zie HR 19 mei 1995, ECLI:NL:HR: 1995:ZC1731). Niet valt in te zien waarom dit niet redelijk zou zijn. [eiser] heeft deze voordelen immers daadwerkelijk genoten. Van ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake. De voordelen worden op grond van artikel 6:100 BW in de berekening meegenomen. [eiser] heeft de hoogte van het fiscale voordeel verder niet betwist, zodat zal worden uitgegaan van het door Dexia genoemde bedrag van € 1.042,78.

4.29

Uit het bovenstaande volgt dat de schade zal worden berekend over een bedrag van € 5.658,84. Aangezien Dexia 2/3e van dit bedrag moet vergoeden, zal een bedrag van € 3.772,56 worden toegewezen.

De klachtplicht

4.30

Het verweer van Dexia dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd wordt verworpen. Op grond van artikel 6:89 BW kan een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. In deze zaak wordt Dexia door [eiser] aangesproken op grond van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. De onrechtmatige daad van Dexia houdt weliswaar verband met de overeenkomst die partijen daarna zijn aangegaan maar zij heeft geen betrekking op een gebrek in een door Dexia te leveren prestatie uit die overeenkomst (zie HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176). De rechten van [eiser] zijn dan ook niet vervallen.

Verjaring

4.31

Dexia voert voorts als verweer dat de vordering van [eiser] is verjaard. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dexia stelt dat [eiser] (in ieder geval) sinds het aflopen van de overeenkomst bekend is met de schade en de aansprakelijke persoon. [eiser] heeft dat niet weersproken. Hij stelt dat de verjaring telkens is gestuit. Voor de beoordeling van de vraag of de verjaring succesvol door [eiser] is gestuit, komt het in dit geval aan op de uitleg van de brief van januari 2012.

4.32

De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis zoals hier aan de orde wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). De mededeling moet een zodanig voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418). Er dient niet alleen te worden gelet op de formulering van de mededeling zelf, maar ook op de context waarin zij wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741).

4.33

De brieven van [eiser] moeten worden gezien in het licht van de vele procedures die tussen Dexia enerzijds en Eegalease en Leaseproces anderzijds (als gemachtigden) zijn gevoerd. Dexia heeft niet weersproken dat in die procedures en de aan die procedures voorafgaande buitengerechtelijke fase reeds voor januari 2012 het verwijt is gemaakt dat Dexia onrechtmatig had gehandeld bij de wijze waarop de overeenkomst tot stand was gekomen. In dat licht bezien had voor Dexia voldoende duidelijk moeten zijn welk recht [eiser] met zijn brief van januari 2012 wilde behouden en derhalve waartegen Dexia zich diende te verweren.

Wettelijke rente

4.34

[eiser] heeft wettelijke rente gevorderd over bedragen die hij op grond van de overeenkomst aan Dexia heeft voldaan, telkens vanaf de dag van elke betaling. Dexia heeft daartegen geen verweer gevoerd. De Hoge Raad heeft in een arrest van 1 mei 2015 bepaald (HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198) dat de wettelijke rente berekend moet worden op de manier zoals door [eiser] is gevorderd. Daarom zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.35

Op 12 april 2019 heeft de Hoge Raad in een soortgelijke zaak een arrest gewezen met betrekking tot de vraag wanneer afnemers tegenover Dexia aanspraak kunnen maken op buitengerechtelijke kosten (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590). Uitgangspunt is dat, indien de door Leaseproces verrichte werkzaamheden niet meer omvatten dan het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven, de daarmee gemoeide kosten op grond van de artikelen 6:96 lid 3 BW en 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dergelijke werkzaamheden moeten op een lijn worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of een andere eenvoudige brief zoals bedoeld in HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7004 en HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6164. Ook het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken te kunnen bepalen, zijn werkzaamheden die moeten worden verricht ter voorbereiding van een procedure en die derhalve onder artikel 6:96 lid 3 BW en artikel 241 Rv vallen.

4.36

[eiser] heeft in deze procedure niet gesteld dat andere werkzaamheden zijn verricht dan hierboven bedoeld. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen geheel worden afgewezen.

A-codering

4.37

Ten aanzien van de vordering om de BKR-registratie en de daaraan gekoppelde achterstandscodering ongedaan te maken, heeft Dexia als verweer naar voren gebracht dat het niet in haar macht ligt de gegevens in de registers van het BKR door te laten halen maar dat zij daartoe slechts een verzoek kan doen. In dit geval heeft [eiser] een restschuld laten ontstaan waarvan hij nog 1/3 deel dient te voldoen. Deze schuld mag [eiser] verrekenen met wat hij nog aan Dexia verschuldigd is. Dexia zal daarna moeten doen wat redelijkerwijs van haar verwacht mag worden om de BKR-registratie van [eiser] te laten vervallen. Verrekening werkt immers terug tot het moment waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan (artikel 6:129 lid 1 BW). De wijze waarop [eiser] de vordering heeft geformuleerd maakt echter onvoldoende duidelijk wat Dexia concreet zou moeten doen. De vordering is daarom onvoldoende bepaalbaar en zal om die reden worden afgewezen.

In reconventie

4.38

Toewijzing van de vordering in conventie leidt in het onderhavige geval tot afwijzing van vordering I in reconventie. Dexia heeft immers geen belang meer bij een beslissing over de vernietigbaarheid van de overeenkomst. Gelet op het oordeel in conventie, waaruit blijkt dat Dexia nog bedragen aan [verweerder] verschuldigd is, zal ook de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer aan [verweerder] verschuldigd is, worden afgewezen.

4.39

Niet in geschil is dat de restschuld thans nog € 6.211,04 bedraagt. Zoals reeds overwogen dient [verweerder] op grond van de hof-formule 1/3e van de restschuld aan Dexia te betalen. Dit heeft hij tot op heden niet gedaan. Dat betekent dat een bedrag van € 2.070,35 zal worden toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, aangezien daartegen geen verweer is gevoerd.

In conventie en in reconventie

Samenvattend

4.40

Samenvattend zal als volgt worden beslist. De onder I gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De onder II gevorderde verklaring voor recht wordt eveneens toegewezen. Aan schadevergoeding wordt een bedrag van € 3.772,56 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige worden de vorderingen in conventie afgewezen. In reconventie wordt een bedrag van € 2.070,35 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De andere vorderingen in reconventie worden afgewezen.

Proceskosten

4.41

Nu partijen over en weer in conventie en in reconventie in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld;

verklaart voor recht dat er ten aanzien van de litigieuze overeenkomst sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform de hof-formule;

veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.772,56, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van de door [eiser] gedane betalingen tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis voor wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

veroordeelt [verweerder] om aan Dexia te betalen een bedrag van € 2.070,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 2005 tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33945