Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:651

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-01-2020
Datum publicatie
03-02-2020
Zaaknummer
C/10/575557 / HA ZA 19-528
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid o.g.v. artikel 2:248 BW. Bestuurders hebben niet voldaan aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0042
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/575557 / HA ZA 19-528

Vonnis van 29 januari 2020

mr. BARTHOLOMEUS KARL ANTOINE VAN RIJSBERGEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HUPAI HORECA & INVESTMENTS B.V.,

kantoorhoudende te Spijkenisse,

eiser,

advocaat mr. Van Rijsbergen voornoemd,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASTUTE ENTREPRENEUR B.V.,

gevestigd te Hellevoetsluis,

gedaagden,

advocaat mr. A.J. van der Knijff te Breda.

Partijen zullen hierna mr. Van Rijsbergen en [gedaagde] c.s. of ieder afzonderlijk [gedaagde] en Astute genoemd worden en de failliete vennootschap Hupai Horeca.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 mei 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van 14 augustus 2019, waarbij partijen zijn opgeroepen voor de comparitie;

  • -

    de brief van mr. Van Rijsbergen van 4 december 2019, met een productie;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 13 december 2019;

  • -

    de brief van mr. Van Rijsbergen met een opmerking over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Hupai Horeca heeft vanaf op of omstreeks 1 februari 2017 aan de [adres] te Hellevoetsluis een Chinees restaurant geëxploiteerd met [gedaagde] en Astute als haar bestuurders.

2.2.

Bij vonnis van 3 april 2018 is Hupai Horeca in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Van Rijsbergen als curator.

2.3.

Bij brieven van 27 juli 2018 en 31 augustus 2018 heeft mr. Van Rijsbergen aan [gedaagde] c.s. gevraagd om afgifte van de administratie van Hupai Horeca over de jaren 2017 en 2018. [gedaagde] c.s. hebben daarop niet gereageerd.

2.4.

Bij brief van 5 april 2019 heeft mr. Van Rijsbergen [gedaagde] c.s. persoonlijk aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort wegens - kort gezegd - onbehoorlijke taakvervulling met sommatie het voorlopig op € 88.125,99 begrote tekort vermeerderd met rente en kosten te voldoen. [gedaagde] c.s. hebben daaraan geen gehoor gegeven.

2.5.

Op 25 april 2019 heeft mr. Van Rijsbergen ter verzekering van de rechten van de boedel conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde] in Hilversum.

3 Het geschil

3.1.

Mr. Van Rijsbergen vordert in dit geding - samengevat - een verklaring voor recht dat [gedaagde] c.s. als bestuurders van Hupai Horeca op de voet van artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans artikel 2:9 BW, althans artikel 6:162 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s. tot betaling van het boedeltekort zoals dat na verificatie zal blijken, althans nader op te maken bij staat, met rente en € 1.656,26 voor buitengerechtelijke incassokosten, eveneens met rente, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s. in de kosten van het geding, die van het beslag daaronder begrepen, met rente, met nakosten, eveneens met rente.

3.2.

[gedaagde] c.s. voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 2:248 lid 1 BW is in geval van het faillissement van een vennootschap het bestuur jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort, indien het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat, indien het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 2:10 BW, vaststaat dat het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

4.2.

Artikel 2:10 BW verplicht het bestuur - kort gezegd - op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde (cursivering van de rechtbank) de rechten en verplichtingen van de vennootschap kunnen worden gekend.

4.3.

Mr. Van Rijsbergen stelt zich op het standpunt dat artikel 2:10 BW is geschonden en voert daartoe aan dat geen administratie door hem is aangetroffen of aan hem ter beschikking is gesteld. [gedaagde] c.s. bestrijden dat met een beroep op een bij de conclusie van antwoord als productie 1 overgelegd overzicht. Volgens de daarop zijdens [gedaagde] c.s. ter comparitie gegeven toelichting, zou het daarbij gaan om een deel van de boekhouding van Hupai Horeca, gebaseerd op bronstukken die aangeleverd in dozen alsnog in het geding zouden kunnen worden gebracht. Dat overzicht dateert echter - zoals eveneens zijdens [gedaagde] c.s. ter comparitie is verklaard - van na het faillissement. Reeds daarom kan het bezwaarlijk worden aangemerkt als administratie in de zin van artikel 2:10 BW. Uit dat overzicht konden immers niet te allen tijde de rechten en verplichtingen van Hupai Horeca worden gekend; dat kan - zo al het geval - pas na het faillissement.

4.4.

Bij de verdere beoordeling dient tot uitgangspunt dat [gedaagde] c.s. de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW hebben geschonden en dus hun bestuurstaak onbehoorlijk hebben vervuld. Derhalve wordt op de voet van artikel 2:248 lid 2 BW vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling van [gedaagde] c.s. een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Ter weerlegging van dat vermoeden hebben [gedaagde] c.s. aangevoerd dat het faillissement is veroorzaakt door een conflict met Essent en/of marktomstandigheden. Voor het conflict met Essent geldt echter dat de daartoe gestelde incassomaatregelen naar hun aard niet als rechtens relevante oorzaak van het faillissement kunnen worden aangemerkt, hooguit kan als oorzaak worden aangemerkt het onbetaald laten van de desbetreffende vorderingen, althans de reden van dat onbetaald laten. Daaromtrent is echter niets gesteld, anders dan het beroep op marktomstandigheden. Het ontbreekt echter aan aanwijzingen voor een oorzakelijk verband tussen de marktomstandigheden en het faillissement. Dat een ander Chinees restaurant in Hellevoetsluis ook is gefailleerd, kan - als al waar - meerdere oorzaken hebben, evenals de sluiting van een ander restaurant. Zonder verdere toelichting - die ontbreekt - is daarmee dus niets gezegd over de marktomstandigheden in het algemeen, en de betekenis van die omstandigheden voor het faillissement van Hupai Horeca in het bijzonder. Al met al is met de daartoe betrokken stellingen niet aannemelijk geworden dat er een andere belangrijke oorzaak is van het faillissement dan onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde] c.s. Daarmee is hun aansprakelijkheid voor het boedeltekort gegeven en ligt - als verder niet betwist - de vordering als na te melden voor toewijzing gereed. Voor dat geval hebben [gedaagde] c.s. ter comparitie hun beroep op verrekening laten varen, zodat dit geen bespreking behoeft.

4.5.

Het vonnis zal als na te melden uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Het door [gedaagde] c.s. ingeroepen restitutierisico en/of de schade die [gedaagde] heeft te duchten van een executoriale verkoop van haar huis, staan daaraan niet in de weg. In de gegeven omstandigheden dient het belang bij een (vanaf nu) voortvarende afwikkeling van de boedel zwaarder te wegen dan dat van [gedaagde] c.s. bij behoud van de bestaande toestand totdat dit vonnis onherroepelijk is geworden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het tijdsverloop sedert de datum van het faillissement in belangrijke mate aan een gebrek aan medewerking van [gedaagde] c.s. moet worden toegeschreven. De subsidiair gevraagde zekerheidsstelling staat evenzeer aan een voortvarende afwikkeling van de boedel in de weg en zal daarom eveneens worden afgewezen.

4.6.

De gevorderde beslagkosten zijn op de voet van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar en worden - als verder niet betwist - begroot op € 726,85 voor verschotten en € 543,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 543,00).

4.7.

[gedaagde] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van mr. Van Rijsbergen worden begroot op:

- dagvaarding: € 81,83

- griffierecht: € 617,00

- salaris advocaat: € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

totaal: € 1.784,83

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] c.s. als bestuurders van Hupai Horeca wegens onbehoorlijke taakvervulling jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van Hupai Horeca voor zover die schulden niet door vereffening van de baten kunnen worden voldaan;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan mr. Van Rijsbergen te betalen het bedrag gelijk aan het totale tekort in het faillissement van Hupai Horeca, zoals dat na verificatie in het faillissement zal blijken, althans nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.656,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de beslagkosten tot op heden begroot op € 1.269,85;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van mr. Van Rijsbergen tot op heden begroot op € 1.784,83, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk, zodat indien de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 voor salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

5.7.

verklaart de veroordelingen sub 5.2. tot en met 5.6. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Arnold en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2020.

[3179/2971]