Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6411

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
21-07-2020
Zaaknummer
8360333
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verstoorde arbeidsverhouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0858
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8360333 VZ VERZ 20-3258

uitspraak: 17 juni 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in het verzoek van

stichting

Stichting Rogplus Nieuwe Waterweg Noord,

statutair gevestigd te Maassluis,

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.P. Keuvelaar,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats verweerster] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. J.A.M. van de Sande.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ROGplus’ en ‘ [verweerster] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 3 maart 2020, met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift, tevens inhoudende nevenverzoeken, binnengekomen ter griffie op 3 april 2020, met bijlagen;

  • -

    de brief van 6 mei 2020 van [verweerster] , met diverse producties;

  • -

    de fax van 20 mei 2020 van ROGplus, met aanvullende producties;

  • -

    de fax van 20 mei 2020 van [verweerster] ;

  • -

    de fax van 25 mei 2020 van [verweerster] , met producties;

  • -

    de pleitaantekeningen van ROGplus.

De mondelinge behandeling van het verzoek is gehouden op 27 mei 2020 middels een Skype-zitting. Namens ROGplus zijn verschenen de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] , vergezeld van de gemachtigde. [verweerster] is in persoon verschenen, eveneens vergezeld van de gemachtigde.

Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

ROGplus voert de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) uit in opdracht van de gemeenten Maassluis, Vlaardingen en Schiedam. Zij biedt ondersteuning en hulpmiddelen aan inwoners met een maatschappelijke hulpvraag.

2.2

[verweerster] , geboren op [geboortedatum verweerster] , is met ingang van 1 juli 2007 bij ROGplus in dienst getreden in de functie van Senior consulent Wmo voor 36 uur per week. Het laatstverdiende bruto maandsalaris van [verweerster] bedraagt € 3.968,-- bruto, exclusief emolumenten.

2.3

In de functie van senior consulent Wmo houdt [verweerster] zich met name bezig met het behandelen van aanvragen voor individuele verstrekkingen en hulp in het huishouden, alsook met herindicaties en overige acties in het kader van de Wmo.

2.4

[verweerster] heeft tot 2011 in grote lijnen probleemloos gefunctioneerd in haar functie als senior consulent Wmo bij ROGplus. Vanaf juli 2011 zijn er in toenemende mate problemen ontstaan. Deze problemen hadden met name betrekking op de relatie tussen [verweerster] en haar leidinggevende, collega’s, zorgverleners/derden en cliënten. [verweerster] heeft hiervoor cursussen over houding, feedback ontvangen en gesprektechnieken gevolgd en coachingstrajecten gehad.

2.5

In 2014 heeft ROGplus ook geconstateerd dat [verweerster] conflicten veroorzaakt. In 2017/2018 is [verweerster] in een conflict geraakt met twee collega’s en kwamen er enkele klachten binnen van cliënten en een zorgaanbieder over het functioneren van [verweerster] . De klachten hebben met name betrekking op het gedrag/houding van [verweerster] .

2.6

Op 18 juni 2018 heeft [verweerster] zich – vanwege toegenomen oogproblemen – ziekgemeld. Begin 2019 heeft [verweerster] een staaroperatie ondergaan. Vanwege problemen met haar ogen heeft zij haar normale werkzaamheden niet kunnen uitoefenen.

2.7

Er hebben diverse voortgangs- en beoordelingsgesprekken tussen partijen plaatsgevonden. Deze hebben niet ertoe kunnen leiden om het vertrouwen tussen partijen te herstellen. Ook mediation heeft niet mogen baten.

3. Het verzoek van ROGplus en de grondslag daarvan

ROGplus heeft verzocht, bij beschikking, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op de kortst mogelijke termijn:

- primair op grond van artikel 7:671b jo artikel 7:669 lid 3 sub g BW;

- subsidiair op grond van artikel 7:671b jo artikel 7:669 lid 3 sub e BW;

- meer subsidiair op grond van artikel 7:671b jo artikel 7:669 lid 3 sub d BW, dan wel op grond van artikel 7:671b jo artikel 7:669 lid 3 sub i BW;

en [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.1

Aan het verzoek heeft ROGplus naast de bovenstaande vaststaande feiten - kort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag.

3.1.1

Met betrekking tot het gedrag en de houding van [verweerster] is het lastig om op inhoudsniveau met haar te communiceren. [verweerster] voelt zich snel aangevallen, reageert fel en verwijt anderen haar iets te hebben aangedaan. Hoewel [verweerster] op het gebied van zelfreflectie is gegroeid, is zij in 2016 teruggevallen in haar gedrag. In 2017/2018 zijn er diverse klachten over het gedrag en houding van [verweerster] ontvangen. Ook na de ziekmelding in 2018 en na de staaroperatie in 2019 zijn de gesprekken over het re-integreren en het uitbreiden van de uren en werkzaamheden zeer stroef verlopen. Volgens ROGplus stelt [verweerster] zich zeer argwanend en soms zelfs ongepast/ agressief op jegens haar leidinggevenden, die pogingen en concrete voorstellen deden om alternatieve werkzaamheden op te pakken. De verschillende coachingstrajecten hebben niet tot het beoogde resultaat geleid. [verweerster] past de aangeleerde vaardigheden in stressvolle situaties niet toe.

3.1.2

Naar aanleiding van de aanhoudend slechte verhouding tussen [verweerster] en haar leidinggevenden ( [naam 1] en [naam 2] ) heeft op 5 september 2019 een voortgangsgesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [verweerster] telkens aangegeven dat de leidinggevenden het “verkeerd zien”. Ze heeft zich niet bereid getoond om mee te werken. Er is aan [verweerster] een laatste kans geboden om het vertrouwen te herstellen en alsnog de door ROGplus opgestelde redelijke instructies op te volgen. [verweerster] heeft echter aangegeven dat zij zich niet herkent in het beeld dat van haar werd geschetst en dat ze niet begrijpt “waar dit allemaal ineens vandaan komt”. [verweerster] schiet wederom in de verdediging, reflecteert niet op de boodschap van haar leidinggevenden, vraagt niet wat zij kan doen om het vertrouwen te herstellen en toont zich niet bereid om veranderingen door te voeren. In feite bevestigt dit gesprek in oktober 2019 dat sprake is van een patroon in gedrag en houding van [verweerster] . Deze problematiek speelt al jaren.

3.1.3

Primair stelt ROGplus zich op het standpunt dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde verhouding tussen partijen, zodanig dat van ROGplus in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.1.4

ROGplus stelt zich subsidiair op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tot een einde moet komen nu uit alle hiervoor beschreven gebeurtenissen blijkt dat sprake is van verwijtbaar handelen en/of nalaten door ROGplus.

3.1.5

Meer subsidiair stelt ROGplus zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tot een einde moet komen nu blijkt dat sprake is van disfunctioneren.

3.1.6

Nog meer subsidiair stelt ROGplus zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tot een einde moet komen omdat er sprake is van een combinatie van omstandigheden die zodanig is dat van ROGplus in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.1.7

Dit verzoek houdt geen verband met de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] , noch met het bestaan van een opzegverbod op andere gronden.

4. Het verweer met (voorwaardelijke) tegenverzoeken

[verweerster] verzoekt de kantonrechter:

- Primair: het verzoek van ROGplus af te wijzen;

- Subsidiair: indien het verzoek wordt toegewezen, rekening te houden met een opzegtermijn van 3 maanden en ROGplus te veroordelen tot betaling aan [verweerster] een transitievergoeding van € 23.180,34 bruto en een billijke vergoeding van € 45.000,00 bruto; alsmede in de kosten van deze procedure.

4.1

Daartoe heeft [verweerster] – zakelijk en verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.1.1

[verweerster] is van mening dat er sprake is van een opzegverbod tijdens ziekte, waardoor op grond van artikel 7:671 b lid 6 a BW een verzoek tot ontbinding dient te worden afgewezen. De verstoorde arbeidsverhouding houdt verband met een verschil van mening over haar arbeidsongeschiktheid althans vloeit voort uit het onbegrip van ROGplus over haar arbeidsongeschiktheid.

4.1.2

[verweerster] heeft vanaf 1 juli 2007 steeds met veel plezier en inzet voor ROGplus gewerkt. ROGplus doet ten onrechte voorkomen alsof [verweerster] over de periode 2011-2019 onvoldoende functioneerde. [verweerster] betwist dat uitdrukkelijk. Uit de overgelegde functioneringsgespreksverslagen blijkt dat het functioneren van [verweerster] naar behoren was en met voldoende werd beoordeeld. De stelling van ROGplus dat [verweerster] in 2016 zou zijn teruggevallen in haar gedrag klopt niet. In de beoordeling van 26 september 2016 staat juist dat [verweerster] bewust is van haar valkuilen in directheid en tact en dat ze weet hier tijdig advies of hulp te vragen. ROGplus heeft [verweerster] op 17 maart 2016 zelfs meer uren aangeboden. Als [verweerster] niet goed zou functioneren, zal ROGplus dat niet hebben gedaan.

4.1.3

In het verzoekschrift noemt ROGplus “klachten van collega’s”. Deze gepretendeerde klachten worden door ROGplus niet onderbouwd. Ook kan [verweerster] niet worden verweten dat klanten of zorgaanbieders niet tevreden zijn. [verweerster] handelt volgens het beleid van ROGplus en dan kan het wel eens voorkomen dat klanten of zorgaanbieders niet tevreden zijn, omdat ze niet krijgen wat ze graag hadden gewild.

4.1.4

Op 18 juni 2018 heeft [verweerster] zich ziek moeten melden vanwege ernstige oogklachten. [verweerster] kon niet lezen, schrijven, autorijden, fietsen etc. Een en ander gaf bij [verweerster] veel onzekerheid en spanningen. Reeds vanaf aanvang kreeg [verweerster] het gevoel dat zij door ROGplus niet serieus werd genomen en daarom heeft zij een gesprek met [naam 1] aangevraagd. Op 5 september 2019 heeft er een voortgangsgesprek plaatsgevonden. In plaats van dat er over communicatie werd gesproken, werden er door [naam 1] alleen maar verwijten gemaakt. De verwijten waren onterecht. Hoewel de bedrijfsarts heeft aangegeven dat [verweerster] arbeidsongeschikt was, werd [verweerster] door ROGplus gedwongen om te re-integreren. Ook na haar staaroperatie begin 2019, werd door ROGplus druk op [verweerster] uitgeoefend om weer te gaan werken, terwijl zij nog niet was hersteld van haar operatie. Ook hebben [naam 1] en [naam 2] [verweerster] bevolen en gedreigd mee te gaan voor een beoordelingsgesprek. [verweerster] heeft een en ander als zeer intimiderend en dreigend ervaren. Hoewel [verweerster] zich voor 100% heeft ziekgemeld, werd de ziekmelding door ROGplus niet geaccepteerd.

4.1.5

[verweerster] betwist dat zij een redelijke instructie heeft geweigerd. De intentie van het gesprek in oktober 2019 was duidelijk: “een ontslag nastreven”, terwijl [verweerster] nogmaals heeft geprobeerd ROGplus duidelijk te maken dat zij daadwerkelijk ziek is. Hoewel [verweerster] openstond voor mediation, heeft ROGplus dat altijd geweigerd en pas na veelvuldig aandringen ermee gestart.

4.1.6

[verweerster] is van mening dat door haar arbeidsongeschiktheid een verstoorde arbeidsverhouding in ontstaan. Er was veel onbegrip aan de zijde van ROGplus ter zake haar arbeidsongeschiktheid. Het stoorde ROGplus dat [verweerster] ziek was. Dat liet ROGplus duidelijk weten door openlijk haar twijfels uit te spreken. De houding van ROGplus veroorzaakte bij [verweerster] een stresssituatie die haar gezondheid niet ten goede kwam. Ook de dwingende houding van ROGplus had een negatief effect.

4.1.7

Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerster] . Ook betwist [verweerster] dat zij ongeschikt is voor haar functie en dat zij disfunctioneert. Het verzoek dient te worden afgewezen.

4.1.8

Indien ontbinding van de arbeidsovereenkomst wel gerechtvaardigd is, dan verzoekt [verweerster] de kantonrechter om rekening te houden met een opzegtermijn van 3 maanden en haar de wettelijke transitievergoeding van € 23.180,34 toe te kennen. Tevens verzoekt [verweerster] de kantonrechter een billijke vergoeding van € 45.000 toe te kennen. [verweerster] meent dat ROGplus, gelet op de handelwijze vanaf haar ziekmelding op 18 juli 2018, ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

5. De beoordeling

5.1

Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt dat de kantonrechter een verzoek op grond van het eerste lid alleen kan inwilligen indien er geen opzegverboden of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden. Gebleken is dat ten tijde van het indienen van het verzoekschrift op 3 maart 2020 [verweerster] nog arbeidsongeschiktheid is en nu haar ziekte nog geen twee jaar heeft geduurd, is er in beginsel sprake van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 onderdeel a BW. In afwijking daarvan kan een verzoek tot ontbinding worden ingewilligd als het verzoek geen verband houdt met de omstandigheden waarop de opzegverboden betrekking hebben. Hoewel door [verweerster] een beroep is gedaan op het opzegverbod is niet gebleken dat het ontbindingsverzoek verband houdt met de ziekte van [verweerster] . ROGplus heeft immers feiten en omstandigheden aan het verzoek ten grondslag gelegd die van vóór de ziekmelding van [verweerster] dateren. Het opzegverbod staat ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 6 sub a BW dan ook in beginsel niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.2

Thans zal worden beoordeeld of de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden ontbonden.

5.3

Vooropgesteld wordt dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, waarbij in lid 3 van dat wetsartikel nader is omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

5.4

De kantonrechter is van oordeel dat op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is geweest, kan worden gesproken van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. Partijen hebben een totaal ander beeld op elke situatie die door partijen naar voren zijn gebracht. Als gevolg van hetgeen tussen partijen is voorgevallen, acht de kantonrechter een vruchtbare samenwerking tussen partijen niet meer realistisch. De kantonrechter overweegt als volgt.

5.5

Hoewel [verweerster] heeft aangevoerd dat door haar arbeidsongeschiktheid een verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan tussen partijen, is gebleken dat er reeds vóór de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] het een en ander tussen partijen speelde. Al in 2014 is [verweerster] gewezen op de ontwikkelpunten die met name gericht waren op haar houding en gedrag. Daarvoor heeft [verweerster] ook coaching en cursussen gevolgd die gericht waren op houding, feedback ontvangen en gesprekstechnieken. Ook de klachten van collega’s, leidinggevenden, klanten hebben betrekking op het gedrag van [verweerster] . In het verweerschrift is door [verweerster] daar nauwelijks op ingegaan. Zij heeft slechts aangegeven dat zij zich niet herkend in de beeld die ROGplus schetst en het probleem niet ziet, althans [verweerster] stelt zich op het standpunt dat ROGplus het verkeerd ziet. Ook hier blijkt duidelijk dat partijen een totaal andere beeld hebben en dat de verhouding tussen partijen totaal is verstoord. Er hebben diverse gesprekken tussen partijen plaatsgevonden, maar deze hebben niet tot enige verbetering geleid. Ook het mediationtraject heeft niet ertoe kunnen leiden dat partijen nader tot elkaar zijn gekomen. Niet kan worden gezegd dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] de verstoorde arbeidsverhouding heeft doen ontstaan. Het heeft er wel toe geleid dat de verhouding alleen maar nog stroever is gaan lopen en uiteindelijk onherstelbaar is geworden.

5.6

Gelet op deze omstandigheden kan derhalve worden vastgesteld dat de verhouding tussen partijen dusdanig is verstoord dat een vruchtbare voortzetting van de samenwerking tussen partijen niet meer mogelijk is. Gelet op de ernst van de vertrouwensbreuk is herplaatsing niet in de rede. De kantonrechter kan op grond van het voorgaande niet anders dan concluderen dat er sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van ROGplus in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.7

De kantonrechter zal het verzoek op de primaire grondslag toewijzen. De overige gronden behoeven derhalve niet meer te worden behandeld. De arbeidsovereenkomst zal met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 augustus 2020. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, waarbij een opzegtermijn van drie maanden geldt, verminderd met de duur van deze procedure, met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert. Voor toepassing van de onder artikel 7:671 b lid 8 onder b BW bedoelde afwijking is geen reden, nu uit het vorenstaande volgt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.

5.8

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Nu [verweerster] tenminste 24 maanden in dienst is geweest en geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Van de Kuil, maakt zij aanspraak op een transitievergoeding. Uitgegaan zal worden van het bruto maandsalaris van € 3.968,00, met 8% vakantiegeld en 3% eindejaarsuitkering, zodat er een transitievergoeding uitkomt van € 19.212,44 bruto.

5.9

Gelet op artikel 7:671b, lid 8, onderdeel c BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (Kamerstukken II, 2013-2014, 33818, nr. 3 pag. 34). Aan de orde is de vraag of zo’n dergelijke situatie zich hier voordoet.

5.10

[verweerster] stelt zich op het standpunt dat de handelwijze van ROGplus vanaf haar ziekmelding op 18 juli 2018 ernstig verwijtbaar is. Zoals hiervoor reeds is overwogen was de arbeidsongeschiktheid niet de aanleiding of oorzaak voor het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding. Gebleken is dat ROGplus diverse gesprekken met [verweerster] heeft gevoerd om tot een oplossing te komen en ook ROGplus diverse coachingstrajecten aangeboden, die helaas niet de gewenste effect hebben gehad. Er kan geen verwijt aan ROGplus worden gemaakt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van ROGplus, zodat er geen grond is voor toewijzing van een billijke vergoeding.

5.11

Nu de kantonrechter voornemens is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken op verzoek van ROGplus met toekenning van een transitievergoeding, zal gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 6 BW ROGplus in de gelegenheid worden gesteld om haar verzoek in te trekken, als hierna gemeld.

5.12

Ongeacht of ROGplus van die intrekkingsbevoegdheid gebruik maakt, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van de procedure te compenseren, zodat ieder der partijen de eigen kosten draagt. In die zin wordt dan ook beslist.

6. De beslissing

De kantonrechter:

 stelt ROGplus tot woensdag 1 juli 2020 te 12.00 uur in de gelegenheid het ontbindingsverzoek door middel van een aan de griffie gericht schrijven (met afschrift aan de gemachtigde van [verweerster] in te trekken, waarbij bepalend zal zijn het moment van ontvangst van dat schrijven ter griffie;

en, maar uitsluitend voor het geval ROGplus van deze intrekkingsbevoegdheid geen (tijdig) gebruik maakt:

 ontbindt de onderhavige arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2020;

 kent aan [verweerster] ten laste van ROGplus, een transitievergoeding van € 19.212,44 bruto toe, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover vanaf een maand te rekenen vanaf de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot aan de dag der algehele voldoening;

 wijst het meer of anders verzochte af;

 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

en in alle gevallen:

 compenseert de kosten van de procedure zodat ieder der partijen de eigen kosten blijft dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort uitgesproken ter openbare terechtzitting.

821