Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6410

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
21-07-2020
Zaaknummer
8398755
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontbinding afgewezen - geen verstoorde arbeidsverhouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0861
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8398755 VZ VERZ 20-4843

uitspraak: 25 juni 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in het verzoek van

de Stichting Aafje Thuiszorg Huizen Zorghotels,

statutair gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. S.I. Witkamp,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats verweerster] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. M.A. Woudenberg.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Aafje’ en ‘ [verweerster] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 18 maart 2020, met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift, binnengekomen ter griffie op 15 mei 2020, met bijlagen;

  • -

    de fax van 27 mei 2020 van Aafje met producties 23 en 24;

  • -

    de pleitnotities van Aafje;

  • -

    de pleitnotitie van [verweerster] .

De mondelinge behandeling van het verzoek is gehouden op 4 juni 2020. Namens Aafje zijn verschenen mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] , vergezeld van de gemachtigde. [verweerster] is in persoon verschenen, samen met haar echtgenoot en eveneens vergezeld van de gemachtigde.

Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

Aafje is een zorginstelling die diverse verzorgings- en verpleegtehuizen in stand houdt in de regio Rotterdam. Aafje is daarnaast aanbieder van onder meer thuiszorg en revalidatiezorg in zorghotels.

2.2

[verweerster] , geboren op [geboortedatum verweerster] , is met ingang van 20 augustus 2012 bij Aafje in dienst getreden, alwaar zij laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 28 uur in de week werkzaam is in de functie van Teammanager P&O . Het laatstverdiende bruto maandsalaris van [verweerster] bedraagt € 3.409,58 bruto exclusief emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor de Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (CAO VVT) van toepassing.

2.3

[verweerster] is in 2012 begonnen in de functie van opleidingscoördinator. Met ingang van 1 januari 2019 is [verweerster] aangesteld als Teammanager P&O met aandachtsgebied Aafje Academie. In de functie van Teammanager P&O is [verweerster] verantwoordelijk voor de aansturing, de kwaliteit van de werkzaamheden, het opstellen en uitvoeren van het bijbehorende beleid en de kwantitatieve en kwalitatieve bezetting van Aafje Academie, het budget en de begroting van Aafje Academie, inclusief subsidiegelden.

2.4

[verweerster] heeft in de periode van 2 september tot 1 november 2019 zorgverlof opgenomen. Per 1 november 2019 heeft [verweerster] haar werkzaamheden weer volledig hervat.

2.5

Op 1 november 2019 heeft er een ontwikkelgesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] , mevrouw [naam 1] , (leidinggevende van [verweerster] ) en mevrouw [naam 2] (P&O adviseur) om [verweerster] te ondersteunen bij het verbeteren van haar functioneren. Er werd aan [verweerster] gevraagd om na te denken over verbeterpunten, zodat er een concreet verbetertraject kan worden gemaakt.

2.6

Op 20 februari 2020 is Aafje bekend geworden dat er met betrekking tot de verkrijging van de Sectorplan-Plus subsidies een negatief verschil was tussen het bedrag dat aan subsidie was aangevraagd en dat was gerealiseerd, alsmede dat haar stage-administratie niet op orde was.

2.7

Op 3 maart 2020 heeft [verweerster] een officiële waarschuwing van Aafje gekregen. Volgens Aafje is [verweerster] ernstig tekort geschoten in het op de juiste wijze verantwoorden en monitoren van de Sectorplan Subsidies alsmede het niet op orde hebben van de stage-administratie. In de brief van 3 maart 2020 is aan [verweerster] ook nog een beëindigingsvoorstel gedaan en aangekondigd dat, als [verweerster] het voorstel niet zou aanvaarden en niet voor een vertrekregeling openstaat, een intensief verbetertraject zou worden gestart.

2.8

Nadat Aafje op 6 maart 2020 ter ore is gekomen dat [verweerster] op die dag mevrouw [naam 3] (externe Programmanager) heeft gesproken, heeft er op 10 maart 2020 een gesprek tussen [verweerster] en mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] plaatsgevonden. Aan [verweerster] is gevraagd of zij zich sinds het gesprek op 3 maart 2020 op enige wijze negatief had uitgelaten over dat gesprek en/of mevrouw [naam 1] .

2.9

[verweerster] is tijdens het gesprek op 10 maart 2020 geconfronteerd met de verklaring van mevrouw [naam 3] . Door mevrouw [naam 3] is een gesprek tussen haar en [verweerster] op schrift vastgelegd. In de verklaring staat onder meer het volgende: “Het is duidelijk dat of ik eruit of zij eruit moet en mijn insteek is natuurlijk dat zij eruit gaat (…) Ik laat me niet zomaar aan de kant schuiven door [naam 1] . Dan weet ze nog niet waar ze de strijd mee aangaat. Je ziet van de week had ze al migraine, na as woensdag zal ze nog veel meer migraine hebben”. Mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] hebben in dit gesprek [verweerster] medegedeeld dat er geen vertrouwen meer aanwezig was in een voortzetting van de samenwerking en dat Aafje om die reden haar dienstverband wenste te beëindigen. [verweerster] is met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. Er is geen verbetertraject voor [verweerster] gekomen.

2.10

[verweerster] heeft na het gesprek op 10 maart 2020 per e-mail bezwaar gemaakt tegen de non-actiefstelling. Ook heeft [verweerster] bezwaar gemaakt tegen de officiële waarschuwing van 3 maart 2020.

3. Het verzoek van Aafje en de grondslag daarvan

Aafje heeft verzocht, bij beschikking,

I. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van artikel 7:671b jo artikel 7:669 lid 1 en lid 3 onder g BW;

II. te bepalen dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en zij dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van Aafje dan wel, indien en voor zover de kantonrechter zou menen dat van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerster] geen sprake is, aan haar ten hoogte een transitievergoeding van € 10.290,- bruto toe te kennen;

III. [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.1

Aan het verzoek heeft Aafje naast de bovenstaande vaststaande feiten - kort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag.

3.1.1

Gelet op de aard en het niveau van de functie van [verweerster] – een voorbeeldfunctie bovendien – en het gewicht van haar verantwoordelijkheden is van essentieel belang dat [verweerster] het volledige en onvoorwaardelijke vertrouwen van Aafje geniet. Dit noodzakelijke vertrouwen is niet meer aanwezig. Daaraan ligt in de eerste plaats ten grondslag dat [verweerster] ernstig nalatig heeft gehandeld met betrekking tot de verkrijging van de SectorPlan-Subsidies, als gevolg waarvan Aafje circa € 500.000 aan subsidie is misgelopen. Aafje neemt [verweerster] bijzonder kwalijk dat zij heeft nagelaten om haar leidinggevende over de bestaande risico’s met betrekking tot de verkrijging van de subsidie te attenderen. Ondanks het feit dat [verweerster] door de heer [naam 4] (Projectleider SectorplanPlus bij De Rotterdamse Zorg) op de bestaande risico’s was geattendeerd, heeft [verweerster] de risico’s willens en wetens voor Aafje en haar leidinggevende achtergehouden en niet juist en onvolledig geïnformeerd.

3.1.2

Het nalatig optreden van [verweerster] heeft ernstige gevolgen gehad voor Aafje en diverse functionarissen. [verweerster] heeft niet alleen haar eigen reputatie geschaad, maar zij heeft ook die van haar leidinggevende en die van de Raad van Bestuur en Aafje als organisatie ernstige schade toegebracht.

3.1.3

Aan het wegvallen van het vertrouwen in [verweerster] heeft voorts bijgedragen dat zij niet of nauwelijks blijk geeft van schuldbesef of zelfreflectie en de ernst van haar handelwijze niet tot haar door lijkt te dringen.

3.1.4

Aafje heeft voorts vastgesteld dat ook de stage-administratie niet op orde was en bij Aafje een aantal stagiaires werkzaam was die niet in de systemen van Aafje bekend waren. Ook dit brengt grote risico’s met zich voor Aafje. Hoewel [verweerster] daar al langer mee bekend was, heeft [verweerster] ook dit voor mevrouw [naam 1] achtergehouden, waarmee zij andermaal het in haar gestelde vertrouwen heeft beschaamd.

3.1.5

Reeds op basis van deze twee ernstige incidenten en de ernstige gevolgen daarvan voor Aafje is in de visie van Aafje een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] gerechtvaardigd. [verweerster] heeft zich evenwel definitief onmogelijk gemaakt binnen Aafje door zich op 6 maart 2020 op uitermate negatieve wijze uit te laten over haar leidinggevende, mevrouw [naam 1] , en een collega deelgenoot te maken van haar plannen om een vertrek van mevrouw [naam 1] bij Aafje te bewerkstelligen.

3.1.6

Aafje verwacht van haar medewerkers dat zij collega’s te allen tijde met respect en fatsoen bejegenen en respectvol tegen en over elkaar spreken. De uitlatingen van [verweerster] over mevrouw [naam 1] getuigen niet van enig respect voor haar leidinggevende of gevoel voor hiërarchische verhoudingen. Aafje acht de uitlatingen van [verweerster] onacceptabel. [verweerster] heeft openlijk de positie van haar leidinggevende ondermijnd en getracht om een collega tegen mevrouw [naam 1] op te zetten. De positie van [verweerster] is daardoor onhoudbaar geworden. Er is geen enkel vertrouwen meer in [verweerster] . De arbeidsverhouding is ernstig verstoord. Van een verbetertraject kan onder dergelijke omstandigheden in redelijkheid geen positief resultaat worden verwacht.

3.1.7

Aafje verzoekt de kantonrechter dan ook de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671 b jo artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub g BW. Herplaatsing is niet mogelijk en ligt niet in de rede nu Aafje ieder vertrouwen in [verweerster] heeft verloren.

3.1.8

Aafje stelt zich primair op het standpunt dat géén transitievergoeding aan Aafje moet worden toegekend, nu de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten door [verweerster] zelf. Indien de kantonrechter meent dat daarvan geen sprake is en haar aldus een transitievergoeding toekomt, heeft zij recht op een transitievergoeding van € 10.290,- bruto. Voor toekenning van een aanvullende billijke vergoeding is geen plaats.

4. Het verweer

[verweerster] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. om het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen;

Subsidiair:

II. zo de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, Aafje te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van een transitievergoeding van € 11.052,21 bruto;

III. zo de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, Aafje te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 572.788,- bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

IV. zo de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor [verweerster] geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van de ontbindingsbeschikking;

Primair en subsidiair:

V. Aafje te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de onder II en III genoemde vergoedingen tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. Aafje te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

4.1

Daartoe heeft [verweerster] – zakelijk en verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.1.1

[verweerster] betwist dat sprake is van een redelijke grond voor de gevraagde ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. Er is allereerst geen sprake van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie. In de tweede plaats zijn de door Aafje gestelde feiten waarop de vertrouwensbreuk is gebaseerd, onjuist.

4.1.2

Er is geen subsidie misgelopen. De subsidie is zowel juist aangevraagd als juist geadministreerd. Echter, doordat het aantal verwachte opleidingsactiviteiten en het aantal leerlingen waarvoor de subsidie is aangevraagd, door onvoorziene oorzaken lager is uitgevallen, wordt in 2020 minder subsidie uitgekeerd. [verweerster] heeft volledig en conform de verantwoordelijkheden, opvolging gegeven aan de nodige acties die in het kader van de deadline uitgevoerd diende te worden. Er is dus wel gevolg gegeven aan de e-mails die vanuit De Rotterdamse Zorg, de heer [naam 4] , werden verstuurd. [verweerster] heeft beslist geen informatie achtergehouden om, zoals Aafje kennelijk stelt, ondeugdelijke subsidieverantwoording te verdonkeremanen waardoor de betrokken reputaties van Aafje en mevrouw [naam 1] geschaad zijn. Ook was [verweerster] zich wel degelijk bewust van de begrotingsrisico’s en heeft zij motivatie getoond de betrokken eindverantwoordelijken op de risico’s te wijzen en te helpen tot een goede oplossing. [verweerster] kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de schade en de reputatie van Aafje. [verweerster] heeft herhaaldelijk geadviseerd subsidiebedragen niet of in ieder geval niet voor de volle 100% te begroten wegens het risico van onvoorziene omstandigheden. Bovendien heeft [verweerster] meerdere keren bij Aafje aangedrongen om het subsidieproces te monitoren conform het Proceshandboek subsidies, zodat multidisciplinair wordt samengewerkt met de afdelingen Control en Verkoop die onder meer belast zijn met de controle op de (financiële) risico’s van subsidieaanvragen. Naast het memo SectorplanPlus laat Aafje ook geheel onbesproken dat zij in verband met andere subsidieregelingen al langer bekend was met het risico van het 100% begroten van de subsidieaanvragen en de getoonde initiatieven en transparante houding van [verweerster] daaromtrent.

4.1.3

Ook is er geen sprake (geweest) van misstanden in de stage-administratie. Het is onjuist dat er stagiaires binnen de organisatie werkzaam waren die zonder papieren rondliepen. [verweerster] heeft mevrouw [naam 1] dat al op 20 februari 2020 onder de aandacht gebracht. Op 21 februari 2020 heeft mevrouw [naam 5] (verantwoordelijk opleidingsadviseur Beroepsopleiding) dit nog apart bevestigd dat er geen mededelingen waren van niet ingevoerde stagiaires. Mevrouw [naam 1] heeft echter al op 20 februari 2020 de voorzitter van de Raad van Bestuur gemeld dat de stageadministratie niet op orde was. Daarvoor kan [verweerster] niet verantwoordelijk worden gehouden. Aafje heeft geen grote risico’s gelopen.

4.1.4

Voorts betwist [verweerster] de verklaring van mevrouw [naam 3] , die als ZZP’er in een zakelijke afhankelijkheidsrelatie staat tot mevrouw [naam 1] . [verweerster] herkent zich niet in het met die verklaring geschetste beeld en betwist de juistheid van de gedane stellingen. [verweerster] heeft zich steeds professioneel gecorrespondeerd, ook nadat het verzoekschrift al was ingediend.

4.1.5

Van een grote organisatie als Aafje mag worden verwacht dat zij alles in het werk stelt om een opgelopen inhoudelijk verschil van mening met een leidinggevende weer te normaliseren. Een eerste stap daartoe is een gesprek met elkaar, al dan niet onder begeleiding van een mediator. Als partijen dan nog steeds oneens met elkaar zijn, kan in overleg met elkaar gekeken worden voor een herplaatsing in de organisatie. Aafje heeft zich echter niet ingespannen voor een herplaatsing in een passende functie.

4.1.6

Ter zitting heeft [verweerster] ook een betoog gehouden waarom zij graag bij Aafje terug wil keren en welke band zij met haar en de aldaar werkzame collega’s heeft.

4.1.7

Op grond van het vorenstaande dient het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te worden afgewezen. Indien en voor zover er wel een grond zou zijn voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, dan verzoekt [verweerster] om Aafje te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en daarnaast een billijke vergoeding.

5. De beoordeling

5.1

De kantonrechter stelt allereerst vast dat er geen sprake is van een opzegverbod.

5.2

Thans zal worden beoordeeld of de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden ontbonden.

5.3

Vooropgesteld wordt dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, waarbij in lid 3 van dat wetsartikel nader is omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

5.4

Volgens Aafje is de arbeidsverhouding tussen partijen door toedoen van [verweerster] ernstig verstoord geraakt en is het vertrouwen in [verweerster] definitief verloren. Aafje verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond.

5.5

Blijkens de wetsgeschiedenis is deze grond pas vervuld als sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, die van dien aard is dat van de werkgever in redelijkheid niet langer te vergen is dat hij het dienstverband continueert (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 46).

5.6

Aafje heef drie feiten, te weten – kort gezegd - 1) SectorplanPlus subsidie 2) stageadministratie en 3) de negatieve uitlatingen over de leidinggevende aan de ernstige vertrouwensbreuk ten grondslag gelegd. [verweerster] heeft die feiten gemotiveerd betwist.

Ad 1) SectorplanPlus subsidie

5.7

Aafje heeft [verweerster] niet zozeer verweten dat ze fouten heeft gemaakt bij het aanvragen en toekennen van subsidies, maar ze heeft [verweerster] verweten dat zij willens en wetens informatie over de verkrijging van de subsidie heeft achtergehouden. Uit de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is niet gebleken dat [verweerster] willens en wetens informatie over de verkrijging van de subsidie heeft achtergehouden. Nergens blijkt dat [verweerster] opzettelijk informatie niet aan Aafje heeft verstrekt. Ook valt niet in te zien welke motieven [verweerster] zou hebben gehad om willens en wetens informatie over de verkrijging van de subsidie achter te houden. Gebleken is dat [verweerster] zich wel degelijk bewust was van de begrotingsrisico’s en dat zij motivatie heeft getoond de betrokken eindverantwoordelijken op de risico’s te wijzen en te helpen tot een goede oplossing te komen. Van nalatig optreden van [verweerster] die tot ernstige gevolgen voor Aafje heeft geleid is derhalve niet komen vast te staan.

Ad 2) stage-administratie

5.8

Ook ten aanzien van de stage-administratie heeft Aafje [verweerster] verweten dat zij niet aan haar leidinggevende heeft gemeld dat de stage-administratie niet op orde was of althans daarover geen zekerheid bestond. [verweerster] heeft uitdrukkelijk betwist dat de stage-administratie niet op orde was. Zij heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij op basis van onderzoeken en mede op basis van de email van mevrouw [naam 5] van 21 februari 2020 heeft geconcludeerd dat de stageadministratie in orde was en dat er was voorzien in actieve monitoring. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van Aafje gelegen om deugdelijk te onderbouwen dat de stage-administratie niet op orde was alsmede te concretiseren welke informatie over de stage-administratie [verweerster] zou hebben achtergehouden en Aafje daarvan niet op de hoogte heeft gebracht. De enkele stelling dat de coronacrisis heeft bevestigd dat de stage-administratie niet op orde was, is in het licht van het bovenstaande onvoldoende. Dit betekent dat ook deze feit die aan de vertrouwensbreuk ten grondslag is gelegd niet vaststaat.

5.9

Zelfs als komt vast te staan dat er fouten door [verweerster] zijn gemaakt bij de subsidie aanvragen of bij de stage-administratie dan kan dat niet bijdragen aan de stelling dat de arbeidsverhouding onherstelbaar verstoord is, aangezien Aafje zelf heeft aangegeven - ook uitdrukkelijk ter zitting - dat fouten nu eenmaal gemaakt kunnen worden. Bovendien is kennelijk daarvoor het verbeterplan, zoals beschreven in de brief van 3 maart 2020 in het leven geroepen. Aafje heeft [verweerster] daarin de gelegenheid geboden om een verbetertraject met betrekking tot haar werkzaakheden aan te gaan en was daarvoor ook uitgenodigd voor een vervolggesprek op 11 maart 2020. Hiermee staat dan ook vast dat er op 3 maart 2020 geen sprake was van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie.

Ad 3) Negatieve uitlatingen

5.10

Blijft over het verwijt van Aafje dat [verweerster] negatieve uitlatingen zou hebben gedaan over mevrouw [naam 1] tegenover mevrouw [naam 3] . [verweerster] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij zich negatief heeft uitgelaten over haar leidinggevende. In dit stadium van de procedure kan niet zonder nadere bewijslevering worden vastgesteld of de verklaring van mevrouw De [naam 3] al dan niet op waarheid berust. Maar ook al zou het waar zijn geweest dat [verweerster] zich negatief over mevrouw [naam 1] heeft uitgelaten, dan had het op de weg van Aafje gelegen om ervoor te zorgen dat er een gesprek kwam tussen [verweerster] en mevrouw [naam 1] , al dan niet onder begeleiding van een onafhankelijke derde. Aafje heeft dit echter nagelaten. In plaats van alles in het werk te stellen om een conflict tussen [verweerster] en haar leidinggevende weer te normaliseren, is er ook nog eens “olie op het vuur gegooid” door dit voorval bij mevrouw [naam 1] als betrokkene te melden in plaats van aan een ander persoon binnen de organisatie van Aafje, bijvoorbeeld bij de voorzitter van de Raad van Bestuur of bij een vertrouwenspersoon. Hoewel [verweerster] meerdere keren heeft aangedrongen om een gesprek met elkaar aan te gaan, heeft Aafje – in de persoon van mevrouw [naam 1] – dit telkens afgehouden. Indien het voorval was gemeld bij iemand anders dan mevrouw [naam 1] , dan had Aafje (lees: de Raad van Bestuur) kunnen aansturen op een gesprek tussen [verweerster] en mevrouw [naam 1] . Dit is echter niet gebeurd, waardoor [verweerster] geen enkele mogelijkheid heeft gekregen om haar verhaal te doen en een normaal gesprek te voeren met haar leidinggevende, mevrouw [naam 1] .

5.11

De kantonrechter stelt derhalve vast dat Aafje geen constructieve en reële pogingen heeft gedaan om te onderzoeken of de verstoorde relatie nog herstelbaar is, bijvoorbeeld door middel van gesprekken of mediation en dat die pogingen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Van een werkgever, zeker van een grote organisatie zoals Aafje, mag verwacht worden dat zij dat doet en daartoe zelf het initiatief neemt. Zij heeft dit echter nagelaten en zelfs mediation geweigerd.

5.12

Dit betekent dat het verzoek op de g-grond niet toewijsbaar is.

5.13

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit, in het licht van hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst af het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

veroordeelt Aafje in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort uitgesproken ter openbare terechtzitting.

821