Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6407

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
20-07-2020
Zaaknummer
8284328
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

geen ontslag op staande voet - ovk korter dan 6 maanden, maar aanzegplicht staat in overeenkomst opgenomen, aanzegvergoeding verschuldigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0842
JAR 2020/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8284328 VZ VERZ 20-1074

uitspraak: 11 juni 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in het verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. D.J.W. van Sikkelerus,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SR Global B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. D.J. van de Weerdt.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” respectievelijk “SR Global”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

- het op 23 januari 2020 ter griffie ontvangen verzoekschrift ex artikel 7:681 BW met inbegrip van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel

223 Rv, met producties;

- het verweerschrift, binnengekomen ter griffie op 6 maart 2020, met bijlagen, alsmede een USB-stick;

- de reactie op camerabeelden, alsmede een aanvullend verzoek van [verzoekster] , binnengekomen ter griffie op 20 maart 2020;

- het aanvullend verweerschrift van SR Global.

Het verzoek is op 19 mei 2020 mondeling behandeld. [verzoekster] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigden mr. Van Sikkelerus en mr. Van Voorst. Namens SR Global is mevrouw [naam 1] (directeur) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.

Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

SR Global houdt zich onder meer bezig met het beheren, beleggen, exploiteren, bezitten, verkrijgen en vervreemden van aandelen in andere vennootschappen, van alle andere zaken, zowel roerend als onroerend en van alle andere vermogensbestanddelen.

2.2

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum verzoekster] , is op 9 september 2019 in dienst getreden van SR Global, in de functie van financieel administratief medewerker/office manager voor 32 uur per week. Het salaris van [verzoekster] bedraagt € 2.255,- bruto per maand, exclusief emolumenten.

2.3

In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst staat het volgende:

“Aanvang en duur

De werknemer treedt met ingang van 9 september 2019 bij de werkgever in dienst.

De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd van 9 september 2019 tot en met 29 februari 2020.

Na afloop van deze periode eindigt de arbeidsovereenkomst zonder opzegging van rechtswege zonder dat hiervoor enige opzeggingshandeling noodzakelijk is.

Wel is de werkgever gehouden aan een aanzegplicht.

Werkgever dient de werknemer tijdig, doch uiterlijk één maand voor de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, te informeren of en over de wijze waarop deze arbeidsovereenkomst wordt voortgezet”.

2.4

[verzoekster] werkte op maandag, woensdag, donderdag en vrijdag van 9:00 tot 17:30 uur, waarbij [verzoekster] een half uur pauze per werkdag had.

2.5

Bij de indiensttreding is afgesproken dat [verzoekster] haar maandsalaris in twee delen krijgt uitbetaald. Op 5 december 2019 heeft [verzoekster] aan SR Global verzocht om het maandsalaris niet in twee separate delen uit te betalen, maar in één keer, omdat [verzoekster] bij uitbetaling van twee delen niet uitkomt met de betaling van haar vaste lasten. SR Global heeft aan [verzoekster] medegedeeld geen gehoor aan het verzoek te willen geven.

2.6

Op maandag 9 december 2019 heeft SR Global de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met onmiddellijke ingang opgezegd wegens – kort gezegd – het regelmatig onwettig afwezig zijn op kantoor alsmede de daarover afgelegde onjuiste verklaringen. Het ontslag is bevestigd bij brief van 9 december 2019.

2.7

Bij brief van 12 december 2019 heeft [verzoekster] aan SR Global laten weten het niet eens te zijn met het onterecht gegeven ontslag op staande voet.

3. Het (gewijzigde) verzoek en de grondslag daarvan

in het incident ex artikel 223 Rv

3.1

[verzoekster] heeft verzocht ex artikel 223 Rv bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de procedure, SR Global te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van het salaris van € 2.255,- bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 9 december 2019 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd en [verzoekster] in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum beloop van € 25.000,- dat SR Global in gebreke blijft om [verzoekster] op te roepen en toe te laten om de bedongen werkzaamheden te verrichten;

in de hoofdzaak

3.2

[verzoekster] heeft verzocht – bij beschikking – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. Het niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet te vernietigen;

II. SR Global te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoekster] van € 2.255,- bruto per maand vanaf 9 december 2019 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

III. SR Global te veroordelen tot betaling van de aanzegvergoeding ter hoogte van € 2.255,-

IV. SR Global te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde vergoeding tot aan de dag der algehele voldoening;

V. SR Global te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde van [verzoekster] daaronder begrepen.

3.3

Aan het verzoek heeft [verzoekster] naast de bovenstaande vaststaande feiten – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

3.4

SR Global heeft [verzoekster] ten onrechte op staande voet ontslagen. [verzoekster] heeft op 5 december 2019 – nota bene op pakjesavond – twintig minuten voor 17:30 uur het kantoor verlaten. Dat [verzoekster] niet aanwezig was bij SR Global op kantoor, betekent niet dat [verzoekster] niet voor SR Global aan het werk was. [verzoekster] was rond 17:10 uur niet lijfelijk aanwezig op kantoor, omdat zij poststukken voor SR Global bij het postafgiftepunt heeft gebracht in de nabij gelegen supermarkt De Spar. [verzoekster] was dus nog steeds in de uitoefening van haar werkzaamheden. Nadat SR Global [verzoekster] heeft verzocht om direct terug te gaan naar kantoor, omdat er een uitzendkracht op het kantooradres stond om een sleutel af te leveren bij SR Global, is [verzoekster] direct teruggekeerd naar kantoor en heeft zij de sleutel van de uitzendkracht aangenomen. [verzoekster] betwist dat zij al in de auto zat en onderweg was naar huis. Voorts betwist [verzoekster] dat zij zou hebben gezegd dat de stagiaire ziek naar huis zou zijn gegaan. [verzoekster] was dus niet onwettig afwezig geweest en heeft evenmin verklaringen afgelegd die in strijd zijn met de waarheid. Er is dus geen dringende reden voor ontslag aanwezig.

3.5

Als [verzoekster] al eerder weggegaan was van het werk – hetgeen wordt betwist – dan was dat omdat [verzoekster] vaak haar pauzes heeft doorgewerkt en op dat tijdstip aldus haar pauze heeft opgenomen. [verzoekster] zit vaak geheel alleen op kantoor en is dan onder andere verantwoordelijk voor het beantwoorden van de telefoon. De overeengekomen arbeidsduur van 32 uur per week heeft [verzoekster] ruim behaald. Dat de overuren niet op de urenstaten zijn opgenomen, is juist. Zoals bij veel bedrijven, is het bij SR Global ongebruikelijk om overuren in het systeem in te voeren. Dit brengt een grote ‘rompslomp’ aan administratie met zich. Naar [verzoekster] begrepen heeft, is het bij SR Global de bedoeling dat de betreffende werknemer zélf zijn overuren bijhoudt en dit vervolgens compenseert. [verzoekster] is door SR Global nooit eerder gewezen op het feit dat SR Global niet wenst dat zij haar eigen uren indeelt.

3.6

Wat betreft de camerabeelden stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat de juistheid en de nauwkeurigheid van de beelden niet geverifieerd kunnen worden en dat de camerabeelden hierdoor buiten beschouwing gelaten moeten worden.

3.7

Daarnaast geldt dat SR Global minder vergaande maatregelen had kunnen treffen, voor zover het gedrag van [verzoekster] niet zou zijn toegestaan, zoals een waarschuwing een schorsing of een ander disciplinaire sanctie.

3.8

SR Global heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van [verzoekster] . [verzoekster] is afhankelijk van haar inkomen voor het voorzien in haar eigen levensonderhoud en dat van haar gezin. [verzoekster] en haar gezin komen door het ontslag op staande voet ernstig in de financiële problemen.

3.9

Het ontslag op staande voet dient te worden vernietigd, nu er geen sprake is van een dringende reden.

3.10

Indien en voor zover het ontslag op staande voet niet in stand kan blijven en de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hierdoor per 6 december 2019 herleeft en de arbeidsovereenkomst van rechtswege per 1 maart 2020 is geëindigd, dan geldt het volgende.

3.11

SR Global heeft niet aan haar aanzegverplichting voldaan zoals bedoeld in artikel 7:668 BW. SR Global heeft aan [verzoekster] niet laten weten óf en onder welke voorwaarden de arbeidsovereenkomst voortgezet zou worden, conform artikel 2 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. [verzoekster] maakt op grond van artikel 7:668 lid 3 BW dan ook aanspraak op een vergoeding ten bedrage van het loon over de periode dat de aanzegverplichting niet is nagekomen door SR Global, te weten een bedrag van € 2.255,- bruto.

3.12

Voorts verzoekt [verzoekster] om een voorlopige voorziening voor de duur van het geding, bestaande uit het veroordelen van SR Global tot betaling van het loon vanaf 9 december 2019 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd en haar in staat te stellen de bedongen arbeid op de gebruikelijke en overeengekomen wijze te hervatten. [verzoekster] heeft een spoedeisend belang bij de verzochte voorzieningen.

4. Het verweer

4.1

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het verzoek. Daartoe heeft SR Global – zakelijk en verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.2

Bij de indiensttreding is tussen partijen een duidelijke afspraak gemaakt over het tijdstip waarop het afgesproken salaris zou worden overgemaakt. Op 5 december 2019 hebben partijen in de ochtend daarover op verzoek van [verzoekster] nog gesproken, maar dat gesprek heeft niet geleid tot andersluidende afspraken.

4.3

Er was tot 5 december 2019 sprake van wederzijdse tevredenheid over het werk en de manier waarop [verzoekster] heeft gewerkt, ook toen de directie van SR Global op vakantie was. Met het oog op de specifieke aard van de onderneming van SR Global zijn er ook bewuste afspraken gemaakt over de werktijden. Aan het einde van de werkdag melden regelmatig uitzendkrachten om spullen/sleutels in te leveren en met het oog daarop is bewust 17:30 uur als eindtijd afgesproken en werd er tevens een half uur pauze afgesproken. SR Global betwist nadrukkelijk dat [verzoekster] heeft overgewerkt. Alleen als mevrouw [naam 1] op vrijdagmiddag eerder naar huis ging, mocht het kantoorpersoneel ook eerder weg.

4.4

Op 5 december 2019 heeft zich een incident voorgedaan dat voor SR Global aanleiding was om de beelden van de beveiligingscamera van die dag en de twee weken daarvoor te bekijken. Daaruit is gebleken dat [verzoekster] op die dag vóór 17:00 uur van kantoor is weggegaan zonder poststukken mee te nemen. De werktijd op 5 december 2019 eindigde om 17:30 uur. [verzoekster] had geen toestemming om eerder naar huis te gaan. Omdat een uitzendkracht (de heer [naam 2] ) even na 17:00 uur zich had gemeld op kantoor, maar er niet in kon, heeft mevrouw [naam 1] [verzoekster] gebeld om haar te vragen waar ze op dat moment was. [verzoekster] heeft toen verteld dat zij een broodje was gaan kopen in de naastgelegen supermarkt en dat de stagiaire eerder ziek naar huis was gegaan. De heer [naam 2] heeft verklaard dat [verzoekster] gefrustreerd en boos met de auto terug kwam op kantoor om de sleutels uit de bus te halen. [verzoekster] was dus op dat moment niet op kantoor en evenmin onderweg naar of van het postkantoor.

4.5

Toen SR Global [verzoekster] met haar bevindingen heeft geconfronteerd heeft [verzoekster] in strijd met de waarheid verklaard en beide kwesties neemt SR Global zeer hoog op. Er is geen sprake van dat [verzoekster] meerderde malen de pauzes heeft doorgewerkt en dat zij op die manier tijd heeft “gespaard” die zij vervolgens naar eigen goeddunken kon opnemen. Evenmin heeft [verzoekster] meerdere malen overgewerkt, SR Global betwist dat nadrukkelijk.

4.6

SR Global heeft na het incident op 5 december 2019 de camerabeelden opgevraagd en bekeken om voor zichzelf een duidelijke reconstructie te maken van de laatste werkuren van die dag. SR Global heeft aan het verweerschrift een USB-stick gehecht met daarop de relevante beelden van de beveiligingscamera. Die informatie, gevoegd bij hetgeen de stagiaire en hetgeen de heer [naam 2] had verklaard, heeft zij vervolgens aan [verzoekster] voorgehouden. Zij bleef volharden in haar lezing van de feiten waarop SR Global besloten heeft om haar op staande voet te ontslaan. SR Global heeft de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] meegewogen maar meent dat het welbewust en bij herhaling onwettig afwezig zijn en het daarover in strijd met de waarheid verklaren, een dringende reden oplevert en dat alvorens om die reden de arbeidsovereenkomst te beëindigen, geen waarschuwing o.i.d. is vereist.

4.7

Voor zover de opzegging wordt vernietigd (quod non), geldt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen voor bepaalde tijd was aangegaan (tot 29 februari 2020) zodat [verzoekster] inmiddels geen belang meer heeft bij de door haar gevraagde voorzieningen voor de duur van de procedure.

4.8

Ten aanzien van de gevorderde aanzegvergoeding heeft SR Global het volgende aangevoerd. De aanzegverplichting ex artikel 7:668 lid 1 BW geldt op grond van lid 2 van het betreffende wetsartikel niet als de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een periode korter dan 6 maanden. De vergoeding is slechts verschuldigd bij schending van het bepaalde in lid 1 BW. De vergoeding is derhalve niet verschuldigd als in rechte zou komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst voortduurt na 9 december 2019 (quod non). Hoewel de bepaling over de aanzegverplichting in de arbeidsovereenkomst staat openomen, is er geen sanctie in de arbeidsovereenkomst opgenomen. Artikel 7:668 lid 3 BW is hier niet van toepassing. Er is voorts geen discussie dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden.

5. De beoordeling

in het incident ex artikel 223 Rv

5.1

[verzoekster] verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening om onder meer doorbetaling van loon vanaf 9 december 2019. Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het verzoek van [verzoekster] in de hoofdzaak, komt de kantonrechter met toepassing van artikel 223 Rv niet toe aan een voorlopige voorziening. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. [verzoekster] zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

in de hoofdzaak

5.2

In deze zaak moet onder meer worden beoordeeld of het ontslag op staande voet terecht is gegeven alsmede of SR Global moet worden veroordeeld tot doorbetaling van loon aan [verzoekster] . Ook de vraag of [verzoekster] nog aanspraak maakt op een aanzegvergoeding moet worden beantwoord.

5.3

Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op dat artikel kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer. Op grond van artikel 7:671 lid 1 sub c BW geldt die eis niet wanneer de opzegging geschiedt op grond van artikel 7:677 lid 1 BW, waarin is bepaald dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

5.4

Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de beschouwing te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden.

5.5

De kantonrechter is van oordeel dat de aan [verzoekster] verweten gedragingen; het regelmatig onwettig afwezig zijn en de daarover afgelegde onjuiste verklaringen – zowel op zich beschouwd, als in onderlinge samenhang bezien - in de gegeven omstandigheden, geen dringende reden voor ontslag oplevert. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.

5.6

Als onweersproken staat vast dat de werktijden van [verzoekster] op kantoor van 9:00 tot 17:30 uur zijn en dat zij een pauze heeft van een half uur. Eveneens staat vast dat [verzoekster] op 5 december 2019 voor 17:30 uur het kantoor heeft verlaten. Zij heeft erkend dat zij rond 17:10 uur het kantoor heeft verlaten.

5.7

Partijen verschillen echter van mening over met name het verloop van de dag op 5 december 2019 en de diverse afgelegde verklaringen daarover, die tot het ontslag op staande voet hebben geleid. Met name zijn partijen het niet eens over de vraag of [verzoekster] op 5 december 2019 wel of niet nog in de uitoefening van haar werkzaamheden was, hetgeen zonder nadere bewijslevering niet kan worden achterhaald. Met de overgelegde camerabeelden kan hooguit worden vastgesteld dat [verzoekster] rond 17:10 uur het kantoor heeft verlaten, maar daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat [verzoekster] al naar huis was gegaan. Door SR Global is immers niet betwist dat [verzoekster] uiteindelijk terug naar kantoor is gegaan om de sleutels van een andere werknemer in ontvangst te nemen.

5.8

Ook zijn partijen het niet eens over de vraag of [verzoekster] regelmatig heeft over gewerkt. Ook hier kan zonder nadere bewijslevering niet worden achterhaald of [verzoekster] daadwerkelijk extra uren heeft gemaakt die zij zou hebben gecompenseerd op 5 december 2019 door eerder weg te gaan. Evenmin staat vast dat partijen duidelijke afspraken hebben gemaakt over wat er met de gemaakte overuren mag worden gedaan. Voor [verzoekster] was niet bekend dat zij niet op haar eigen inzicht haar uren mag indelen, althans is zij door SR Global nooit eerder op gewezen dat zij de uren niet op die manier mocht indelen.

5.9

Gelet op het gemotiveerde verweer van [verzoekster] en de tegenstrijdige standpunten van partijen, is de kantonrechter van oordeel dat de aan [verzoekster] verweten gedraging onvoldoende aannemelijk is geworden. Er is ook geen aanleiding om SR Global tot nadere bewijslevering toe te laten, omdat de kantonrechter van oordeel is dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedraging ook niet van zodanige aard is dat deze een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Niet valt in te zien waarom SR Global in de gegeven omstandigheden niet een minder verstrekkende maatregel had kunnen kiezen, zoals een officiële waarschuwing, in plaats van de als ultimum remedium geldende maatregel van ontslag op staande voet. Dit had, mede gelet op de omstandigheden, te weten: dat [verzoekster] slechts enkele maanden in dienst was; dat de arbeidsovereenkomst tot 29 februari 2020 afliep; dat [verzoekster] tot 5 december 2019 goed heeft gefunctioneerd en dat de directie zelfs op vakantie ging, de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] , alsmede de gevolgen die een ontslag op staande voet voor haar heeft, wel van SR Global mogen worden verwacht.

5.10

Geconcludeerd moet worden dat het gegeven ontslag op staande voet niet terecht is gegeven. Nu er geen sprake is geweest van een dringende reden voor een ontslag op staande voet is er aldus opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW in combinatie met artikel 7:677 BW. Het onder punt I verzochte verzoek tot vernietiging van de onverwijlde opzegging zal dan ook worden toegewezen.

5.11

Nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [verzoekster] recht op loon tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Dit betekent dat het onder punt II verzochte verzoek tot doorbetaling van het loon vanaf 9 december 2019 tot het einde van de arbeidsovereenkomst (29 februari 2020) eveneens zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van het opeisbaar worden van de betreffende loonbedragen. De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW zal ook worden toegewezen, omdat SR Global te laat heeft betaald, waarbij de kantonrechter in de omstandigheden van het geval aanleiding ziet om deze te matigen tot 20%.

5.12

Ten aanzien van de verschuldigdheid van de aanzegvergoeding overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 7:668 BW is een werkgever verplicht om de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten ervan. Indien de werkgever die verplichting niet is nagekomen, is de werkgever een aanzegvergoeding verschuldigd. Het ontslag op staande voet wordt vernietigd, zodat er zal worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst doorloopt tot en met 29 februari 2020. In het onderhavige geval is sprake van een overeenkomst voor bepaalde tijd voor een periode korter dan zes maanden. In dat geval geldt er geen aanzegverplichting van de werkgever. Echter, in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst expliciet een aanzegverplichting opgenomen. In dit geval heeft te gelden dat SR Global zich dient te houden aan de aanzegplicht, welke verplichting zij niet is nagekomen. Dat er in de arbeidsovereenkomst geen sanctie op het niet naleven van de aanzegplicht is opgenomen, brengt niet met zich dat de [verzoekster] geen aanspraak kan maken op de aanzegvergoeding. [verzoekster] kan zich namelijk beroepen op de wettelijke bepaling van artikel 7:668 lid 3 BW.

5.13

Nu niet is gebleken dat SR Global aan haar aanzegplicht heeft voldaan, is SR Global de aanzegvergoeding aan [verzoekster] verschuldigd. [verzoekster] heeft de aanzegvergoeding gesteld op € 2.255,- bruto. Dit bedrag zal worden toegewezen. De wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen zoals hierna vermeld.

5.14

SR Global zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 223 Rv;

vernietigt het op 9 december 2019 door Sr Global aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet;

veroordeelt SR Global tot betaling van het salaris van [verzoekster] van € 2.255,- bruto per maand vanaf 9 december 2019 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd (tot en met 29 februari 2019), met de wettelijke verhoging van 20% ex artikel 7:625 BW en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW, vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt SR Global tot betaling van de aanzegvergoeding ter hoogte van € 2.255,- bruto,

te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling;

veroordeelt SR Global in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 83,00 aan verschotten en € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort uitgesproken ter openbare terechtzitting.

821