Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6403

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
20-07-2020
Zaaknummer
C/10/597779 / JE RK 20-1579 en C/10597781 / JE RK 20-1580
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

intrekking resterende periode spoedmachtiging uithuisplaatsing en afwijzen machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/597779 / JE RK 20-1579 en C/10597781 / JE RK 20-1580

datum uitspraak: 16 juni 2020

beschikking

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2010 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2017 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2018 te [geboorteplaats minderjarige 3] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 juni 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het e-mailbericht met bijlagen van mr. R.H.P. Feiner van 15 juni 2020;

- het e-mailbericht van mr. R.H.P. Feiner van 16 juni 2020.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat sinds 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter de betrokkenen in de gelegenheid gesteld om telefonisch te worden gehoord. De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen - gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden - in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te komen en een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

Op 16 juni 2020 heeft de kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, in een groepsgesprek telefonisch gehoord:

- de moeder en haar advocaat mr. R.H.P. Feiner,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Portugese taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van dhr. L.M. Barroso Falcao Ribeiro da Silva, tolk in de Portugese taal.

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te komen en een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van 4 juni 2020 zijn [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 4 september 2020. De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 juni 2020 ook een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

Het aangehouden verzoek

De Raad heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 september 2020.

De Raad heeft het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] tijdens de telefonische behandeling ingetrokken. De moeder heeft de afgelopen periode een positieve ontwikkeling laten zien. De moeder is met iemand in contact gekomen die haar een baan heeft aangeboden. Ook is die persoon bereid om de moeder en de kinderen onderdak te bieden. Totdat de moeder een zelfstandige woning heeft gevonden, is dit een passende plek voor de kinderen. Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarom niet langer noodzakelijk.

De Raad heeft het verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] gehandhaafd en als volgt toegelicht. In de komende periode zal er gezocht worden naar een zelfstandige woning voor de moeder en de kinderen. Het is belangrijk dat de jeugdbeschermer de moeder hierin zal begeleiden en ondersteunen.

De standpunten van de belanghebbenden

De GI heeft ter zitting het gehandhaafde verzoek van de Raad met betrekking tot de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] ondersteund. In de afgelopen periode is er veel gebeurd en de moeder heeft zich actief ingezet om de situatie te verbeteren. Er hebben begeleide bezoekmomenten plaatsgevonden met de kinderen. De kinderen reageren positief op het contact en zij hebben moeite met de scheiding van hun moeder. Totdat de moeder een zelfstandige woning heeft gevonden kan zij met de kinderen bij mevrouw [naam persoon] verblijven, die haar ook een baan heeft aangeboden. Zij wil de moeder begeleiden en ondersteunen om haar leven op de rails te krijgen. De zorgen liggen niet in de opvoedvaardigheden van de moeder, maar in het feit dat de moeder niet over een zelfstandige woning beschikt en daardoor de kinderen geen stabiele en veilige woonomgeving kan bieden. De moeder laat in samenwerking met de hulpverlening een positieve ontwikkeling zien.

Door en namens de moeder is verzocht de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing op grond van artikel 1:265d, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te beëindigen. De uithuisplaatsing is wegens gewijzigde omstandigheden niet langer noodzakelijk. Voorts had, gelet op artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, het weigeren van opvang van de moeder en de kinderen door de gemeente nooit een uithuisplaatsing tot gevolg mogen hebben. Het weigeren van opvang door de gemeente is geen grondslag voor een uithuisplaatsing van de kinderen. Verder geeft de moeder aan bezig te zijn met het regelen van een zelfstandige woning.

De beoordeling

Nu de Raad het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] heeft ingetrokken, kunnen de gronden daarvan niet meer worden onderzocht. De kinderrechter zal daarom dit verzoek van de Raad afwijzen.

De beslissing van de kinderrechter van deze rechtbank van 4 juni 2020, waarin een voorlopige ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] is verleend tot 4 september 2020, zal de kinderrechter in stand houden. In de komende periode is het van belang dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om de moeder te begeleiden en ondersteunen in het zoeken naar een zelfstandige woning.

De beslissing van de kinderrechter van deze rechtbank van 4 juni 2020, waarin een spoed machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg is verleend zal de kinderrechter op grond van artikel 1:265d, lid 4, BW gedeeltelijk intrekken. Op 4 juni 2020 dreigde de situatie te ontstaan waarin de moeder niet in staat zou zijn om in de basale levensbehoeften van de kinderen te voorzien. Gelet op de gewijzigde omstandigheden, waarbij de moeder een baan en onderdak aangeboden heeft gekregen en heeft geaccepteerd, zijn de zorgen weggenomen en is een machtiging tot uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

De kinderrechter zal, in afwachting van de rapportage van het raadsonderzoek, de beslissing op het verzoek van de Raad tot een definitieve ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.

De Raad wordt verzocht de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden) uiterlijk twee weken vóór de hierna te noemen zittingsdatum de definitieve raadsrapportage te doen toekomen.

De beslissing

De kinderrechter:

handhaaft de beslissing van de kinderrechter van deze rechtbank van 4 juni 2020 waarin een voorlopige ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] is verleend tot 4 september 2020;

trekt met ingang van 17 juni 2020 in de beslissing van de kinderrechter van deze rechtbank van 4 juni 2020 waarin een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] is verleend voor de duur van vier weken;

wijst af het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] voor zover hierop niet eerder is beslist;

houdt de beslissing voor het overige verzochte aan;

en alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat het verhoor van de Raad en de belanghebbenden in deze zaak zal plaatsvinden op

20 augustus 2020 te 9:15 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;

de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. C.N. Melkert, kinderrechter;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad en de belanghebbenden;

verzoekt de Raad om uiterlijk twee weken vóór de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden) de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2020 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 30 juni 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.