Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6402

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
20-07-2020
Zaaknummer
C/10/587507 / JE RK 19-3706 en C/10/596141 / JE RK 20-1269
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verlenging machtiging uithuisplaatsing en verlenen vervangende toestemming medische behandeling – psychodiagnostisch onderzoek door KSCD.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/587507 / JE RK 19-3706 en C/10/596141 / JE RK 20-1269

datum uitspraak: 16 juni 2020

beschikking verlenging uithuisplaatsing en toestemming medische behandeling

in de zaken van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Amsterdam,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2009 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

In de zaak met zaak-/ rekestnummer C/10/587507 / JE RK 19-3706 blijkt het procesverloop uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 18 december 2019 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de e-mail met bijlage van de GI van 12 juni 2020, ingekomen bij de griffie op 12 juni 2020.

In de zaak met zaak-/ rekestnummer C/10/596141 / JE RK 20-1269 blijkt het procesverloop uit het verzoek met bijlagen van de GI van 6 mei 2020, ingekomen bij de griffie op 08 mei 2020.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat sinds 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De kinderrechter heeft de betrokkenen op 16 juni 2020 telefonisch, in een zogenoemde conference call, gehoord. De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen - gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden - in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te komen en een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

Gehoord zijn, in aanwezigheid van de griffier:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. P.V. Hübner te Rotterdam, en door mevrouw [naam hulpverleenster] hulpverleenster van Homerun,

- de vader,
- een vertegenwoordiger van de GI, de heer [naam vertegenwoordiger] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam minderjarige] verblijft in een voorziening voor pleegzorg (netwerk).

Bij beschikking van 18 december 2019 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 23 december 2020. Ook heeft de kinderrechter bij die beschikking de machtiging verlengd tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 23 juni 2020. De beslissing is voor het overige aangehouden.

De vader heeft geen toestemming gegeven voor de medische behandeling van [voornaam minderjarige] , zijnde het verrichten van het onderzoek door het Kennis en Servicecentrum voor Diagnostiek (hierna: KSCD).

De (aangehouden) verzoeken

De GI heeft verzocht de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling te verlengen.

Daarnaast heeft de GI verzocht vervangende toestemming te verlenen voor de medische behandeling van [voornaam minderjarige] . Deze medische behandeling betreft het verrichten van het onderzoek door het KSCD naar het perspectief van [voornaam minderjarige] .

De GI handhaaft het aangehouden deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] , dat een periode van zes maanden behelst. Ook handhaaft de GI het verzoek tot vervangende toestemming voor de medische behandeling van [voornaam minderjarige] . De GI licht beide verzoeken als volgt toe. [voornaam minderjarige] heeft al veel meegemaakt: de (v)echtscheiding tussen de ouders, de detentie van de moeder waardoor [voornaam minderjarige] bij haar vader moest wonen, en het overlijden van het kindje in het gezin van de vader. Vervolgens is [voornaam minderjarige] weggelopen bij de vader en heeft zij bij de politie gezeten. Daarom moet worden onderzocht wat een passende behandeling is voor [voornaam minderjarige] . Uit de beschikking van 18 december 2019 blijkt dat het de bedoeling was dat er een onderzoek door het KSCD naar het perspectief van [voornaam minderjarige] en de opvoedingsmogelijkheden door de moeder zou worden uitgevoerd. Beide ouders moeten hiervoor toestemming verlenen. De moeder heeft haar toestemming voor het onderzoek verleend, de vader niet. Ondertussen is [voornaam minderjarige] aangemeld voor een screening bij Enver voor pleegzorg. De oom en tante hebben zich hiervoor aangemeld en zijn positief gescreend. [voornaam minderjarige] kan in dit pleeggezin opgroeien indien uit het KSCD-onderzoek naar voren komt dat zij niet bij de moeder kan wonen. De GI heeft nog geen mogelijkheid gezien om met het pleeggezin te bespreken hoe de contacten tussen de vader en [voornaam minderjarige] kunnen worden vormgegeven en zegt toe dit te zullen oppakken.

Het standpunt van belanghebbenden

Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek tot het verlengen van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] . De moeder is blij dat het goed gaat met [voornaam minderjarige] en hoopt dat [voornaam minderjarige] weer bij haar kan komen wonen. Op dit moment heeft de moeder dagelijks contact met [voornaam minderjarige] en zien zij elkaar om het weekend. De moeder is op zoek naar het vinden van passende huisvesting en heeft inmiddels een urgentieverklaring gekregen. Ook staat de moeder achter het verzoek van de GI tot het verkrijgen van vervangende toestemming om het KSCD-onderzoek te kunnen starten. De moeder betreurt het dat de vader niet wenst mee te werken.

De vader is het niet eens met de verzoeken en vindt dat [voornaam minderjarige] de dupe wordt van het langdurige traject. Volgens de vader is het voor [voornaam minderjarige] van belang dat zij in een onafhankelijk/neutraal pleeggezin wordt geplaatst, zodat zij geen last heeft van de strijd tussen de ouders. Daarnaast kan de vader [voornaam minderjarige] nu niet bereiken, terwijl hij om de week contact met haar wil. Voorts stelt de vader dat de GI het niet eens is met het idee dat [voornaam minderjarige] bij de moeder zou gaan wonen en dat dit in het verzoekschrift van de GI staat vermeld. Volgens de vader is de moeder niet capabel om [voornaam minderjarige] op te voeden en heeft zij een beperking. Daarom weigert de vader toestemming verlenen voor een onderzoek door het KSCD.

De beoordeling

Juridisch kader
Op grond van artikel 1:265h, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen door betrokkenen is aangevoerd blijkt dat het nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding om de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] te verlengen. [voornaam minderjarige] verblijft sinds kort in een netwerkpleeggezin en, in tegenstelling tot de vader, vindt de kinderrechter het fijn voor [voornaam minderjarige] dat zij in een bekende, familiaire omgeving kan verblijven. Zoals reeds in de beschikking van 18 december 2019 is bepaald dient onderzoek door het KSCD plaats te vinden en dient aan de hand van dit onderzoek te worden onderzocht en bepaald waar het perspectief van [voornaam minderjarige] ligt. Omdat het onderzoek door het KSCD ziet op de psychische gesteldheid van onder meer [voornaam minderjarige] , is de kinderrechter van oordeel dat het laten verrichten van dit onderzoek onder een medische behandeling valt. Het psychodiagnostisch onderzoek is noodzakelijk om ernstig gevaar voor de gezondheid en de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] af te wenden, omdat zij duidelijkheid moet krijgen over de plek waar zij kan opgroeien. Is dit in een (netwerk)pleeggezin, bij de moeder mogelijk met hulpverlening, of elders? Indien dit perspectief niet binnen afzienbare tijd wordt vastgesteld, kan dit ernstige gevolgen hebben voor het psychisch welbevinden van [voornaam minderjarige] en haar opgroeien naar volwassenheid.

De kinderrechter acht het voorts van belang dat de GI de komende zes maanden zal inzetten op het stimuleren en ondersteunen van contact tussen [voornaam minderjarige] en de beide ouders. Ongeacht het perspectief van [voornaam minderjarige] mag dit niet aan het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader in de weg staan.

Uit voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 1:265b, lid 1, BW, alsmede dat de vervangende toestemming voor de medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor [voornaam minderjarige] af te wenden.

De beslissing

De kinderrechter:

in de zaak met zaak-/rekestnummer C/10/587507 / JE RK 19-3706

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk 23 december 2020;

in de zaak met zaak-/rekestnummer C/10/596141 / JE RK 20-1269

verleent vervangende toestemming voor de medische behandeling van [voornaam minderjarige] , inhoudende:

het verrichten van het onderzoek naar het perspectief van [voornaam minderjarige] door het KSCD;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 30 juni 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.