Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6357

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
20-07-2020
Zaaknummer
C/10/595795 / JE RK 20-1199
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ots, gewezen ten tijde van corona-maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/595795 / JE RK 20-1199

datum uitspraak: 15 juni 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2003 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, zonder bekende woon- en verblijfplaats in Nederland.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, zonder bekende woon- en verblijfplaats in Nederland.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 28 april 2020, ingekomen bij de griffie op 1 mei 2020;

- het email-bericht van mr. A.L. Kuyt, inhoudende de reactie van de moeder, van 12 juni 2020, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter de betrokkenen in de gelegenheid gesteld om op 15 juni 2020 telefonisch te worden gehoord.

Telefonisch gehoord is een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster] .

Getracht telefonisch te horen, maar niet bereikbaar waren:

- de moeder,

- de vader.

[naam kind] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken.

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – op dit moment voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder. [naam kind] woont bij de ouders.

Bij beschikking van 25 juni 2019 is [naam kind] onder toezicht gesteld tot 25 juni 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam kind] te verlengen voor de duur van zes maanden.

De jeugdbeschermer heeft contact opgenomen met de Centrale Autoriteit van België. De zaak zal in België worden opgepakt. Indien de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, kan de zaak niet op een goede manier worden overgedragen, omdat de jeugdbeschermer dan geen informatie aan de autoriteiten in België mag verstrekken. Desgevraagd heeft de GI aangegeven dat de verlenging van de ondertoezichtstelling voor verzochte duur niet nodig zal zijn, omdat het onderzoek in België al is gestart.

De beoordeling

Uit de brief van mr. Kuijt van 12 juni 2020, met daarbij gevoegd een e-mailbericht van de moeder leidt de kinderrechter af dat de ouders en [naam kind] op de hoogte zijn van de behandeling van de zaak. De moeder heeft in dat e-mailbericht gevraagd het gezin met rust te laten. Zij willen niets meer met de jeugdbescherming te maken hebben.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ouders en [naam kind] sinds 27 februari 2020 zijn uitgeschreven uit Nederland en lopende de huidige ondertoezichtstelling, zonder toestemming van de GI, naar België zijn verhuisd. De GI heeft hiervan melding gemaakt bij de Centrale Autoriteit in België. Omdat het onderzoek van de Centrale Autoriteit in België naar de opvoedsituatie nog niet is afgerond voor het einde van de huidige termijn van de ondertoezichtstelling, heeft de GI verlenging van de maatregel verzocht in Nederland.

Om te voorkomen dat geen goede informatie-uitwisseling tussen de instanties in Nederland en België meer mogelijk is wanneer de ondertoezichtstelling in Nederland eindigt, acht de kinderrechter – ondanks dat de [naam kind] niet langer haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft – zich bevoegd op het verzoek te beslissen.

Zoals gezegd hebben de ouders de GI niet geïnformeerd over hun verhuizing naar België. Het is de jeugdbeschermer sinds 28 februari 2020 niet meer gelukt contact met de ouders en [naam kind] te krijgen. Het is zorgelijk dat de ouders zijn vertrokken, terwijl de zorgen over de ontwikkeling van [naam kind] nog onverminderd aanwezig waren. De ouders accepteren de hulpverlening onvoldoende. [naam kind] staat niet ingeschreven bij een school in België. Ook dit baart zorgen. Op verzoek van de GI is de Centrale Autoriteit van België een onderzoek gestart naar de opvoedingsomgeving van [naam kind] . Gezien de zorgen over de ontwikkeling van [naam kind] is een goede overdracht van belang. Hierbij is het van belang dat de jeugdbeschermer informatie aan de autoriteiten in België kan verstrekken. Nu het onderzoek in België inmiddels is gestart, is de kinderrechter van oordeel dat een periode van drie maanden voldoende moet zijn voor de jeugdbeschermingsinstanties in België om te kunnen besluiten of ook daar een kinderbeschermingsmaatregel nodig is, en zo ja om de overdracht vanuit de GI naar de jeugdbeschermingsinstanties van België te bewerkstelligen.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengen voor de duur van drie maanden.

De beslissing
De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 25 september 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.J. van Bergeijk als griffier en in het openbaar uitgesproken op

15 juni 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 25 juni 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.