Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6294

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
20-07-2020
Zaaknummer
C/10/597497 / JE RK 20-1510
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verlenen ondertoezichtstelling (ots)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/597497 / JE RK 20-1510

datum uitspraak: 30 juni 2020

beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam

betreffende

[naam kind 1] ,

geboren op [geboortedatum kind 1] 2015 te [geboorteplaats kind 1] ,

hierna te noemen [naam kind 1] ,

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2018 te [geboorteplaats kind 2] ,

hierna te noemen [naam kind 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoek met bijlagen van de Raad van 29 mei 2020, ingekomen bij de griffie op 2 juni 2020.

Op 30 juni 2020 zou de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandelen.

Omdat in verband met het COVID-19 virus de rechtbanken slechts zeer beperkt toegankelijk zijn, zijn betrokkenen in de gelegenheid gesteld om telefonisch gehoord te worden.

De kinderrechter heeft tijdens een groepsgesprek telefonisch gehoord:

- de moeder,

- de vader,

- een vertegenwoordigster van de Raad, te weten [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna de GI, te weten [naam vertegenwoordigster 2] .

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om de zaak te behandelen en tot een goed oordeel te komen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind 1] wordt uitgeoefend door de ouders. Het ouderlijk gezag over [naam kind 2] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind 1] en [naam kind 2] wonen bij de ouders.

Het verzoek en het standpunt van de Raad

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [naam kind 1] en [naam kind 2] verzocht voor de duur van twaalf maanden.

De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.

Er is sprake van een patroon van huiselijk geweld. Daarom is de opvoedsituatie voor [naam kind 1] en [naam kind 2] niet stabiel en veilig. De ouders bestrijden het geweld. In de periode van 2015, 2016 en in 2019 zijn echter naar aanleiding van meldingen van de moeder over huiselijk geweld huisverboden opgelegd. In december 2019 heeft het Crisis Interventie Team (CIT) melding gedaan van huiselijk geweld. Op 20 januari 2020 is er een beschermingstafel geweest en is aan de vader een huisverbod opgelegd. Na de beschermingstafel is het drangkader gestart. Daaraan hebben de ouders echter niet mee willen werken. Ook aan het onderzoek van de Raad wilden zij niet meewerken. De ouders hebben ook geen toestemming aan de Raad verleend om informanten te benaderen.

In de periode van 2015 tot 2017 is er sprake geweest van een ondertoezichtstelling. In dat kader is een behandeling bij het Dok, de Waag en ambulante spoedhulp ingezet. Dit is echter onvoldoende toereikend geweest. De vader heeft geen nieuwe behandeling bij de Waag gevolgd nu hij de eigen bijdrage hiervoor niet kon betalen. De ouders stellen zich ten aanzien van hulpverlening in eerste instantie meewerkend op. Vervolgens laten zij een ambivalente houding ten opzichte van de hulpverlening zien en trekken zij zich terug. De veiligheid van [naam kind 1] en [naam kind 2] kan niet worden gewaarborgd. Daarom is hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk.

Het standpunt van de GI en de belanghebbenden

De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad en hetgeen door de Raad ter zitting naar voren gebracht, ondersteund en het volgende aanvullend meegedeeld.

Het huiselijk geweld lijkt met het alcoholgebruik van de vader te maken te hebben. [naam kind 1] en [naam kind 2] hebben last van de spanningen tussen de ouders en zijn getuige geweest van huiselijk geweld. Nog steeds komen er bij de jeugdbescherming meldingen van de moeder binnen dat zij zich onveilig voelt. De ouders hebben echter aangegeven geen hulp te willen.

De vader heeft ter zitting het volgende verklaard.

Al in december 2019 heeft hij aan Veilig Thuis laten weten dat hij open staat voor een ondertoezichtstelling. Vervolgens is hulpverlening echter niet van de grond gekomen. Gelet hierop wilde hij op het moment dat de Raad op 8 mei 2020 met hem telefonisch contact heeft opgenomen, niet meer meewerken. Hij bestrijdt dat hij geen toestemming heeft verleend om informanten te benaderen. Hij heeft immers Reclassering Nederland daarvoor toestemming verleend. Wel is het juist dat hij niet aan een behandeling bij de Waag heeft kunnen meewerken vanwege de hoge eigen bijdrage die hij niet kan betalen. Hij staat ervoor open om te laten zien dat het door de Raad en de GI geschetste beeld niet juist is, dat het goed gaat thuis met [naam kind 1] , [naam kind 2] en met de moeder en dat [naam kind 1] en [naam kind 2] veilig zijn thuis.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij het eens is met hetgeen de vader ter zitting heeft verklaard. In aanvulling daarop heeft zij het volgende verklaard. Zij heeft eerder gelogen over het huiselijk geweld om er voor te zorgen dat de vader het huis uit zou gaan. Als hij alcohol heeft gedronken weet de moeder niet hoe daarmee om te gaan. Na het laatste incident in december 2019 gaat het heel goed thuis en drinkt de vader niet meer. Het gezin zou worden geholpen met een urgentieverklaring voor een nieuwe woning en het wijkteam zou worden benaderd. Er is echter niets gebeurd en geen hulp aangeboden. Daarom wilde zij niet met de Raad en de GI meewerken.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind 1] en [naam kind 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is een patroon zichtbaar van huiselijk geweld tussen de ouders, waarvan [naam kind 1] en [naam kind 2] getuige zijn geweest. In de afgelopen jaren zijn er meerdere huisverboden opgelegd en is in het kader van een eerdere ondertoezichtstelling behandeling bij het Dok, de Waag en ambulante spoedhulp ingezet. Dit heeft er echter niet kunnen voorkomen dat er in december 2019 wederom sprake was van huiselijk geweld. De ouders hebben vervolgens niet meegewerkt in het drangkader en ook niet willen meewerken aan het onderzoek van de Raad. Hierdoor zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er inmiddels sprake is van een gewijzigde situatie bij de ouders thuis, zoals zij mondeling ter zitting hebben aangevoerd. Om te kunnen beoordelen of [naam kind 1] en [naam kind 2] in een voldoende veilige opvoedomgeving bij hun ouders opgroeien, is het van belang dat de ouders zich transparant en open gaan opstellen.

Het is een prille positieve ontwikkeling dat de ouders ter zitting hebben verklaard dat zij ervoor open staan om te laten zien dat zij [naam kind 1] en [naam kind 2] een veilige opvoedsituatie bieden. Nu de hulpverlening in het vrijwillig kader in de afgelopen periode niet van de grond is gekomen, de ouders nog niet in staat zijn om zelfstandig de bedreigde ontwikkeling van [naam kind 1] en [naam kind 2] af te wenden en hun veiligheid te waarborgen, is thans opnieuw hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk.

Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarom zal de kinderrechter [naam kind 1] en [naam kind 2] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [naam kind 1] en [naam kind 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 30 juni 2020 tot 30 juni 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020 door mr. K.J. van den Herik, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 juli 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.