Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6167

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
10/740576-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en de veroordeelde onder invloed was van alcohol en THC.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/740576-16

VI-nummer: [nummer]

Datum uitspraak: 25 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

raadsman mr. P.T. Verweijen, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 180 uur, subsidiair 3 maanden vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 90 dagen in de zaak met VI-nummer [nummer] .

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering feit 1, 2 en 3

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft bepleit dat moet worden uitgegaan van het scenario dat het slachtoffer [naam slachtoffer] met de scooter vanaf het fietspad, de haaientanden negerend, de weg is overgestoken. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de uitslag van het ademonderzoek niet gebruikt mag worden omdat er geen sprake is geweest van een onderzoek in de zin van artikel 8, derde lid onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Het door de verdachte gewenste tegenonderzoek heeft niet plaatsgevonden, terwijl dit niet aan hem te wijten is en hij niet van het tegenonderzoek heeft afgezien. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeluk en het gebruik door de verdachte van alcohol en/of cannabis. Ten slotte is aangevoerd dat in de verkeersongevallenanalyse (hierna: VOA) de politie bij het vaststellen van de indicatieve snelheid ten nadele van de verdachte is uitgegaan van een langere werpafstand dan de daadwerkelijke afstand van nog geen 30 meter. Bij een afstand 27 tot 30 meter, zou volgens de in het VOA-rapport gebruikte tabel zijn uitgekomen op een lagere indicatieve snelheid.

4.1.2.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is vereist dat vast komt te staan dat een verdachte zich als verkeersdeelnemer zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Ook een beperkte, tijdelijke, onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Op 15 december 2016 heeft de verdachte als bestuurder van zijn auto een bromfietser ( [naam slachtoffer] ) op de Mathenesserlaan in Rotterdam aangereden. Om het rijgedrag van de verdachte te kunnen beoordelen, bespreekt de rechtbank eerst enkele omstandigheden rondom het ongeval, die hierbij van belang kunnen zijn.

Waar reed [naam slachtoffer] voorafgaand aan het ongeval?

De rechtbank concludeert op grond van de bewijsmiddelen dat [naam slachtoffer] op een parallelweg van de Mathenesserlaan heeft gereden en met zijn scooter via het oostelijke fietspad bij de Hooidrift de kruising met de primaire rijbaan van de Mathenesserlaan heeft willen oversteken. De getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat het slachtoffer voorafgaand aan de aanrijding parallel reed aan de rijbaan waar de auto van de verdachte heeft gereden. Dit past ook bij de verklaring van de verdachte dat de bromfietser van rechts kwam. Verder blijkt uit de VOA dat aan de hand van de aangetroffen sporen vastgesteld kan worden dat de bromfietser op het kruispunt met het fietspad bij de Hooidrift nagenoeg haaks van rechts naar links (vanuit de positie van de verdachte gezien) moet zijn overgestoken.

De verklaring van de bromfietser, dat hij op de primaire rijbaan reed en links afsloeg, moet op grond van het VOA-rapport onwaarschijnlijk worden geacht en wordt ook niet ondersteund door andere bevindingen in het dossier.

Heeft er een onderzoek zoals vermeld in artikel 8, derde lid onder a, WVW plaatsgevonden?

Na het ongeval heeft bij de verdachte een ademanalyse plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal blijkt dat het resultaat van de ademanalyse aan de verdachte is medegedeeld en dat hij uitdrukkelijk heeft aangegeven een tegenonderzoek te willen laten uitvoeren. Bij de verdachte is vervolgens bloed afgenomen en de kosten van de bloedafname zijn door de verdachte betaald. Het hierop volgende onderdeel van het tegenonderzoek, het bloedonderzoek, is uiteindelijk niet uitgevoerd, omdat de verdachte de kosten hiervan niet heeft betaald aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het afgenomen bloedmonster is na een jaar vernietigd.

De raadsman heeft betoogd dat door het niet uitvoeren van het tegenonderzoek, nadat de verdachte heeft aangegeven van zijn recht hierop gebruik te willen maken, de uitgevoerde ademanalyse niet kan gelden als een onderzoek in de zin van artikel 8, derde lid onder a, van de WVW. Hierbij is aangevoerd dat het uitblijven van een tegenonderzoek in het onderhavige geval niet aan de verdachte te wijten is. De verdachte wist immers niet dat hij naast de door hem verrichte betaling voor de bloedafname ook diende te betalen voor het bloedonderzoek. De politie had hem hierop moeten wijzen. Daarnaast heeft de verdachte de brief van het NFI van 19 december 2019 met een betalingsverzoek voor de uitvoering van het bloedonderzoek niet ontvangen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Vóór de invoering op 1 juli 2017 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer bestond noch wettelijk, noch op grond van de vaste rechtspraak, een verplichting voor de politie om de verdachte te wijzen op het recht op tegenonderzoek bij een ademanalyse. Reeds om die reden faalt de stelling van de verdediging dat de politie de verdachte had moeten informeren over eventuele verdere kosten die zouden voortvloeien uit het gebruik maken van dit recht. Ook zonder wettelijke verplichting is de verdachte, blijkens het dossier, gewezen op zijn recht op een tegenonderzoek. Na de bloedafname is voormelde brief van het NFI geadresseerd aan het door de verdachte bij zijn aanhouding opgegeven adres. Het niet ontvangen van deze brief en het niet betalen voor de uitvoering van het bloedonderzoek komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van de verdachte. Dit heeft tot gevolg dat de ademanalyse die na het ongeval heeft plaatsgevonden valt aan te merken als een rechtsgeldig onderzoek in de zin van artikel 8, derde lid onder a, van de WVW.

Het resultaat van deze ademanalyse was dat de verdachte een alcoholgehalte van 725 µg/l in zijn adem had. Dit is aanzienlijk hoger dan het alcoholgehalte in de adem van 88 µg/l dat bij de verdachte, als beginnend bestuurder, was toegestaan en strookt ook niet met de bewering van de verdachte dat hij die avond hooguit 2 biertjes zou hebben gedronken.

Rijden onder invloed van THC

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat niet vaststaat dat verdachte zodanig onder invloed van THC was dat het ongeluk mede door het gebruik van THC is veroorzaakt. De verdachte was indertijd een grootverbruiker, maar had die avond geen wiet gerookt. De bij de verdachte aangetroffen hoeveelheid is net boven de grenswaarde.

De rechtbank overweegt als volgt. In het toxicologisch rapport staat dat in het bloed van de verdachte een concentratie THC van 0,0040 mg/l is aangetroffen. Bij een waarde van 0,0035 mg/l bij enkelvoudig gebruik van cannabis is naar actuele wetenschappelijke maatstaven sprake van nadelige effecten op de rijvaardigheid. In het onderhavige geval is echter sprake van gecombineerd gebruik. Uit de hierboven vermelde ademanalyse volgt immers dat de verdachte ook onder invloed was van een forse hoeveelheid alcohol. Bij een gecombineerd gebruik van cannabis en alcohol geldt voor het THC-gehalte een lagere grenswaarde, zoals sinds 1 juli 2017 is vastgelegd in artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (0,0010 mg/l). De verdachte had een concentratie THC in zijn bloed die vier maal zo hoog is als deze grenswaarde. Hoewel genoemd besluit ten tijde van het tenlastegelegde nog niet in werking was getreden, en ondanks het feit dat de verdachte naar eigen zeggen een ervaren gebruiker was van wiet, acht de rechtbank op grond van deze hoge concentratie THC bewezen dat de verdachte op dat moment zodanig onder invloed was van cannabis dat hij - in combinatie met zijn hiervoor besproken alcoholgebruik - mede door dit drugsgebruik niet in staat moest worden geacht om een motorvoertuig naar behoren te besturen.

Hoe hard reed de verdachte ten tijde van de aanrijding?

In het VOA-rapport wordt geconcludeerd dat de verdachte op het moment van de aanrijding met een indicatieve snelheid van tussen de 72 en 86 kilometer per uur moet hebben gereden. De rechtbank volgt de raadsman niet in diens stelling dat bij het berekenen van de indicatieve snelheid ten nadele van de verdachte is uitgegaan van een werpafstand van 30 tot 33 meter.

Bij het beantwoorden van de aanvullende vragen die de raadsman naar aanleiding van het VOA-rapport heeft gesteld, is aangegeven dat in de beschrijvingen globale afstanden zijn gebruikt, maar dat alle afstanden gemeten zijn met een accuraat meettoestel. De afstand die tussen de kras en het slachtoffer is gemeten bedraagt minimaal circa 29,83 meter, waarbij het slachtoffer licht diagonaal lag ten opzichte van de rijbaan-as. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de in het VOA-rapport vermelde werpafstand van ongeveer 30 meter. In de grafiek die in het VOA-rapport staat opgenomen valt af te lezen dat bij een werpafstand van 30 meter een snelheid van ongeveer 72 kilometer per uur hoort. De rechtbank gaat op basis van de in dit rapport vermelde uitgangspunten en de daarbij behorende conclusie er vanuit dat de verdachte de bromfietser heeft geraakt met een snelheid van minimaal 72 kilometer per uur.

Beoordeling van het rijgedrag van de verdachte

De verdachte is na een avond uitgaan in de auto gestapt terwijl hij fors alcohol had gedronken. Daarnaast was de verdachte onder invloed van THC. Het rijden onder invloed van alcohol in combinatie met drugs is zeer gevaarzettend. Daarbij komt dat de door de verdachte gereden snelheid aanmerkelijk hoger is dan ter plaatse is toegestaan (50 kilometer per uur), waarbij door de verdachte zelf is aangeven dat hij wist dat er een flauwe bocht in de Mathenesserlaan zat en dat daar tramrails lagen waardoor je daar niet te hard moest rijden. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zijn snelheid in deze situatie aanzienlijk had moeten verlagen om te kunnen anticiperen op andere weggebruikers en zijn auto tijdig tot stilstand te kunnen brengen.

De combinatie van omstandigheden en gedragingen van de verdachte is naar zijn aard en ernst zodanig dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig zijn auto heeft bestuurd en dat het aan zijn schuld te wijten is dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Dat het slachtoffer op basis van de door de rechtbank vastgestelde rijroute ook zelf de ter plaatse geldende verkeersvoorschriften heeft overtreden, leidt wat dit aangaat niet tot een ander oordeel.

Uit de medische verklaringen die onderdeel uitmaken van het dossier blijkt dat [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen door de aanrijding.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 15 december 2016 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Mathenesserlaan, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

- hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 725 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en

- hij, verdachte, is gaan rijden na het gebruik van een stof, te weten THC, en

- hij, verdachte, verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

met een snelheid van minimaal 72 km/uur, een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur, heeft gereden en

(mede door die te hoge snelheid) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een bromfietser, doende was de weg over te steken en

zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en

in aanrijding is gekomen met die overstekende bromfietser,

waardoor die bromfietser ten val is gekomen, als gevolg waarvan die bromfietser, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten een breuk van de schedelbasis, breuken in het onderbeen, een enkelbreuk en een sleutelbeenbreuk) werd toegebracht;

2.

hij op 15 december 2016 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

3.

hij op 15 december 2016 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 725 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen

van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 en feit 3:

de eendaadse samenloop van:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid en derde lid, onderdeel a, van deze wet;

en

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

en

overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (725 µg/l).

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 15 december 2016 een aanrijding veroorzaakt. Hij heeft, rijdend met een te hoge snelheid en onder invloed van alcohol en THC, een bromfietser die de weg overstak aangereden. De verdachte heeft onder de omstandigheden waaronder de aanrijding heeft plaatsgevonden aanmerkelijk onvoorzichtig gereden. Als gevolg van de aanrijding heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen.

Door te rijden met een te hoge snelheid en onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol in combinatie met cannabis, heeft de verdachte - die op dat moment een beginnend bestuurder was - zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en heeft hij de veiligheid van andere verkeersdeelnemers en van zijn medepassagiers in gevaar gebracht. De rechtbank rekent de verdachte dit ernstig aan.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte recent niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat in strafmatigende zin wordt meegewogen dat het slachtoffer, terwijl hij met de scooter op het fietspad reed, de auto van de verdachte geen voorrang heeft verleend en daarmee ook een eigen rol heeft gehad in het ontstaan van het verkeersongeval. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank een taakstraf opleggen.

Gelet op de combinatie van feiten, het onder invloed van alcohol en cannabis te hard rijden en een ongeval veroorzaken, acht de rechtbank de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, zoals door de officier van justitie geëist, een passende bijkomende straf.

Bij de berechting van een zaak waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is op 15 december 2016 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen 15 december 2016 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim drie en half jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van 18 maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf.

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een taakstraf hebben opgelegd voor de duur van 150 uur. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uur opleggen. Gezien de inmiddels verstreken termijn is een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen naar het oordeel van de rechtbank niet meer passend en wordt de ontzegging voorwaardelijk opgelegd.

8. Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

8.1.

Beslissing waarvan herroeping wordt gevorderd

Bij vonnis van de meervoudige kamer deze rechtbank van 21 augustus 2012 is de verdachte ter zake van medeplegen van poging tot doodslag veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest.

De verdachte is op 26 mei 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de hierbij gestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd bedroeg 733 dagen. De proeftijd is ingegaan op 26 mei 2015 en liep tot 27 juni 2017.

8.2.

Standpunt officier van justitie / Standpunt verdediging

De vordering van de officier van justitie strekt tot het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de gehele periode van 733 dagen. Ter zitting heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 90 dagen.

De verdediging heeft primair het standpunt ingenomen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de vordering niet onverwijld is ingediend en de vordering pas na bijna 3,5 jaar ter zitting wordt behandeld. Daarbij komt dat de proeftijd inmiddels ruim 3 jaar geleden verlopen is. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering af te wijzen, gelet op het pleidooi tot vrijspraak. Meer subsidiair is bepleit de vordering af te wijzen, omdat herroeping disproportioneel zou zijn.

8.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn in de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling gepleegd. Hierdoor heeft de verdachte de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Door binnen drie maanden na het verkeersongeval een vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling in te dienen, heeft het openbaar ministerie voldoende voortvarend gehandeld. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering.

De voorwaardelijke invrijheidstelling ziet op een gevangenisstraf die is opgelegd voor andersoortige feiten dan de hierboven bewezen verklaarde feiten. Daarbij komt dat de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling inmiddels bijna drie jaar geleden is verlopen en dat de verdachte in deze periode geen nieuwe justitiecontacten heeft gehad. Om die redenen acht de rechtbank een toewijzing van de vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet opportuun. De rechtbank zal de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling daarom afwijzen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 112 (honderdtwaalf) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 56 (zesenvijftig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren;

wijst af de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.A. Baggerman, voorzitter,

en mrs. J.M.L. van Mulbregt en J.S. van den Berge, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Mathenesserlaan, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

- hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 725 microgram, in elk geval meer dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en/of

- hij, verdachte, is gaan rijden na het gebruik van een stof/stoffen, te weten THC, en/of

- hij, verdachte, verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

met een snelheid gelegen tussen 72 en 86 km/uur, in elk geval een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur, althans met een gelet op de wegsituatie (te weten een flauwe bocht en/of parallel en aan weerszijde van de rijbaan gelegen parkeervakken en een of meerdere voetgangersoversteekplaatsen en meerdere zijstraten) te hoge snelheid heeft gereden en/of

(mede door die te hoge snelheid) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een bromfietser, die reed in dezelfde rijrichting als hij, verdachte, doende was naar links af te slaan en/of doende was de weg over te steken en/of

zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast of geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

in botsing of aanrijding is gekomen met die naar links afslaande bromfietser

en/of overstekende bromfietser,

waardoor die bromfietser ten val is gekomen, als gevolg waarvan die bromfietser, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten een breuk van de schedelbasis, breuken in het onderbeen, een enkelbreuk en een sleutelbeenbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden;

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Mathenesserlaan, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, met een snelheid gelogen tussen 72 en 86 km/uur, zijnde een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur, en/of

(bovendien) met een gelet op de wegsituatie (te weten een flauwe bocht en/of parallel en aan weerszijde van de rijbaan gelegen parkeervakken en één of meerdere voetgangersoversteekplaats(en) en meerdere zijstraten) veel te hoge snelheid heeft gereden en/of

(mede door die veel te hoge snelheid) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een bromfietser, die reed in dezelfde rijrichting als hij, verdachte, doende was naar links af te slaan en/of doende was de weg over te steken en/of

zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast of geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

in botsing of aanrijding is gekomen met die naar links afslaande bromfietser en/of overstekende bromfietser;

2.

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

3.

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 725 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen

van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.