Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6071

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
VI-zaaknummer: 99/000694-37
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeelde heeft de voorwaarden verwijtbaar niet nageleefd. Voorwaardelijke invrijheidsstelling gedeeltelijk herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam

Team straf 1

VI-zaaknummer: 99/000694-37

Datum uitspraak: 10 juni 2020

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank in de zaak tegen de veroordeelde

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein,

raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Capelle aan den IJssel.

Opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank
Rotterdam van 2 augustus 2018, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

Over deze straf is voorwaardelijke invrijheidstelling verleend per 7 juli 2019. De veroordeelde is per 3 oktober 2019 feitelijk in vrijheid gesteld. Als bijzondere voorwaarde is onder meer gesteld:

De veroordeelde dient te verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Exodus, althans een soortgelijke instelling. De veroordeelde dient zich te houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

De proeftijd is ingegaan op 3 oktober 2019 en bedraagt 365 dagen.

De rechter-commissaris heeft op 11 mei 2020 de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling bevolen.

Vordering

Op 8 mei 2020 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, wegens het niet naleven van voormelde voorwaarde.

Bij de vordering is overgelegd het rapport d.d. 7 mei 2020 van het Leger des Heils, afdeling reclassering (hierna ook: de reclassering).

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 10 juni 2020.

De officier van justitie mr. N. van der Meij en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman zijn gehoord.

Voorts is de getuige [naam getuige] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gehoord.

De officier van justitie heeft de vordering mondeling gewijzigd in die zin dat is gerekwireerd tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedurende 60 dagen.

De raadsman heeft verzocht de herroeping van de vordering te beperken tot 34 dagen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De veroordeelde is ervan doordrongen dat hij zich niet aan de voorwaarden van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft gehouden, door zonder toestemming uit Exodus te vertrekken om bij zijn vriendin te gaan wonen. Hij staat echter nog steeds open voor opname in een begeleide woonvorm. Hij wil graag bij zijn vriendin blijven wonen totdat hij in een begeleide woonvorm terecht kan in de regio Rotterdam. Zijn vriendin heeft daarmee ingestemd als overbruggingsperiode. Zij is tevens een beschermende factor in het leven van de veroordeelde. Ook dient in het voordeel van de veroordeelde te worden meegewogen dat hij sinds zijn vertrek uit Exodus vrijwel dagelijks contact met de reclassering heeft gehad om te vertellen hoe het met hem gaat. Zijn enkelband heeft hij na zijn vertrek uit Exodus ook om gehouden.

Beoordeling

Het rapport van de reclassering houdt in dat de veroordeelde op eigen initiatief en zonder toestemming zijn verblijf bij Exodus in de regio Utrecht heeft beƫindigd. Het is niet langer mogelijk gebleken om uitvoering te geven aan het toezicht nu hij bij zijn vriendin in de regio Rotterdam verblijft en hij niet gemotiveerd is voor begeleiding buiten de regio Rotterdam. Gelet op de zorgen op die er zijn is een hulpverleningstraject noodzakelijk om hem te ondersteunen in praktische zin, maar ook om hem te motiveren voor behandeling en begeleiding. Indien hij in een begeleide woonvorm in de regio Rotterdam kan worden geplaatst passend bij zijn beperkingen, ziet de reclassering mogelijkheden het toezicht uit te voeren.

De getuige mevrouw [naam getuige] heeft op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en daarbij verklaard dat de veroordeelde toen hij nog in Exodus verbleef ieder vrij moment bij zijn vriendin verbleef. Er zijn geen aanwijzingen dat hij weer contacten heeft gehad die een negatieve invloed op hem hebben. Zijn vriendin is een beschermende factor in zijn leven en biedt hem de stabiliteit die hij behoeft. Indien de veroordeelde daarnaast nog wordt behandeld, valt te verwachten dat het recidiverisico verder wordt beperkt. Inmiddels is veroordeelde aangemeld bij zeven verschillende begeleide woonvormen in de regio Rotterdam. Het is echter op voorhand niet te voorspellen op welke termijn hij bij een van die woonvormen terecht kan.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de veroordeelde de voormelde voorwaarde dat hij in Exodus verblijft, verwijtbaar niet heeft nageleefd. In beginsel dient de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te worden toegewezen. Gelet op hetgeen de veroordeelde, de raadsman en de getuige op de zitting naar voren hebben gebracht, te weten dat de veroordeelde open staat voor opname in een begeleide woonvorm, hij inmiddels bij een aantal begeleide woonvormen is aangemeld en de vriendin van de veroordeelde ermee instemt dat hij tot die tijd bij haar kan verblijven, zal de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidsstelling zo veel mogelijk beperken tot de tijd die hij nu weer vastzit. De rechtbank zal gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten 36 dagen, moet worden ondergaan. De veroordeelde zit inmiddels 34 dagen vast. Dit betekent dat de rechtbank het bevel schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling met ingang van 12 juni 2020 zal opheffen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst toe de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

gelast dat van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte, groot 36 dagen, moet worden ondergaan;

heft op het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling met ingang van

12 juni 2020 te 10.00 uur.

Deze beslissing is genomen door mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. C.G. van de Grampel en A. Bonder, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 juni 2020.