Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6063

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
8109650 CV EXPL 19-44958
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand. Ontbinding en ontruiming afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8109650 CV EXPL 19-44958

uitspraak: 13 maart 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de stichting

Stichting Woonbron,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S. Atceken-Ata.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Woonbron’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
- de dagvaarding van 15 oktober 2019, met producties;
- de conclusie van antwoord, met een productie;
- het tussenvonnis van 20 november 2019 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief met producties van de gemachtigde van eiseres d.d. 5 december 2019;
- de brief van de gemachtigde van eiseres d.d. 17 december 2019;
- de akte uitlaten tevens houdende vermindering van eis d.d. 14 januari 2020;
- de akte uitlating zijdens gedaagde d.d. 11 februari 2020.

De mondelinge behandeling op 18 december 2019 heeft op verzoek van partijen niet plaatsgevonden.

De kantonrechter heeft de datum van het vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

[gedaagde] huurt van Woonbron op grond van een tussen partijen bestaande huurovereenkomst de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning), tegen een huurprijs van laatstelijk € 844,43 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3. De vordering

3.1

Woonbron vordert, na eisvermindering, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met nevenvorderingen;

  • -

    betaling aan Woonbron van een bedrag van € 2.449,49, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    betaling aan Woonbron van de huurbedragen waarop eisende partij bij wederzijdse nakoming van de huurovereenkomst aanspraak op gemaakt zou kunnen hebben vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag van daadwerkelijke ontruiming;

  • -

    de buitengerechtelijke incassokosten van € 139,71;

  • -

    betaling van de kosten van deze procedure.

3.2

Woonbron heeft nakoming van de huurovereenkomst aan haar vordering tot betaling van de huurpenningen ten grondslag gelegd. Uit de huurovereenkomst vloeit voort dat [gedaagde] een verplichting heeft tot het betalen van de huur. Zij is deze verplichting niet nagekomen. Woonbron vordert betaling van de huurachterstand, en daarnaast rechtvaardigt de tekortkoming in de nakoming ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

4. Het verweer

4.1

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering. Hiertoe voert zij - kort samengevat - het volgende aan. Weliswaar is er een huurachterstand, maar deze is deels ingelopen middels betalingen zodat deze lager is dan Woonbron stelt. De achterstand is ontstaan vanwege financiële en persoonlijke omstandigheden. Thans worden de lopende huurtermijnen voldaan en kan [gedaagde] € 250,- per maand afbetalen. [gedaagde] is een alleenstaande moeder van vier kinderen en zij heeft een zwaarwegend belang bij behoud van haar woning. Het belang van [gedaagde] dient zwaarder te wegen dan het belang van Woonbron bij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] verzoekt dan ook primair om Woonbron niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen dan wel om deze af te wijzen, en subsidiair – indien de vorderingen van Woonbron wel worden toegewezen - de termijn van ontbinding en ontruiming te verlengen tot een maand.

5. De beoordeling

5.1

Op grond van het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het (op tijd) betalen van huur is een van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst voor de huurder.
De vraag is of de tekortkoming van [gedaagde] voldoende ernstig is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Bij de beoordeling van deze vraag moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval. De kantonrechter overweegt als volgt.

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat er een huurachterstand is. Wel verschillen partijen van mening over de hoogte van deze achterstand. Woonbron stelt bij dagvaarding dat de huurachterstand, berekend tot en met oktober 2019 € 3.140,68 bedraagt en, na eisvermindering, berekend tot en met de maand januari 2020 € 2.449,49 bedraagt. Woonbron heeft bij akte van 14 januari 2020 haar vordering nader onderbouwd, aan de hand van onder meer een overgelegde specificatie. Hierop staan de hiervoor genoemde bedragen vermeld. Ook staat hierop vermeld dat in de periode vanaf de datum van dagvaarding (15 oktober 2019) tot en met januari 2020 drie maandelijkse huurtermijnen van € 844,43 zijn voldaan, alsmede aflossingen van € 50,- en € 250,-. De hoogte van voornoemde achterstanden wordt door [gedaagde] betwist. Het is aan [gedaagde] om haar standpunt dat de huurachterstand lager is en verder is ingelopen nader (met stukken) te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van betaalbewijzen. Dit heeft zij niet gedaan, hetgeen wel op haar weg lag. Dit betekent dat [gedaagde] de vordering van Woonbron onvoldoende weersproken heeft, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de door Woonbron genoemde achterstand. Weliswaar heeft [gedaagde] na de akte van Woonbron bij akte van 11 februari 2020 nog een bankafschrift gevoegd waaruit zou moeten blijken dat zij op 22 januari 2020 een bedrag van € 844,43 heeft voldaan, doch Woonbron heeft hierop niet meer kunnen reageren zodat die betaling buiten beschouwing wordt gelaten. Indien dit bedrag daadwerkelijk door Woonbron is ontvangen, strekt dit vanzelfsprekend in mindering van de vordering. De door [gedaagde] gestelde financiële en persoonlijke omstandigheden, hoe moeilijk ook, komen voor rekening en risico van [gedaagde] en ontslaan haar niet van haar betalingsverplichtingen jegens Woonbron. De vordering van Woonbron tot betaling van een bedrag van € 2.449,49 zal worden toegewezen.

5.3

[gedaagde] betwist de wettelijke rente verschuldigd te zijn en voert aan dat zij geen aanmaningen heeft ontvangen. De huur is echter bij vooruitbetaling verschuldigd en [gedaagde] is in gebreke gebleven met tijdige voldoening. De gevorderde rente vanaf de dag der dagvaarding wordt dan ook als onvoldoende weersproken en op de wet gegrond toegewezen, een en ander zoals hierna bepaald.

5.4

Woonbron aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De door Woonbron verzonden aanmaning voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen, nu hierin een hoger bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten wordt genoemd dan op grond van het Besluit is toegestaan. In de aanmaning wordt namelijk aangegeven dat het bedrag aan incassokosten van € 302,04 nog verhoogd moet worden met btw, terwijl € 302,04 het maximale bedrag inclusief btw is dat kan worden toegekend. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.

5.5

Vast is komen te staan dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Woonbron. De huurachterstand bedroeg op de dag van dagvaarding immers meer dan drie maanden, waarmee geen sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis. Dit rechtvaardigt in beginsel ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De huurachterstand is echter inmiddels deels ingelopen en bedraagt thans minder dan drie maanden. Hoewel het inlopen van de huurachterstand de tekortkoming niet ongedaan maakt, is de kantonrechter van oordeel dat deze tekortkoming een ontbinding en ontruiming niet rechtvaardigen. Daarbij wordt ook betrokken dat [gedaagde] sinds november 2019 de betaling van de lopende huurtermijnen heeft hervat en, zoals hiervoor reeds is overwogen, al enige betalingen heeft gedaan ter aflossing van haar huurschuld. Derhalve kan de vordering tot ontbinding en ontruiming niet worden toegewezen.

5.6

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Woonbron te betalen een bedrag van € 2.449,49 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand januari 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het saldo vanaf de dag der dagvaarding dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonbron vastgesteld op € 101,06 aan dagvaardingskosten, € 486,- aan griffierecht en € 420,- aan salaris voor de gemachtigde van Woonbron;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416