Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:606

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2020
Datum publicatie
30-01-2020
Zaaknummer
ROT 19/2330
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres 1 (Stichting) geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Daarom niet aan te merken als een belanghebbende bij haar verzoek aan ACM, zodat er geen sprake is van een (afwijzing van een) aanvraag en dus ook niet van een besluit waartegen het rechtsmiddel van bezwaar kan worden ingesteld. ACM had bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres I niet ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank voorziet zelf in de zaak in die zin dat zij het bezwaar van eiseres I alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Het verzoek aan ACM is niet (mede) is gedaan door eisers II en zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, maar wel beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank laat in het midden of eisers II als belanghebbenden zijn aan te merken, nu niet gesteld of gebleken is dat eisers II redelijkerwijs geen bezwaar konden instellen. Het beroep van eisers II tegen het bestreden besluit dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2330

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres 1] , te [plaatsnaam] , eiseres 1,

[naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] en 127 andere personen, eisers II,

gemachtigde: mr. dr. J.G.L. van Nus,

en

Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster,

gemachtigden: mr. S. Sukul en mr. H.B.M. Römkens.

Met als derde partij

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen (GS), te Groningen,

gemachtigde: mr. R. Sieben.

Procesverloop

Op 31 januari 2018 heeft eiseres 1 ACM verzocht om onderzoek te doen naar gedragingen van de provincie Groningen bij de toewijzing van locaties en exploitanten bij Windpark N33 te Groningen en zo nodig passend op te treden.

Bij besluit van 19 november 2018 (het primaire besluit) heeft ACM dit verzoek primair opgevat als een verzoek om handhaving op grond van de Mededingingswet (Mw) en dat verzoek afgewezen. Voor zover het verzoek verder gaat dan handhaving van de Mw heeft ACM meegedeeld dat zij - gezien haar wettelijke taak, het primaat van het algemeen bestuur en de mogelijkheden van inspraak en beroep - het verzoek niet verder zal behandelen en het verzoek daarmee afgedaan acht.

Bij besluit van 27 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft ACM het bezwaar van eiseres I ongegrond verklaard, het primaire besluit - onder aanvulling van de motivering - gehandhaafd en het verzoek van eiseres 1 om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure afgewezen.

Eiseres 1 en eisers II hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019. Voor eiseres I en eisers II zijn verschenen hun gemachtigde en mr. S.J. de Haan, kantoorgenoot van de gemachtigde. Zij zijn bijgestaan door [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam eiser 3] , eisers II en respectievelijk voorzitter, secretaris en penningmeester van eiseres I. ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. De derde partij is met bericht van verhindering niet verschenen.

Aan het slot van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Met eisers II is afgesproken dat zij de rechtbank binnen een week zouden berichten indien zij hun beroep alsnog zouden intrekken. De rechtbank heeft hierover geen bericht ontvangen van eisers II.

Eiseres I heeft na het sluiten van het onderzoek ter zitting bij brief van 11 december 2019 nog een stuk ingezonden. Nu dit stuk ongevraagd, zonder toestemming en na het sluiten van het onderzoek ter zitting is toegezonden, heeft de rechtbank dit stuk buiten beschouwing gelaten.

Overwegingen

1. Op 31 januari 2018 heeft eiseres 1 ACM meegedeeld dat zij zich niet kan vinden in (onder meer) de gedragingen van GS bij de locatiekeuze en totstandkoming van Windpark N33. Volgens eiseres 1 heeft GS bij de locatiekeuze voor het windpark enkel naar de grondposities van marktpartijen YARD en RWE gekeken. Door niet objectief te kijken naar andere grondposities heeft GS andere initiatiefnemers de mogelijkheid ontnomen om een windpark te realiseren. GS zou hiermee volgens eiseres 1 in strijd handelen met de artikelen 6 en 24 van de Mw en de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De voor het Windpark N33 verleende vergunning en SDE+ subsidie zijn aldus eiseres 1 verleend zonder dat het vereiste gelijkheids- en transparantiebeginsel in acht zijn genomen. Eiseres 1 heeft ACM gevraagd om dit te onderzoeken. ACM heeft hierop het primaire besluit genomen.

2. De rechtbank stelt vast dat het verzoek aan ACM niet (mede) is gedaan door eisers II en dat zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit, maar wel beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs verweten kan worden dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank laat in het midden of eisers II als belanghebbenden zijn aan te merken, nu niet gesteld of gebleken is dat eisers II redelijkerwijs geen bezwaar konden instellen. Het beroep van eisers II tegen het bestreden besluit dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard.

3.1

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiseres I belanghebbende is bij haar (handhavings-)verzoek aan ACM. Immers een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen is een aanvraag (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Pas als er in dit geval sprake is van (een afwijzing van) een aanvraag, is er sprake van een besluit (artikel 1:3, tweede lid en derde lid, van de Awb) en kan het rechtsmiddel van bezwaar worden ingesteld (artikel 8:1 van de Awb, in samenhang met artikel 7:1 van de Awb).

3.2

Een belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2, eerste lid, van de Awb). Met rechtstreeks belang wordt gedoeld op een oorzakelijk verband tussen de (dreigende) aantasting van de belangen van degene die zich als belanghebbende opwerpt en het betrokken besluit. Artikel 1:2, derde lid, van de Awb bepaalt dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.3

De rechtbank is gebleken dat (een deel van de) besluitvorming (zoals verleende (omgevings-)vergunningen en het inpassingsplan) voor realisatie van het Windpark N33 is aangevochten bij Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Eiseres 1 heeft ook aan die procedure deelgenomen. De Afdeling heeft daarover op 29 mei 2019 uitspraak gedaan, ECLI:NL:RVS:2019:1781. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de statutaire doelstelling van eiseres I is het behartigen van belangen van (rechts)personen die tegen de realisatie zijn van windmolens langs de N33 ter hoogte van de gemeenten Veendam en Menterwolde en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt. De stichting komt hiermee naar het oordeel van de Afdeling uitsluitend op voor het belang van een goed woon- en leefklimaat van de bewoners in het genoemde gebied.

3.4.

De rechtbank ziet geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen. Dat eiseres I - zoals zij ter zitting heeft gesteld - (inmiddels) een bredere doelstelling heeft dan in haar statuten is vermeld en ook consumentenbelangen vertegenwoordigt, is onvoldoende onderbouwd. Het ligt op de weg van eiseres I om tijdig een wijziging in haar statutaire doelstelling vast te leggen in haar statuten. Dat zij dat niet heeft gedaan, komt voor haar rekening. Overigens blijkt uit het verzoek van eiseres I ook niet dat het haar is te doen om bescherming van consumentenbelangen zoals eiseres I dat ter zitting heeft gesteld. Wel is haar verzoek gericht op bescherming van de mededinging maar de statutaire doelstelling van eiseres I is niet gericht op bescherming van die belangen. Naar het oordeel van de rechtbank valt bescherming van de mededinging ook niet te scharen onder het belang van een goed woon- en leefklimaat van de bewoners in het genoemde gebied. Dat - zoals ter zitting door eiseres I is betoogd - het bestuur van de Stichting bestaat uit omwonenden en zij omwonenden vertegenwoordigt, waardoor er sprake is van een (handhavings)verzoek van belanghebbenden, slaagt - wat daar verder ook van zij - daarom al niet.

3.5

Nu eiseres I niet is aan te merken als een belanghebbende bij haar verzoek, is er geen sprake van een (afwijzing van een) aanvraag en dus ook niet van een besluit waartegen het rechtsmiddel van bezwaar kan worden ingesteld. Dat betekent dat ACM bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres I niet ontvankelijk had moeten verklaren. Het beroep van eiseres I is dan ook gegrond. Wat eiseres I verder nog naar voren heeft gebracht, behoeft geen bespreking.

Conclusie

4.1

Het beroep van eisers II is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiseres I is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij het bezwaar van eiseres I alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

4.2

Omdat de rechtbank het beroep van eiseres 1 gegrond verklaart, zal ACM worden opgedragen aan eiseres 1 het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

4.3

De rechtbank veroordeelt ACM in de door eiseres 1 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Voor vergoeding van de kosten in bezwaar is geen aanleiding nu geen sprake is van herroeping van het primaire besluit wegens een aan een bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eisers II niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiseres I gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wat in dit geval inhoudt dat het bezwaar van eiseres I niet-ontvankelijk wordt verklaard;

  • -

    bepaalt dat ACM aan eiseres 1 het betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt ACM in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzitter, en mr. E. Lunenberg en mr. S.A. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis – van Wingaarden, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 januari 2020.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.