Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:6050

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-05-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
7444900 CV EXPL 19-454
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

effectenlease, schending zorgplicht, advisering tussenpersoon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7444900 CV EXPL 19-454

uitspraak: 29 mei 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[eiser 1] en [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers,

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.R. van Staveren.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser 1] c.s.’ en ‘Dexia’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding;

  2. de conclusie van antwoord;

  3. de conclusie van repliek;

  4. de conclusie van dupliek;

  5. akte uitlaten producties zijdens [eiser 1] c.s.;

  6. de overgelegde producties.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[eiser 1] c.s. heeft in juni 1998 een aandelenleaseovereenkomst met nummer [nummer 1] (Maximaal Rendement Effect) gesloten met Dexia. In het kader van die overeenkomst heeft [eiser 1] c.s. € 9.885,27 aan Dexia betaald. [eiser 1] c.s. heeft in totaal € 2.199,17 van Dexia ontvangen. Er is een restschuld van € 2.374,52.

2.3

[eiser 1] heeft op 28 augustus 2001 aandelenleaseovereenkomsten met nummers [nummer 2] (4 = 10 Effect) en [nummer 3] (4 = 10 Effect) gesloten met Dexia. In het kader van die overeenkomsten heeft [eiser 1] in totaal € 4.167,96 aan Dexia betaald. [eiser 1] heeft in totaal € 523,24 van Dexia ontvangen. Er is een restschuld van € 6.564,42.

2.4

[eiser 1] heeft in december 2001 een aandelenleaseovereenkomst met nummer [nummer 4] (Overwaarde Effect) gesloten met Dexia. In het kader van die overeenkomst heeft [eiser 1] € 22.905,60 aan Dexia betaald. [eiser 1] heeft € 5.214,70 van Dexia ontvangen.

3. Het geschil

3.1

[eiser 1] c.s. vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat Dexia jegens [eiser 1] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld en/of dat zij jegens [eiser 1] c.s. toerekenbaar is tekortgeschoten;

II. Dexia te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] c.s. te betalen al hetgeen [eiser 1] c.s. aan Dexia heeft betaald onder de litigieuze overeenkomsten, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van de door [eiser 1] c.s. gedane betalingen tot aan de dag van algehele voldoening;

III. voor recht te verklaren dat [eiser 1] c.s. de door Dexia gevorderde restschulden niet verschuldigd is;

IV. voor recht te verklaren dat Dexia aansprakelijk is voor de door [eiser 1] c.s. geleden hypotheekschade, bestaande uit de afsluitkosten, de notariskosten, de taxatiekosten en de betaalde hypotheekrente voor het gedeelte van de hypotheek dat gebruikt is om de inleg in de aandelenleaseovereenkomsten te betalen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van de door [eiser 1] c.s. gedane betalingen tot aan de dag van algehele voldoening;

V. Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten conform rapport Voorwerk II;

VI. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan de vordering legt [eiser 1] c.s. het volgende ten grondslag. Dexia heeft bij het aangaan van de overeenkomsten niet voldaan aan haar zorgplicht. Zij heeft onvoldoende gewaarschuwd voor het risico van een restschuld en zij heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de financiële positie van [eiser 1] c.s. teneinde te kunnen vaststellen of [eiser 1] c.s. de lasten uit de overeenkomsten kon betalen. Dexia heeft samengewerkt met een tussenpersoon die cliënten adviseerde, terwijl die tussenpersoon niet over de vereiste vergunning beschikte. Dexia wist, althans behoorde te weten dat er door de tussenpersoon was geadviseerd. Dexia heeft daarom onrechtmatig tegenover [eiser 1] c.s. gehandeld en is gehouden de door [eiser 1] c.s. geleden schade te vergoeden.

3.3

Dexia weerspreekt niet dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Zij voert als verweer dat de schade mede is veroorzaakt door de eigen schuld van [eiser 1] c.s. als bedoeld in artikel 6:101 BW. De schade dient daarom overeenkomstig de zogenaamde hof-formule voor 1/3e deel door [eiser 1] c.s. zelf te worden gedragen.

4. De beoordeling

4.1

Dexia betwist dat Leaseproces gevolmachtigd is om namens [eiser 1] c.s. deze procedure op te starten. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser 1] c.s. Leaseproces op enig moment heeft ingeschakeld. Leaseproces beschikt immers ook over de stukken van [eiser 1] c.s.. De kantonrechter ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat Leaseproces nog steeds gemachtigd is. Het enkele feit dat het wel eens is voorgekomen dat Leaseproces heeft geprocedeerd namens iemand die al was overleden of iemand die reeds een schikking met Dexia had getroffen, betekent niet dat steeds aan de bevoegdheid van Leaseproces moet worden getwijfeld. In deze zaak zijn er geen concrete aanknopingspunten om aan de bevoegdheid van Leaseproces te twijfelen.

4.2

Het gaat in deze zaak om iemand die met geleend geld in aandelen heeft belegd. [eiser 1] c.s. belegde niet zelf maar via een constructie, de ‘aandelenleaseovereenkomst’. Over deze constructie is in de afgelopen jaren in Nederland een groot aantal procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak procespartij was.

4.3

De Hoge Raad heeft in deze zaken verschillende uitspraken gedaan. Deze uitspraken houden – voor zover hier van belang – het volgende in.

De waarschuwings- en onderzoeksplicht van Dexia

4.4

Bij het aanbieden en aangaan van aandelenleaseovereenkomsten met particuliere beleggers rustte op Dexia een bijzondere zorgplicht. Dexia diende te waarschuwen voor het risico van een restschuld en zij diende onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van particuliere beleggers. Indien Dexia aan een van deze verplichtingen niet heeft voldaan, dan zal dat in het algemeen meebrengen dat zij is gehouden de daarmee verband houdende schade te vergoeden (HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, r.o. 5.2.1-5.3).

Verdeling van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld

4.5

Aan de zijde van de particuliere belegger zal meestal sprake zijn van eigen schuld. Dexia heeft in de meeste gevallen voldoende duidelijk gemaakt dat werd belegd met geleend geld, dat de leaseovereenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moest worden betaald en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald. Dexia hoeft daarom niet alle schade te vergoeden (HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, r.o. 5.6.2).

4.6

Als uitgangspunt geldt dat de vergoedingsplicht op de voet van artikel 6:101 BW verdeeld wordt naar de maatstaf 1 (de particuliere belegger) staat tot 2 (Dexia). Indien Dexia had moeten begrijpen dat de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden, dient de schade volgens deze maatstaf te worden verdeeld zowel voor de restschuld als de rente, aflossing en kosten.

4.7

Indien geen sprake was van een onaanvaardbaar zware last, dient alleen het bedrag van de restschuld volgens deze maatstaf te worden verdeeld. Dexia is dan niet verplicht om de door de afnemer betaalde rente, aflossing en kosten als schade te vergoeden (HR 5 juni 2009, ECLI:NL: HR:2009:BH2815, r.o. 5.6.3).

Verdeling van de vergoedingsplicht in het geval van een tussenpersoon

4.8

Indien Dexia wist of had moeten weten dat de particuliere belegger bij haar is aangebracht door een cliëntenremisier die tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, moet Dexia wel alle schade vergoeden. De reden daarvan is dat Dexia dan had moeten weigeren om de overeenkomst aan te gaan (HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, r.o. 6.2.1-6.2.3).

4.9

Dexia moet ook alle schade vergoeden als de tussenpersoon (wel) voldoende gewaarschuwd heeft voor de financiële risico’s. De omstandigheid dat zij contracteerde in weerwil van een wettelijk verbod moet Dexia zwaar worden aangerekend. De inhoud van het advies is dan niet meer van belang (HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, r.o. 3.6.4).

4.10

De verbindendverklaring van de Duisenbergregeling kan geen grond opleveren voor een bepaalde rechtsuitleg. Het staat degene die zo’n overeenkomst niet wil aanvaarden, vrij een opt out-verklaring uit te brengen en zich tot de rechter te wenden indien hij meent dat een andere uitkomst op haar plaats is. De rechter dient zich ook in dat geval bij zijn beslissing te laten leiden door het geldende recht (HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, r.o. 3.6.6).

Toepassing op deze zaak

4.11

Dexia erkent dat zij niet heeft gewaarschuwd voor het risico van een restschuld. Daarom staat vast dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden en dus onrechtmatig tegenover [eiser 1] c.s. heeft gehandeld. Dat betekent dat Dexia een vergoeding voor geleden schade moet betalen.

4.12

Tussen partijen is ook niet in geschil dat Dexia voldoende heeft duidelijk gemaakt dat werd belegd met geleend geld, dat de leaseovereenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moest worden betaald en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald. Er is daarom sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiser 1] c.s.. Dat betekent dat Dexia in beginsel niet alle schade hoeft te vergoeden.

4.13

[eiser 1] c.s. stelt dat vanwege de rol van de tussenpersoon, [naam spaaradvieskantoor] , de schade geheel voor rekening van Dexia moet komen. Daarom moet worden beoordeeld of Dexia [eiser 1] c.s. als klant van [naam spaaradvieskantoor] had moeten weigeren.

4.14

De regels die golden voor financiële instellingen hadden onder meer als doel om bescherming te geven aan mensen die wilden beleggen. Een tussenpersoon mocht bepaalde werkzaamheden zonder vergunning verrichten omdat de instelling waarmee het contract werd gesloten moest zorgen voor de bescherming van de klanten. Een tussenpersoon mocht:

  • -

    klanten in contact brengen met een beleggingsinstelling (het aanbrengen van een klant);

  • -

    informatie over deze klant doorgeven aan die beleggingsinstelling (waarbij hij bijvoorbeeld wel gegevens over het profiel van de klant mocht doorgeven aan de instelling)

  • -

    klanten informeren over wat een aandelenleaseproduct in het algemeen inhoudt;

  • -

    in het algemeen (niet op een bepaalde klant gericht) reclame maken voor een concreet aandelenleaseproduct, als hij daarbij maar duidelijk vermeldde van welke beleggingsinstelling dit product afkomstig was.

Wat de tussenpersoon zonder vergunning beslist niet mocht doen, was:

  1. een concreet aandelenleaseproduct aanbevelen aan de klant;

  2. een effectenorder doorgeven (dat wil zeggen: een opdracht om aandelen te kopen);

  3. adviseren over de keuze van een instelling die de effectentransacties zou uitvoeren;

  4. bemiddelen bij de totstandkoming van een beleggingsovereenkomst met een beleggingsinstelling.

4.15

Dexia kan er geen beroep op doen dat zij niet bekend was met deze regels. Van een instelling die zich bezighield met de handel in aandelen mag immers worden verwacht dat zij deze regels kent en naleeft.

4.16

De kantonrechter oordeelt dat Dexia geen zaken mocht doen met een tussenpersoon zonder vergunning als Dexia wist (of had moeten weten) dat de tussenpersoon heeft geadviseerd over de keuze van een beleggingsinstelling (c) of heeft bemiddeld bij het contract met Dexia (d). In al die gevallen maakt Dexia immers dezelfde fout: zij sluit een contract via een tussenpersoon terwijl zij weet (of had moeten weten) dat de tussenpersoon zich niet aan de regels heeft gehouden. Daarom had Dexia in al die gevallen moeten weigeren het contract met de klant af te sluiten.

4.17

Naar het oordeel van de kantonrechter is ook sprake van verboden advisering wanneer de tussenpersoon een specifiek product heeft aanbevolen (a). Het doet er dan niet toe of de tussenpersoon op de hoogte was van de persoonlijke financiële situatie van de klant en daarmee rekening heeft gehouden. Het gaat er juist om dat hij de klant geen specifieke producten mag aanraden omdat uiteindelijk in het contact tussen de beleggingsinstelling en de klant bekeken moet worden wat een geschikt product voor deze klant is.

4.18

Dexia betwist dat sprake is van een op de persoon toegesneden financieel advies. In deze zaak heeft [eiser 1] c.s. met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer 1] een door [naam spaaradvieskantoor] opgestelde brief in het geding gebracht. In deze brief is geadviseerd een specifiek financieel product af te sluiten. Dexia heeft niet weersproken dat dit stuk daadwerkelijk door [naam spaaradvieskantoor] is opgesteld. [naam spaaradvieskantoor] mocht dit niet zonder vergunning. In de brief wordt bovendien ingegaan op de persoonlijke financiële situatie van [eiser 1] c.s.. Er is daarom ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 1] sprake van verboden advisering.

4.19

Met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 3] en [nummer 2] heeft [eiser 1] c.s. geen persoonlijk financieel plan of advies overgelegd. Ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is geweest van advisering door [naam spaaradvieskantoor] heeft [eiser 1] c.s. een kopie van beide overeenkomsten in het geding gebracht. Op de overeenkomst met nummer [nummer 2] wordt onderaan de naam [naam spaaradvieskantoor] vermeld alsmede het kenmerk van de adviseur. Op de overeenkomst met nummer [nummer 3] worden deze gegevens niet vermeld. Beide overeenkomsten zijn echter aangegaan op dezelfde datum. Bovendien heeft Dexia niet betwist dat er een huisbezoek heeft plaatsgevonden. Tegen de achtergrond van de werkwijze van [naam spaaradvieskantoor] (zie hierna r.o. 4.22 en 4.23) heeft [eiser 1] c.s. met deze stukken voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van advisering door [naam spaaradvieskantoor] . [naam spaaradvieskantoor] mocht dit niet zonder vergunning. Er wordt daarom ook ten aanzien van de overeenkomsten met nummers [nummer 3] en [nummer 2] van uitgegaan dat sprake is geweest van verboden advisering.

4.20

Met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer 4] heeft [eiser 1] c.s. geen persoonlijk financieel plan of advies overgelegd. [eiser 1] c.s. voert aan dat hij voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomst is geadviseerd door een adviseur van [naam spaaradvieskantoor] , maar beschikt niet over een aanvraagformulier. Ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is geweest van advisering door [naam spaaradvieskantoor] heeft [eiser 1] c.s. een kopie van de overeenkomst in het geding gebracht waarop de naam [naam spaaradvieskantoor] vermeld wordt alsmede het kenmerk van de adviseur. Ook heeft [eiser 1] c.s. een berekening d.d. 5 oktober 2001 overgelegd die betrekking heeft op de hypotheek en de doelen die [eiser 1] c.s. wenst te realiseren. Onderaan dit document is de naam van [naam spaaradvieskantoor] vermeld. Tegen de achtergrond van de werkwijze van [naam spaaradvieskantoor] (zie hierna r.o. 4.22 en 4.23) heeft [eiser 1] c.s. met deze stukken voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van advisering door [naam spaaradvieskantoor] . [naam spaaradvieskantoor] mocht dit niet zonder vergunning. Er wordt daarom ook ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 4] van uitgegaan dat sprake is geweest van verboden advisering.

Bekendheid van Dexia met de rol van [naam spaaradvieskantoor]

4.21

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet vereist dat Dexia wist dat [naam spaaradvieskantoor] in deze concrete zaak een persoonlijk advies heeft gegeven. Dexia wist dat [naam spaaradvieskantoor] een vaste werkwijze had waarbij steeds een persoonlijk advies werd gegeven. Zij diende daarom bij klanten die werden aangebracht door [naam spaaradvieskantoor] te onderzoeken of aan hen een verboden advies was gegeven.

4.22

Dat Dexia wist dat [naam spaaradvieskantoor] een vaste werkwijze had waarbij een persoonlijk advies werd gegeven blijkt uit het volgende.

I. [naam persoon] was oprichter van een adviesbureau dat Dexia aanprees en is daarna bij Dexia aangesteld als de directeur van het bedrijfsonderdeel ‘beleggingsproducten’. Hij heeft destijds de volgende tekst op de website van Dexia geplaatst:

“De producten worden uitsluitend aangeboden via onafhankelijke, gespecialiseerde financiële adviseurs in ons land. Hun kwaliteit en kennis van zaken garandeert hun cliënten een met zorg omkleed, persoonlijk advies.”

II. [naam persoon] heeft daarnaast destijds in een interview het volgende verklaard:

“Klanten kunnen dezelfde aandelenleaseproducten afnemen via zowel Legio Lease als Bank Labouchere. Wat maakt het voor de klant voor verschil?

[naam persoon] : (…) Voor hetzelfde geld kun je je financiële planning ook laten beoordelen en regelen door een bedrijf als [naam spaaradvieskantoor] . In die planning kan dan exact hetzelfde product worden opgenomen. Dat kost de klant niets meer dan rechtstreeks bij Legio Lease afsluiten. Maar het voordeel is natuurlijk wel, dat het product wordt afgesloten als onderdeel van een totaal financieel plan.”

III. Desgevraagd heeft [naam persoon] in een e-mailbericht aan de gemachtigde van [eiser 1] c.s. nog als volgt verklaard:

“Was u ermee bekend dat de adviseurs van [naam spaaradvieskantoor] hun klanten veelal thuis bezochten en hen, al dan niet door middel van een zgn. Financieel Plan, adviseerden om op bepaalde aandelenleaseproducten in te schrijven?

Antw: Ja. De adviseurs van [naam spaaradvieskantoor] c.q. [naam spaaradvieskantoor] bemiddelden bij de klanten thuis op afspraak. Met het oog op de zorgvuldigheid, de controlemogelijkheid en de zoveel mogelijke eenduidigheid in zo’n grote organisatie als [naam spaaradvieskantoor] vonden de klantgesprekken thuis bij de klanten van [naam spaaradvieskantoor] plaats volgens een gereguleerde gespreksopzet en verslaglegging.”

IV. [eiser 1] c.s. wijst ten slotte op het jaarverslag van Dexia van 1997, waarin – voor zover hier van belang – het volgende stond:

“Onder de naam Bank Labouchere worden ook leaseproducten ontwikkeld voor distributie via onafhankelijke intermediairs. Deze producten zijn gericht op spaarders en beleggers die behoefte hebben aan persoonlijk advies door een onafhankelijk intermediair. Dit voorziet in een duidelijke behoefte.”

4.23

Uit bovengenoemde teksten volgt dat op de persoon toegesneden aanprijzingen onderdeel uitmaakten van de vaste werkwijze van [naam spaaradvieskantoor] en dat Dexia daarvan op de hoogte was. Dexia heeft daartegen alleen aangevoerd dat in een groot aantal zaken geen sprake was van een persoonlijk advies, maar dat is niet van belang.

4.24

Dexia had gelet op het voorgaande moeten weigeren om de overeenkomsten met [eiser 1] c.s. aan te gaan. Zij moet daarom de door [eiser 1] c.s. geleden schade met betrekking tot de overeenkomsten, bestaande uit restschuld, rente, aflossing en kosten volledig vergoeden.

Hoogte van de schade

4.25

De door [eiser 1] c.s. geleden schade zal worden berekend aan de hand van de bedragen die [eiser 1] c.s. aan Dexia heeft betaald en die hij van Dexia heeft ontvangen.

4.26

Uit het door Dexia overgelegde financieel overzicht blijkt dat [eiser 1] c.s. in totaal € 36.958,83 aan inleg heeft betaald en € 7.937,11 aan dividend heeft ontvangen. Dat betekent dat [eiser 1] c.s. € 29.021,72 aan schade heeft geleden.

Verkregen voordeel

4.27

[eiser 1] c.s. heeft bij conclusie van repliek erkend dat een bedrag van € 3.094,63 aan door hem verkregen voordeel op de door hem geleden schade in mindering moet worden gebracht.

Hypotheekschade

4.28

De kosten van de hypotheek van [eiser 1] c.s. komen niet voor vergoeding in aanmerking. Die schade staat namelijk te ver af van het onrechtmatig handelen van Dexia en kan niet als gevolg daarvan aan Dexia worden toegerekend. Dexia was niet betrokken bij de totstandkoming van de hypothecaire geldlening.

Wettelijke rente

4.29

[eiser 1] c.s. heeft wettelijke rente gevorderd over bedragen die hij op grond van de overeenkomsten aan Dexia heeft voldaan, telkens vanaf de dag van elke betaling. Dexia heeft daartegen geen verweer gevoerd. De Hoge Raad heeft in een arrest van 1 mei 2015 bepaald (HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198) dat de wettelijke rente berekend moet worden op de manier zoals door [eiser 1] c.s. is gevorderd. Daarom zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.30

Op 12 april 2019 heeft de Hoge Raad in een soortgelijke zaak een arrest gewezen met betrekking tot de vraag wanneer afnemers tegenover Dexia aanspraak kunnen maken op buitengerechtelijke kosten (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590). Uitgangspunt is dat, indien de door Leaseproces verrichte werkzaamheden niet meer omvatten dan het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven, de daarmee gemoeide kosten op grond van de artikelen 6:96 lid 3 BW en 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dergelijke werkzaamheden moeten op een lijn worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of een andere eenvoudige brief zoals bedoeld in HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7004 en HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6164. Ook het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken te kunnen bepalen, zijn werkzaamheden die moeten worden verricht ter voorbereiding van een procedure en die derhalve onder artikel 6:96 lid 3 BW en artikel 241 Rv vallen.

4.31

[eiser 1] c.s. heeft in deze procedure niet gesteld dat andere werkzaamheden zijn verricht dan hierboven bedoeld. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen geheel worden afgewezen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.32

[eiser 1] c.s. vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dexia voert hiertegen verweer.

4.33

Volgens vaste jurisprudentie kan aangenomen worden, dat degene, die een veroordeling tot betaling van een geldsom vordert, het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft (HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602), terwijl een daartegenover gesteld restitutierisico geconcretiseerd moet worden (HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400). Dat de executie mogelijk tot ingrijpende gevolgen leidt, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar is slechts een omstandigheid die meegewogen moet worden (HR 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0976). Het gestelde restitutierisico is niet geconcretiseerd voor wat betreft de situatie van [eiser 1] c.s.. Het belang van Dexia weegt niet zwaarder dan het belang van [eiser 1] c.s., zodat de vorderingen van [eiser 1] c.s. – zoals gevorderd – uitvoerbaar bij voorraad zullen worden verklaard.

Samenvattend

4.34

Samenvattend zal als volgt worden beslist. De onder I gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser 1] c.s. heeft gehandeld. Aan schadevergoeding wordt een bedrag van € 25.927,09 toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente. De onder III gevorderde verklaring voor recht wordt eveneens toegewezen. Voor het overige worden de vorderingen afgewezen.

Proceskosten

4.35

Dexia is in deze procedure op de meeste punten in het ongelijk gesteld. Zij zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Het door [eiser 1] c.s. aan de rechtbank verschuldigde griffierecht dient door de griffier in overeenstemming te worden gebracht met de toegewezen hoofdsom. Dexia dient het verhoogde griffierecht aan [eiser 1] c.s. te vergoeden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser 1] c.s. heeft gehandeld;

veroordeelt Dexia om aan [eiser 1] c.s. te betalen een bedrag van € 25.927,09, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van de door [eiser 1] c.s. gedane betalingen tot de dag van algehele voldoening;

verklaart voor recht dat [eiser 1] c.s. de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is;

veroordeelt Dexia in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] c.s. vastgesteld op € 476,- aan griffierecht, € 98,01 aan dagvaardingskosten en € 960,- aan salaris voor de gemachtigde;

en indien Dexia niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een bedrag van € 100,- aan nasalaris. En indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis voor wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416