Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5999

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
596637 FT EA 20.596
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling. Op grond van artikel 288 lid 2 sub c Fw in verbinding met artikel 358 lid 4 Fw vloeit deze schuld voort uit een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke vordering binnen vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het onderhavige verzoekschrift.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 29 juni 2020

[naam] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 14 mei 2020 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker en zijn beschermingsbewindvoerder, de heer T. Dreessen, zijn telefonisch gehoord op 15 juni 2020 conform TARIC (de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbank vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis). Naar aanleiding van het behandelde ter zitting is verzoeker in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken aan te leveren. De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit Participatiewetuitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 164.375,31.

3 De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Uit het overzicht van het CJIB met peildatum 9 september 2019 blijkt dat verzoeker een schuld heeft van in totaal € 2.425,32, waaronder één van € 2.056,79. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat de schuld van € 2.056,79 betrekking heeft op een veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding aan een benadeelde partij. Volgens de schuldenlijst heeft verzoeker een schuld aan het CJIB laten ontstaan in april 2016.

Verzoeker heeft verklaard dat de schadevergoeding ziet op een gebeurtenis uit 2007, waarvoor hij in 2014 of 2016 is veroordeeld. Verzoeker is verzocht om de rechtbank een kopie van dit strafrechtelijk vonnis toe te sturen. Uit het door verzoeker toegestuurde vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2019 is gebleken dat verzoeker is veroordeeld voor strafbare feiten, gepleegd op 2 juli 2018 en 16 augustus 2018. Verzoeker is veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.000,- aan de benadeelde partij. Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan. Op grond van artikel 288 lid 2 sub c Fw in verbinding met artikel 358 lid 4 Fw vloeit deze schuld voort uit een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke vordering binnen vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het onderhavige verzoekschrift. Deze schuld staat daarom aan toelating in de weg.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2020. 1

De griffier is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.