Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5962

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
10/701012-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne en het voorhanden hebben van grote hoeveelheden paracetamol en fenacetine, bestemd voor de productie van deze harddrugs. Beroep op 359a Sv verworpen, aangezien, anders dan de verdediging heeft betoogd, wel sprake was van een wettelijke grondslag voor het handelen van de opsporingsambtenaren. Veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/701012-20

Datum uitspraak: 23 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. H.L. Heemskerk, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Blanken heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettelijke basis was voor het handelen van de verbalisanten op 12 maart 2020. Hiertoe is aangevoerd dat er op het moment van binnentreden in de woning aan de [adres] geen sprake was van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 96, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waardoor het bewijs dat tijdens de doorzoeking vergaard is, onrechtmatig verkregen is. Het proces-verbaal van verdenking, waar de verdenking kennelijk op werd gebaseerd, geeft daar onvoldoende basis voor. De verschillende incidenten die in dat proces-verbaal opgesomd worden, zijn afzonderlijke gebeurtenissen, waarvan er slechts één direct verband houdt met de verdachte. Dat incident rechtvaardigt het handelen van de verbalisanten in deze zaak niet. De verbalisanten zijn derhalve binnengetreden zonder wettelijke basis. Dit verzuim is ernstig, gelet op de strenge voorschriften die gelden in het opsporingsonderzoek, en het nadeel dat hierdoor is veroorzaakt is groot, nu het recht op privéleven van de verdachte is geschonden. Er is daarom sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, waar de consequentie bewijsuitsluiting aan verbonden moet worden. Subsidiair wordt verzocht om dit verzuim mee te laten wegen in de strafmaat.

4.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van artikel 359a Sv, omdat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Er bestond een verdenking van een misdrijf op het moment van binnentreden van de woning. De incidenten genoemd in het proces-verbaal van verdenking moeten niet gezien worden als losse onderdelen, maar als een geheel. Zo is de verdachte eerder veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en was hij in januari 2020 ook aanwezig in een andere woning, op het moment dat daar grote contante geldbedragen en verschillende voorwerpen werden aangetroffen die veelvuldig gebruikt worden bij het vervaardigen van verdovende middelen. Daarnaast is hij regelmatig gesignaleerd samen met personen die betrokken zijn (geweest) bij Opiumwetdelicten. De combinatie van gebeurtenissen is wat heeft geleid tot die verdenking. Er is daarom voldaan aan de vereisten van artikel 96, eerste lid, Sv. Ook na binnenkomst is gehandeld volgens de eisen van de wet.

4.3.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat voor toepassing van artikel 359a Sv vereist is dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek, waarvan het rechtsgevolg niet reeds blijkt uit de wet. Hierbij moet rekening gehouden worden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat wordt veroorzaakt.

Het binnentreden in de woning op 12 maart 2020 vond plaats op grond van de artikelen 9 van de Opiumwet en 96 Sv. Voor binnentreden op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Opiumwet is een redelijk vermoeden van overtreding van die wet vereist. Artikel 96, eerste lid, Sv vereist voor het binnentreden ter inbeslagneming een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.

Het proces-verbaal van verdenking in combinatie met wat bij de verbalisanten bekend was over de verdachte en de woning aan de [adres] , gaf voldoende aanleiding voor een dergelijk vermoeden en dergelijke verdenking, waardoor het binnentreden van de woning niet onrechtmatig is geweest. Het handelen van de verbalisanten had voldoende wettelijke basis. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering van feit 1

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 12 maart 2020 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 308,8 gram heroïne en ongeveer 1144,3 gram cocaïne,

zijnde heroïne en cocaïne,

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 12 maart 2020 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te

bevorderen 1003,1 gram fenacetine en 9070 gram paracetamol, voorhanden

heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of misslagen in cursief verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5.3.

Bewijsoverwegingen

De verdachte heeft verklaard dat hij in de ochtend van 12 maart 2020 de sleutel van zijn woning aan een onbekend gebleven persoon heeft uitgeleend. Toen hij aan het einde van de middag terug kwam in zijn huis, trof hij daar de ten laste gelegde middelen en stoffen aan. Hij heeft verklaard dat deze er nog niet waren toen hij ’s ochtends de woning verliet.

5.3.1.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde begrijpt de rechtbank de verklaring van de verdachte aldus dat hij hiermee bekent de verdovende middelen opzettelijk aanwezig te hebben gehad. Immers heeft hij, nadat hij twintig minuten in de woning geweest was, de woning kort verlaten en is hij daarna weer naar binnen gegaan. Ruim een half uur later betraden de verbalisanten de woning en troffen zij de verdachte binnen aan. De verdachte heeft hierdoor willens en wetens heroïne en cocaïne aanwezig gehad.

5.3.2.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 2

Ten aanzien van de vraag of de verdachte wetenschap had, al dan niet in voorwaardelijke zin, omtrent de bestemming van de in zijn woning aanwezige fenacetine en paracetamol, overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie is het een feit van algemene bekendheid dat paracetamol een veel gezien versnijdingsmiddel is voor heroïne. Paracetamol is zelf wit van kleur. Om het versnijden niet te laten opvallen, wordt hier vaak een beige- of bruinkleurig materiaal aan toegevoegd. Het is tevens een feit van algemene bekendheid dat de stof fenacetine al jaren geen legale bestemming meer heeft en slechts nog gebruikt wordt als versnijdingsmiddel voor verdovende middelen, met name cocaïne.

Vast staat dat in de woning van de verdachte, naast de eerder besproken verdovende middelen, grote hoeveelheden stoffen zijn aangetroffen die positief testten op paracetamol en fenacetine. Een deel van de paracetamol was bruin. Daarnaast bevonden zich onder andere zeefjes, weegschalen, wegwerphandschoenen, maskers en krikken in de woning, en was een ruimte voorzien van plastic aan de wand, om te dienen als zogenoemde versnijdingsruimte.

In het licht van bovenstaande oordeelt de rechtbank dat de paracetamol en fenacetine bestemd waren tot de voorbereiding van het bewerken en bereiden van verdovende middelen.

De rechtbank acht voorts niet aannemelijk dat de woning binnen het tijdsbestek van één dag volledig is verbouwd tot, in feite, een drugslab. Uit alle, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, omstandigheden concludeert de rechtbank dat de stoffen al aanwezig waren voordat de verdachte die ochtend zijn woning verliet. Voor een bewoner, dus ook voor verdachte, geldt dat hij in beginsel wetenschap heeft van en beschikkingsmacht heeft over de goederen die zich in die woning bevinden. Dat kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden, maar daarvan is niet gebleken. De verklaring van de verdachte hieromtrent acht de rechtbank ongeloofwaardig.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, door aldus te handelen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de stoffen gebruikt werden bij de productie en het versnijden van cocaïne en heroïne.

6. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs en het voorhanden hebben van stoffen die bestemd waren om het bereiden en bewerken van harddrugs voor te bereiden. In zijn woning zijn grote hoeveelheden heroïne en cocaïne aangetroffen, met daarbij contante geldbedragen en stoffen en voorwerpen die doorgaans gebruikt worden bij het bewerken van drugs. Zijn appartement was op zo’n manier ingedeeld dat een kamer gebruik kon worden als versnijdingsruimte.

Het gebruik van verdovende middelen is verslavend en levert een groot gevaar op voor de volksgezondheid. Ook bevordert het gebruik van en de handel in deze middelen de georganiseerde, en de samenleving ondermijnende, criminaliteit. De verdachte heeft hier met zijn handelen een bijdrage aan geleverd. Hij heeft echter geen rekenschap willen geven voor zijn handelen. De rechtbank rekent hem deze feiten aan.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9. In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de het in beslag genomen geldbedrag wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

9.2.

Beoordeling

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag zal de bewaring worden gelast ten behoeve van de rechthebbende, nu thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: 5260 euro.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

en mrs. F. van Buchem en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 maart 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 308,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne en/of ongeveer 1144,3 gram, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne,

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 12 maart 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen

het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te

bevorderen 1603,1 gram fenacetine en/of 9070 gram paracetamol, voorhanden

heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of

ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het

plegen van dat/die feit(en).