Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5916

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
8222964 / CV EXPL 19-53408
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke ontbinding/ontruiming. Overeenstemming over betalingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8222964 / CV EXPL 19-53408

uitspraak: 26 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Havensteder,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders, te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. V.T.E. Kuijpers (Lans Advocaten), te Capelle aan den IJssel.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Havensteder’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 2 december 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 4 maart 2020, waarin de kantonrechter een mondelinge behandeling heeft bepaald;

  • -

    de conclusie van repliek, met één productie;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de akte uitlaten van Havensteder, met producties.

1.2.

In verband met de Corona-problematiek is de geplande mondelinge behandeling niet doorgegaan en is besloten een nadere schriftelijke ronde toe te staan.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen Havensteder als verhuurster en [gedaagde] als huurster bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de huurovereenkomst).

2.2.

Uit hoofde van de huurovereenkomst is [gedaagde] gehouden bij vooruitbetaling huurpenningen aan Havensteder te voldoen, laatstelijk bedragend € 633,85 per maand.

3. De vordering

3.1.

Havensteder heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling aan Havensteder van € 5.278,37 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand februari 2020, € 483,15 aan buitengerechtelijke kosten en € 8,42 aan vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.386,39 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft Havensteder – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

[gedaagde] is, ondanks aanmaning en sommatie, in gebreke gebleven met de tijdige betaling van de verschuldigde huurpenningen en heeft, berekend ten tijde van de dagvaarding, een huurachterstand van € 3.376,82 berekend tot en met de maand november 2019 laten ontstaan. Na de dag van dagvaarding is de huurachterstand opgelopen tot een bedrag van € 5.278,37 berekend tot en met de maand februari 2020. De door [gedaagde] ontstane huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde.

3.2.2.

Door de wanbetaling van [gedaagde] zag Havensteder zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Deze kosten van € 483,15 komen voor rekening van [gedaagde] .

3.2.3.

Voorts maakt Havensteder aanspraak op de wettelijke rente, waaronder een bedrag van € 8,42 aan vervallen rente.

4. Het verweer

Het verweer van [gedaagde] strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van Havensteder in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Havensteder in de proceskosten.

[gedaagde] heeft de hoogte van de gevorderde huurachterstand betwist. Daarnaast heeft [gedaagde] een beroep gedaan op haar slechte financiële omstandigheden. Volgens [gedaagde] is er geen sprake van betalingsonwil maar van betalingsonmacht. Voor [gedaagde] is het vanwege het co-ouderschap over haar dochter van belang dat zij over haar woning kan blijven beschikken, aldus [gedaagde] . Voorts heeft [gedaagde] verzocht om een betalingsregeling.

5. De beoordeling

5.1.

[gedaagde] heeft weliswaar de hoogte van de gevorderde huurachterstand betwist, maar heeft nagelaten haar verweer te onderbouwen met stukken, bijvoorbeeld door middel van het overleggen van betalingsbewijzen. Het verweer van [gedaagde] wordt daarom als onvoldoende gemotiveerd betwist gepasseerd. Nu [gedaagde] verder geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd en met stukken heeft onderbouwd waaruit kan worden afgeleid dat de door Havensteder bij conclusie van repliek gestelde huurachterstand onjuist is, wordt ervan uitgegaan dat [gedaagde] een huurachterstand van € 5.278,37 berekend tot en met de maand februari 2020 heeft laten ontstaan. De persoonlijke en financiële omstandigheden van [gedaagde] , hoe vervelend ook, doen niet af aan haar betalingsverplichtingen jegens Havensteder. Dit bedrag is dan ook toewijsbaar.

5.2.

Havensteder heeft bij akte uitlaten ter rolle van 27 mei 2020 een recente specificatie van de huurachterstand overgelegd en gesteld dat de huurachterstand inmiddels is opgelopen tot een bedrag van € 6.463,76 berekend tot en met de maand mei 2020. Omdat [gedaagde] niet meer op de akte heeft kunnen reageren en geen bewijzen heeft kunnen overleggen van eventuele huurbetalingen die nog niet door Havensteder zijn verwerkt, laat de kantonrechter de huurtermijnen over de periode na februari 2020 buiten beschouwing en gaat de kantonrechter uit van de situatie berekend tot en met de maand februari 2020 zoals onder 5.1. is overwogen.

5.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] gehouden is een bedrag van € 5.278,37 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand februari 2020 aan Havensteder te voldoen. Dit bedrag zal dan ook aan hoofdsom worden toegewezen.

5.4.

Havensteder maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Havensteder, althans haar gemachtigde, heeft aan [gedaagde] een aanmaning verzonden, die voldoet aan de in artikel 6:96, zesde lid BW gestelde eisen. Nu [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd, wordt van de ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] uitgegaan. Daarnaast staat vast dat [gedaagde] niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn tot volledige betaling van de gevorderde hoofdsom is overgegaan. Het gevorderde bedrag van € 483,15 (incl. btw) aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is dan ook toewijsbaar en zal worden toegewezen.

5.5.

De gevorderde vervallen rente van € 8,42 is als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar. De gevorderde rente vanaf de dag der dagvaarding zal worden toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.

5.6.

Ten aanzien van de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Uit rechtsoverweging 5.3 volgt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar betalingsverplichtingen jegens Havensteder. Gelet op de hoogte van deze huurachterstand is in ieder geval geen sprake van een tekortkoming van geringe betekenis. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de tekortkoming van bijzondere aard is. De kantonrechter acht, de door [gedaagde] naar voren gebrachte financiële en persoonlijke omstandigheden in acht nemend, ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde dan ook gerechtvaardigd, mede gelet op het belang van Havensteder bij een huurder die (tijdig) aan zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst voldoet.

De kantonrechter begrijpt echter dat Havensteder ermee instemt dat de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk worden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huren strikt betaald worden en daarnaast de huurachterstand en de kosten van de procedure worden voldaan met een betaling van € 50,00 per maand. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde zullen daarom slechts worden toegewezen, indien [gedaagde] niet aan voornoemde betalingsverplichtingen voldoet.

5.7.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder tegen kwijting te betalen € 5.769,94 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand februari 2020, vergoeding van buitengerechtelijke kosten en vervallen rente, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het saldo dat vanaf de dag der dagvaarding aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke debetmutatie, heeft uitgestaan;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Havensteder vastgesteld op € 587,06 aan verschotten en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verstaat dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een betalingsregeling, in die zin dat [gedaagde] het totaal aan Havensteder te betalen bedrag, inclusief rente en kosten als voormeld, naast de lopende huur, aan Havensteder voldoet in maandelijkse termijnen van € 50,00, voor het eerst uiterlijk op 30 april 2020 en vervolgens telkens op voornoemde dag van de maand, zodat er tussen opvolgende betalingen telkens precies één maand zit;

verstaat dat Havensteder niet tot tenuitvoerlegging van dit vonnis zal overgaan zolang [gedaagde] voor stipte betaling van de hiervoor bedoelde maandtermijnen zorgdraagt, naast de lopende huur vanaf de maand maart 2020;

en bovendien, maar alléén voor het geval [gedaagde] deze betalingsverplichtingen niet behoorlijk nakomt:

bepaalt dat het ingevolge dit vonnis nog verschuldigde bedrag geheel ineens opeisbaar is;

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen met ingang van de dag nadat [gedaagde] ten aanzien van de nakoming van de vorenbedoelde betalingsverplichtingen in verzuim is en veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;

veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder met ingang van de maand maart 2020 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt te betalen de huurbedragen waarop Havensteder bij wederzijdse nakoming van de huurovereenkomst aanspraak gemaakt zou kunnen hebben;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37555