Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5905

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
8190330 / CV EXPL 19-51451
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke verbintenis onder opschortende voorwaarde (artikel 6:21 jo. 6:22 BW). Niet gebleken is dat opschortende voorwaarde in vervulling is gegaan, zodat vordering noet niet opeisbaar is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8190330 / CV EXPL 19-51451

uitspraak: 19 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: M. Hennen (Juristu Incassodiensten B.V.), te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. N. Schuerman (Schuerman advocaten), te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennisgenomen heeft:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 18 november 2019, met producties ;

  • -

    de conclusie van antwoord, met één productie;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben in het verleden regelmatig deelgenomen aan programma’s via netwerkmarketing met het doel geld te verdienen.

2.2.

[eiseres] heeft [gedaagde] benaderd voor deelname aan het programma van Global Intergold. [eiseres] heeft [gedaagde] aangemeld voor een zogeheten Goldset Global Smart table en heeft het inschrijfgeld hiervoor ter hoogte van € 275,00 voor [gedaagde] betaald.

2.3.

Op 22 juli 2017 heeft [eiseres] een bedrag van € 214,95 op een debet kaart van [gedaagde] overgemaakt ter zake het inschrijfgeld voor MWR.

3. De vordering

3.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 517,90 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 april 2018 tot de dag der algehele voldoening;

II. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure van € 211,75 alsmede de nakosten van deze procedure voor een bedrag van € 131,00, dan wel indien betekening van dit vonnis plaatsvindt voor een bedrag van € 199,00, een en ander – voor het geval voldoening binnen de termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele finale kwijting;

III. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van buitengerechtelijke kosten aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 93,99, deze buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] , naast de hiervoor genoemde vaststaande feiten, – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

Tussen partijen is een tweetal geldleningsovereenkomsten gesloten, uit hoofde waarvan [gedaagde] gehouden is het door [eiseres] geleende bedrag van in totaal € 517,90 aan [eiseres] terug te betalen. De eerste lening betreft de inschrijfkosten voor Global Intergold die [eiseres] ten behoeve van [gedaagde] heeft betaald ter hoogte van in totaal € 302,95, bestaande uit € 275,00 (inschrijfkosten), € 22,30 (overmaakkosten) en € 5,65 (1.9% kosten voor overmaking naar debetkaart bij bedrijf Skrill). De tweede lening betreft de inschrijfkosten voor MWR die [eiseres] ten behoeve van [gedaagde] heeft overgemaakt op de debetkaart van [gedaagde] ter hoogte van € 214,95.

Voorts heeft [gedaagde] aan [eiseres] beloofd het nog openstaande bedrag ter hoogte van € 8,05 van Imelda, een kennis en klant van [gedaagde] , voor haar rekening te nemen. Dit bedrag is [gedaagde] , bovenop voornoemde bedragen, aan [eiseres] verschuldigd.

[gedaagde] is, ondanks herhaalde aanmaning en sommatie, in gebreke gebleven met de tijdige en volledige betaling van voornoemde bedragen.

3.2.2.

Door de wanbetaling van [gedaagde] zag [eiseres] zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Deze kosten van

€ 93,99 komen voor rekening van [gedaagde] .

3.2.3

Voorts maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke rente over de hoofdsom berekend vanaf 22 april 2019 tot de dag der algehele voldoening.

4. Het verweer

4.1.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten alsmede de nakosten.

4.2.

Daartoe heeft [gedaagde] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

[gedaagde] betwist niet dat zij ingeschreven staat bij Global en MWR en dat [eiseres] hiervoor de inschrijfkosten heeft betaald. Tussen partijen is echter nooit afgesproken dat dit een lening betreft. Tussen partijen is afgesproken dat alleen in het geval [gedaagde] met het programma geld zou verdienen, zij de inschrijfkosten aan [eiseres] diende terug te betalen. [gedaagde] heeft de inschrijfkosten nog niet terugverdiend, waardoor de (opschortende) voorwaarde niet in vervulling is gegaan en [gedaagde] niet verplicht is geworden tot terugbetaling van het door [eiseres] betaalde bedrag. Voorts betwist [gedaagde] de verschuldigdheid van het bedrag van € 8,05.

5. De beoordeling

5.1.

Allereerst dient beoordeeld te worden hoe de tussen partijen gemaakte afspraken zich kwalificeren.

5.2.

[eiseres] heeft gesteld dat zij in het kader van een geldlening een bedrag van in totaal € 517,90 aan [gedaagde] heeft verstrekt. Volgens [eiseres] is tussen partijen afgesproken, en is het bovendien een gewoonte bij partijen, dat [gedaagde] het bedrag diende terug te betalen bij haar eerste verdienste met het programma. [gedaagde] heeft weliswaar erkend dat [eiseres] de inschrijfkosten bij Global Intergold en MWR ter hoogte van in totaal € 517,90 voor [gedaagde] heeft betaald, maar zij heeft aangevoerd dat tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] dit bedrag alleen diende terug te betalen onder de (opschortende) voorwaarde dat zij de inschrijfkosten heeft terugverdiend.

5.3.

Gelet op de stellingen van partijen over en weer, duiden de tussen partijen gemaakte afspraken naar het oordeel van de kantonrechter op een voorwaardelijke verbintenis onder opschortende voorwaarde ex artikel 6:21 juncto 6:22 BW. De tussen partijen gesloten overeenkomst is in haar werking namelijk afhankelijk van een toekomstige gebeurtenis waarvan – tussen partijen – niet zeker is of hij zal intreden. Of tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] , zoals [eiseres] heeft gesteld, het bedrag dient terug te betalen bij haar eerste verdienste, of dat, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, [gedaagde] het bedrag pas dient terug te betalen indien zij de inschrijfkosten heeft terugverdiend, kan in dit verband in het midden blijven. In beide gevallen is namelijk sprake van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Het is immers niet met zekerheid te zeggen dat [gedaagde] met het programma geld zou verdienen. Zoals [eiseres] terecht heeft gesteld bestaat er namelijk een risico op verlies.

5.4.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of de opschortende voorwaarde waarvan de werking van de verbintenis afhankelijk is gesteld in vervulling is gegaan.

5.5.

[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat de (opschortende) voorwaarde zijn kracht heeft verloren doordat deze in vervulling is gegaan. Daartoe heeft zij het volgende gesteld. [gedaagde] heeft twee betalingen van € 450,00 respectievelijk € 1.200,00 ontvangen op haar account bij Global Intergold. Met deze verdiensten had [gedaagde] het aan [eiseres] verschuldigde bedrag dienen terug te betalen. [gedaagde] heeft echter, ondanks een verzoek van [eiseres] tot terugbetaling, haar verdiensten in een Pro Pakket en in een LINE pakket geïnvesteerd. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eiseres] een uitdraai uit de administratie van Global Intergold in het geding gebracht. Bovendien is de financiële situatie van [gedaagde] verbeterd en is zij in de gelegenheid om haar schuld aan [eiseres] te voldoen.

5.6.

[gedaagde] heeft betwist dat zij de door [eiseres] gestelde betalingen van Global Intergold heeft ontvangen en dat de (opschortende) voorwaarde in vervulling is gegaan.

5.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de uitdraai van de administratie van Global Intergold niet dat [gedaagde] een tweetal betalingen van Global Intergold heeft ontvangen. [eiseres] heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld en met stukken onderbouwd waaruit kan worden afgeleid dat de opschortende voorwaarde in vervulling is gegaan. De stelling van [eiseres] dat de financiële situatie van [gedaagde] is verbeterd leidt niet tot een andere conclusie, nu niet blijkt dat – voor zover daarvan al sprake is – de financiële situatie van [gedaagde] is verbeterd door haar verdiensten bij Global Intergold of MWR. Of tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] het bedrag dient terug te betalen bij haar eerste verdienste, of pas indien zij de inschrijfkosten heeft terugverdiend kan wederom in het midden worden gelaten, nu niet is komen vast te staan dat van een van deze situaties sprake is. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] dat aan de voorwaarde tot terugbetaling is voldaan, rusten op [eiseres] als partij die desondanks nakoming verlangt, de stelplicht en bewijslast dat de voorwaarde niet langer aan nakoming in de weg staat doordat deze in vervulling is gegaan (vgl. HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228). Nu [eiseres] geen (specifiek) bewijsaanbod ter zake heeft gedaan, zal zij niet worden toegelaten tot nadere bewijslevering.

5.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiseres] tot betaling van het bedrag van € 517,90 nog niet opeisbaar is geworden en dat de vordering daarom zal worden afgewezen. Datzelfde lot delen de daaraan verbonden overige vorderingen.

5.9.

[eiseres] heeft voorts gesteld dat [gedaagde] bovenop het bedrag van € 517,90 een bedrag van € 8,05 aan [eiseres] verschuldigd is. [eiseres] heeft dit bedrag echter niet gevorderd, zodat de stellingen van partijen ter zake ook geen bespreking behoeven.

5.10.

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 240,00 aan salaris voor de gemachtigde, en indien [eiseres] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 60,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Indien van toepassing dienen beide bedragen te worden vermeerderd met btw;

verklaart dit vonnis – voor wat betreft de proceskostenveroordeling – uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37555