Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5887

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
8277637 CV EXPL 20-2321
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na bewijsopdracht. gedaagde niet geslaagd in haar bewijsopdracht. Toewijzing vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8277637 CV EXPL 20-2321

uitspraak: 26 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 14 januari 2020,

gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 het tussenvonnis van 13 maart 2020 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

 de akte uitlating van 2 april 2020 aan de zijde van [eiseres] , met productie;

 de akte uitlating van 28 mei 2020 aan de zijde van [gedaagde] , met producties.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van de vordering

2.1

In het tussenvonnis van 13 maart 2020 is [eiseres] in de gelegenheid gesteld te bewijzen met alle middelen rechtens:

a. dat zij de huur voor de maand mei 2019 aan [gedaagde] heeft voldaan, en

b) dat haar aanmaningsbrief van 15 juni 2019 [gedaagde] heeft bereikt.

[gedaagde] is in dit vonnis in de gelegenheid gesteld te bewijzen met alle middelen rechtens:

c) dat zij van de door [eiseres] betaalde waarborgsom van € 750,00 een bedrag van € 100,00 aan [eiseres] heeft terugbetaald;

d) dat, en voor welk bedrag, [eiseres] schade heeft toegebracht aan de in de door [eiseres] gehuurde kamer aanwezige kast en kleed, en

e) dat tussen partijen is afgesproken dat, en voor welk bedrag, [eiseres] zou bijdragen aan de (extra) kosten van de gemeentelijke belastingen.

2.2

In het kader van haar bewijsopdracht heeft [eiseres] een usb-stick overgelegd, waarop volgens haar is te zien en te horen dat zij de huur voor de maand mei 2019 contant betaalt aan [gedaagde] .

2.3

In het kader van haar bewijsopdracht heeft [gedaagde] jaarafrekeningen van Essent en Evides overgelegd, alsmede bankafschriften met betrekking tot betalingen aan de gemeente Capelle aan den IJssel en de Regionale Belasting Groep. Daarbij heeft [gedaagde] berekend welke bedragen [eiseres] volgens [gedaagde] ter zake aan haar verschuldigd is. Voorts heeft [gedaagde] bankafschriften met betrekking tot betalingen aan Stomerij Jacobsclean en Praxis overgelegd, in verband met de door haar gestelde door [eiseres] veroorzaakte schade aan een kast en een kleed in de door [eiseres] gehuurde kamer in de woning van [gedaagde] . De foto’s van een kapotte douchestang en een gekochte douchestang, waarnaar [gedaagde] in haar akte verwijst, heeft de kantonrechter niet aangetroffen bij akte van [gedaagde] .

2.4

De kantonrechter zal hieronder per bewijsopdracht ingaan op de vraag of de partij aan wie de bewijsopdracht is verstrekt, het van haar verlangde bewijs heeft geleverd.

betaling van de huur voor de maand mei 2019 (2.1 onder a)

2.5

Op de opname op de door [eiseres] overgelegde usb-stick is onder meer te zien dat een vrouw (de kantonrechter begrijpt: [eiseres] ) een aantal bankbiljetten van € 50,- overhandigt aan een andere vrouw (de kantonrechter begrijpt: [gedaagde] ), die door [gedaagde] worden geteld, waarbij [eiseres] bovendien het bedrag “500” noemt. Dit bedrag komt overeen met de overeengekomen maandelijkse huurprijs. Uit de opname blijkt dat deze is gemaakt op 1 mei 2019, om 20.33 uur.

In haar hierna genomen akte uitlating stelt [gedaagde] dat zij niet kan aantonen dat de huur voor de maand mei 2019 door [eiseres] niet is betaald, omdat de huur altijd contant werd betaald, zij geen kwitanties verstrekte aan [eiseres] en dit altijd op basis van goed vertrouwen ging.

Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiseres] – gelet op het voorgaande – geslaagd in haar opdracht om te bewijzen dat zij de huur over de maand mei 2019 aan [gedaagde] heeft voldaan.

terugbetaling van € 100,- van de waarborgsom (2.1 onder c)

2.6

In haar akte uitlating is [gedaagde] niet ingegaan op dit onderdeel van de bewijsopdracht. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [gedaagde] niet in staat of bereid is het hier van haar verlangde bewijs te leveren.

de schade aan de in de door [eiseres] gehuurde kamer aanwezige kast en kleed (2.1 onder d)

2.7

Uit de enkele door [gedaagde] overgelegde bankafschriften met betrekking tot betalingen aan Stomerij Jacobsclean en Praxis blijkt niet dat [gedaagde] deze kosten heeft gemaakt vanwege door [eiseres] veroorzaakte schade aan de in de door [eiseres] gehuurde kamer aanwezige kast en het kleed.

Nu [gedaagde] voor het overige op dit onderdeel geen bewijs heeft bijgebracht, is de kantonrechter dan ook van oordeel dat [gedaagde] niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs op dit punt.

de afspraak dat tussen partijen is afgesproken dat, en voor welk bedrag, [eiseres] zou bijdragen aan de (extra) kosten van de gemeentelijke belastingen (2.1 onder e)

2.8

Uit de enkele berekeningen van [gedaagde] en de door haar overgelegde bankafschriften blijkt niet dat tussen partijen een afspraak bestaat over een, en zo ja welke, bijdrage van [eiseres] aan de kosten van de gemeentelijke belastingen.

Nu [gedaagde] ter zake van deze bewijsopdracht verder geen bewijs heeft geleverd, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] ook niet is geslaagd in het aan haar op dit punt opgedragen bewijs.

oordeel ten aanzien van de verrekening door [gedaagde]

2.9

Nu, zoals hiervoor overwogen, [gedaagde] niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs komt de kantonrechter, in het verlengde hiervan, tot het oordeel dat het door [gedaagde] gedane beroep op verrekening doel mist. Evenmin is komen vast te staan dat [gedaagde] van de waarborgsom al € 100,-- heeft terugbetaald. Dat betekent dat de vordering van [eiseres] tot terugbetaling van de volledige waarborgsom van € 750,- voor toewijzing gereed ligt.

de buitengerechtelijke incassokosten en de aanmaningsbrief van 15 juni 2019 (2.1 onder b)

2.10

In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de door [eiseres] als productie 2 bij de dagvaarding overgelegde brief van 15 juni 2019 weliswaar kan worden aangemerkt als een kosteloze aanmaning die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW maar dat zij, tegenover de betwisting door [gedaagde] ter zake, dient te bewijzen dat haar brief [gedaagde] daadwerkelijk heeft bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW).

[eiseres] is hierop in de door haar hierna genomen akte uitlating niet ingegaan, zodat de kantonrechter het ervoor houdt dat zij niet in staat of bereid is het van haar verlangde bewijs te leveren. Dit leidt tot het oordeel niet is komen vast te staan dat [gedaagde] een kosteloze aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW heeft ontvangen. De gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

de overige vorderingen

2.11

[gedaagde] wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 341,08 aan verschotten (€ 105,08 dagvaardingskosten en € 236,- aan griffierecht) en € 240,- (2 punten à € 120,- per punt) aan salaris voor de gemachtigde.

2.12

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

2.13

In het tussenvonnis is reeds overwogen dat geen grondslag is gesteld of gebleken voor toewijzing van het door [eiseres] - naast de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten - gevorderde bedrag van € 423,50 voor kosten van juridische bijstand. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

3.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 29 juni 2019 tot de dag van algehele voldoening;

3.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op:

  • -

    € 341,08 aan verschotten;

  • -

    € 240,- aan salaris voor de gemachtigde;

en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 60,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

3.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478/145