Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5886

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
8235324 CV EXPL 19-54167
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na bewijsopdracht. Eiseres niet geslaagd in bewijsopdracht dat handtekening op verlengingsformulier daadwerkelijk van gedaagde is. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8235324 CV EXPL 19-54167

uitspraak: 26 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Belcentrale.nl B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 13 december 2019,

gemachtigde: De Schout gerechtsdeurwaarders te Hilversum,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Belcentrale” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 het tussenvonnis van 3 april 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

 de akte levering bewijs van de zijde van Belcentrale, met producties.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De verdere omschrijving van het geschil

2.1

Bij het voormelde tussenvonnis heeft de kantonrechter Belcentrale toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat partijen op 7 maart 2018 zijn overeengekomen de tussen hen bestaande overeenkomst te verlengen met drie jaar. De kantonrechter is tot die bewijsopdracht gekomen, omdat [gedaagde] de ondertekening van het orderformulier, waaruit de verlenging van die overeenkomst zou volgen, stellig heeft betwist.

2.2

Bij akte van 29 april 2020 heeft Belcentrale aangevoerd dat de overeenkomst tijdens het bezoek aan [gedaagde] op 5 maart 2008 tot stand is gekomen, dat de handtekeningen op de

pagina’s overeenkomen met de handtekening van [gedaagde] op het incassocontract van 15 mei 2014 en het opzegformulier van 20 september 2018. [gedaagde] heeft het getekende contract op de dag van de installatie per email ontvangen en heeft geen gebruik gemaakt van de bedenktijd die hij volgens de algemene voorwaarden had. [gedaagde] heeft de nieuwe toestellen en het abonnement, conform de overeenkomst, gebruikt en heeft het contract nimmer betwist. Daarom duurde de overeenkomst volgens Belcentrale ook na 19 november 2018 nog voort met een looptijd van drie jaar. Belcentrale stelt zich op het standpunt dat de stellingen van [gedaagde] zijn weerlegd en er voldoende is aangetoond dat de vordering gegrond en terecht is en voor toewijzing in aanmerking dient te komen.

3. De verdere beoordeling van het geschil

3.1

Zoals in het tussenvonnis is overwogen levert een onderhandse akte (zoals het orderformulier) waarvan de ondertekening door de partij tegen welke zij dwingend bewijs zou opleveren, stellig wordt ontkend, op grond van artikel 159 lid 2 Rv geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is.

3.2

De kantonrechter is van oordeel dat Belcentrale in de akte uitlating slechts haar eerdere stellingen heeft herhaald en dat de overgelegde producties niet het bewijs bevatten dat de handtekening op het orderformulier afkomstig is van [gedaagde] . Dat Belcentrale aan het slot van de akte opmerkt dat zij in het geval er, ingevolge de wet, op haar meer bewijslast mocht rusten, aanbiedt al haar stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, leidt niet tot een ander oordeel, nu Belcentrale de mogelijkheid tot het leveren van dat bewijs juist heeft gekregen door middel van voornoemde bewijsopdracht. In dit verband wordt nog opgemerkt dat Belcentrale haar stelling dat het abonnement ook na november 2018 nog feitelijk door [gedaagde] is gebruikt, niet adequaat heeft onderbouwd. Belcentrale heeft één

“gesprekstatistieken” overgelegd, behorende bij de factuur van januari 2019. Daarop staat de facto één gesprek, dat bovendien volgens die statistieken is gevoerd met een telefoonnummer dat niet op haar facturen staat vermeld.

3.3

Het voorgaande betekent dat Belcentrale niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. De door Belcentrale gevorderde hoofdsom zal daarom worden afgewezen. De nevenvorderingen delen hetzelfde lot.

3.4

Belcentrale wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . Die proceskosten worden begroot op nihil, omdat [gedaagde] in persoon procedeert.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt Belcentrale in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478