Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5806

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
10/661025-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het (medeplegen van) aanwezig hebben van een stof van lijst I (heroine) (art 2 Opiumwet) en vrijspraak van het voorhanden hebben van voorwerpen en materialen ten behoeve van handel/bewerken/verwerken etc van stof van lijst 1, waardoor evenmin bewezen kan worden dat hij zich aan voorbereidingshandelingen schuldig heeft gemaakt (art 10a Opiumwet)

Vast staat dat de verdachte en zijn medeverdachte maar één nacht in de woning hebben verbleven. De enkele aanwezigheid van de verdachte en zijn medeverdachte in de woning is onvoldoende om aan te nemen dat hij en zijn medeverdachte beschikkingsmacht over deze heroïne en voorwerpen hadden en strafbare voorbereidingshandelingen hebben gepleegd.

Bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vals identiteitsbewijs en het in vereniging voorhanden hebben van een stroomstootwapen

Jeugddetentie 3 weken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/661025-20

Datum uitspraak: 25 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

zich noemende [naam verdachte],

verklarende geboren te zijn op [geboortedatum verdachte] 2002 te [geboorteplaats verdachte], Algerije,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsvrouw mr. K.S. Kort, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 11 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 (voor wat betreft het opzettelijk aanwezig hebben van 4.148,2 gram heroïne), 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 7 maanden met aftrek
    van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Vrijspraak feiten 1 en 2

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

Het onder 1 ten laste gelegde tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig hebben van 4.148,2 gram heroïne kan wettig en overtuigend bewezen worden, evenals het onder 2 ten laste gelegde.

Feit 1

Op basis van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat de verdachte de in de woning aangetroffen harddrugs samen met de medeverdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad. Uit de processen-verbaal van bevindingen van de politie blijkt overduidelijk dat de woning een drugspand betrof. Het kan niet anders dan dat de verdachte en zijn medeverdachte van de aanwezigheid van de drugs wetenschap hadden. In ieder geval is sprake van voorwaardelijk opzet op het voorhanden hebben van die drugs. Dat de verdachte dit niet wist is ongeloofwaardig. Op de in de woning aangetroffen witte plastic tas zijn immers vingerafdrukken van de verdachte teruggevonden.

Feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 2 eveneens kan worden bewezen. Ze heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte en zijn medeverdachte verpakkingsmaterialen, weegschalen, een pers en een aanzienlijke hoeveelheid acetaminophen voorhanden hebben gehad. Zij is er daarbij vanuit gegaan dat de deur tussen de voor- en de achterkamer niet afgesloten was toen de verdachte en de medeverdachte in de woning verbleven, omdat de politie in de processen-verbaal van bevindingen niets heeft gerelateerd over een afgesloten deur tussen deze kamers. De weegschalen, verpakkingsmaterialen en de pers lagen in het zicht.

4.2.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan.

Op 4 maart 2020 kwam de politie rond 09.20 uur ter plaatse bij een woning aan de [adres]. Er was een melding gedaan van stankoverlast, een penetrante hennepgeur afkomstig uit deze woning. De politie zag dat alle ruiten van de woning die zichtbaar waren van de openbare weg, afgeplakt of afgedicht waren. Op het moment dat de politie onderzoek deed bij de woning vluchtten de verdachte en zijn medeverdachte uit de woning weg. De verdachte en zijn medeverdachten zijn vervolgens aangehouden.

De politie heeft de woning hierna betreden en doorzocht. Bij deze doorzoeking zijn in de achterkamer weegschalen, verpakkingsmaterialen, een metalen pers met bijbehorende metalen matrijzen en een krikstang aangetroffen, evenals een in folie verpakt blok (in een kast) en blauwe teilen en een handgasbrander (in een garderobekast).

In de voorkamer/woonkamer, waar op/tegen de bank een slaapplaats voor twee personen was ingericht, is naast de bank een open, wit plastic tasje aangetroffen met daarin meerdere in plastic verpakte blokken. Tussen de bank en het raam is een zwarte plastic tas met daarin drie in plastic verpakte blokken aangetroffen en onder een tweezitsbank twee in plastic verpakte blokken.

In de keuken ten slotte is in een pannetje op een kastje ook nog een in plastic verpakt blok aangetroffen.

Op grond van onderzoek van het NFI kan worden vastgesteld dat een deel van de in plastic verpakte blokken heroïne bevatte en een deel acetominophen/paracetamol.

De verdachte en zijn medeverdachte hadden voor de komst van de politie op 4 maart 2020 één nacht in de woning doorgebracht.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte en zijn medeverdachte in een woning hebben verbleven waar ruim 4 kg heroïne aanwezig was, evenals diverse voorwerpen en materialen die voor (onder meer) het bereiden, bewerken en verwerken van heroïne geschikt waren.

Feit 1

Voor het bewijs van ‘aanwezig hebben’ in de zin van de Opiumwet, is nodig dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de heroïne in de woning en voorts dat de verdachte (enige) beschikkingsmacht of zeggenschap had over de heroïne, wat betekent dat hij (in enige mate) kon bepalen wat er met die heroïne zou gebeuren. Niet nodig is dat de drugs zijn eigendom waren.

Nog daargelaten de vraag of de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van ruim 4 kg heroïne in de woning, stuit de bewezenverklaring af op het ontbreken van beschikkingsmacht van de verdachte over deze drugs. Vast staat dat de verdachte en zijn medeverdachte maar één nacht in de woning hebben verbleven. De enkele aanwezigheid van de verdachte en zijn medeverdachte in de woning is onvoldoende om aan te nemen dat hij en zijn medeverdachte beschikkingsmacht over deze heroïne hadden. Ook de omstandigheid dat een vingerafdruk van de verdachte op een handvat van een witte plastic tas is aangetroffen, leidt niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is dat de verdachte en zijn medeverdachte ook maar één pakketje met drugs hebben aangeraakt.

Feit 2

De rechtbank acht evenmin bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft gepleegd of medegepleegd. Ook hiervoor geldt dat voor zover de verdachte al wetenschap had van de aanwezigheid van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen en materialen in de woning, zijn beschikkingsmacht daarover ontbreekt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de politie de woning op sporen heeft onderzocht, maar dat niet gebleken is dat de verdachte en de medeverdachte de in de tenlastelegging genoemde materialen en voorwerpen hebben aangeraakt. Dit alles betekent dat niet kan worden bewezen verklaard dat hij deze voorwerpen en materialen voorhanden heeft gehad, waardoor evenmin bewezen kan worden dat hij zich aan voorbereidingshandelingen schuldig heeft gemaakt.

4.2.3.

Conclusie

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering feit 4

4.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder feit 4 ten laste gelegde bepleit. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de rugzak, waarin het stroomstootwapen werd aangetroffen, niet van hem was. Hij had een eigen tas (een witte met Lidl-logo), met daarin zijn eigen spullen bij zich. De verdachte kon niet weten dat er een stroomstootwapen in de rode rugzak zat. Er is niet over gesproken, hij heeft niet in de rugzak gekeken en het wapen was ook niet door de stof van de rugzak heen zichtbaar. De verdachte heeft derhalve het stroomstootwapen niet voorhanden gehad.

4.3.2.

Beoordeling

Op 4 maart 2020 is in een rode rugzak, die in de woning aan de [adres] werd gevonden, een stroomstootwapen aangetroffen. De verdachte en de medeverdachte verbleven in de nacht van 3 op 4 maart 2020 in deze woning.

De verdachte heeft op 4 maart 2020 bij de politie verklaard dat de rode rugzak van hem en van zijn medeverdachte was. De verdachte heeft in die verklaring niet gesproken over een andere tas, waarin zijn spullen zouden zitten. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij de rugzak samen met zijn medeverdachte gebruikte en hecht geen geloof aan zijn verklaring ter terechtzitting. De verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat het stroomstootwapen in de rugzak zat en dat hij dit wapen nog nooit had gezien acht de rechtbank evenmin geloofwaardig.

Gezien het gezamenlijk gebruik van de rugtas, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachte beiden de feitelijke macht over het stroomstootwapen konden uitoefenen. Er is daarom sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van het ten laste gelegde medeplegen.

4.3.3.

Conclusie

Het onder 4 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

3.

hij op 04 maart 2020 te Rotterdam een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een identiteitskaart (land Italië) op naam van [naam] met identificatienummer [nummer] waarvan verdachte wist dat deze vals was, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 04 maart 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, te weten een stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

3. een identiteitsbewijs voorhanden hebben waarvan hij weet dat het vals is;

4. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet

wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van

categorie II.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte had bij zijn aanhouding op 4 maart 2020 een vals identiteitsbewijs in zijn bezit. Door zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschonden dat in het internationaal personenverkeer moet kunnen worden gesteld in door van overheidswege verstrekte reis- en identiteitspapieren. In het maatschappelijk verkeer dient erop te kunnen worden vertrouwd dat zulke documenten een juiste weergave bevatten van de identiteit van de houder. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat tot op vandaag, mede door het bezit van dit valse identiteitsbewijs, onduidelijk is wie hij werkelijk is. Gebruikmaking van valse of vervalste documenten kan leiden tot aanzienlijke schade.

Voorts heeft de verdachte samen met zijn medeverdachte een stroomstootwapen voorhanden gehad. Dit betreft een ernstig feit, aangezien een stroomstootwapen een voorwerp is waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt en/of pijn kan worden toegebracht. Het in bezit hebben van dit stroomstootwapen rekent de rechtbank de verdachte dan ook zeer aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 maart 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 juni 2020. De Raad schat de kans op herhaling hoog in en acht daarom toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna te noemen: JBRR) heeft een gezinsplan JR voor de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 mei 2020. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

De heer E. van der Lugt, werkzaam bij Stichting Nidos die belast is met de voogdij over de verdachte, heeft ter terechtzitting (via een telefoonverbinding) verklaard dat er nog geen woonvoorziening is voor de verdachte. Hij moet nog asiel aanvragen. Omdat er geen V-nummer bekend was, kon dat nog niet. Inmiddels heeft de verdachte een asieladvocaat die dit nummer wel heeft, waardoor nu asiel kan worden aangevraagd. De asielprocedure is geen beperking om voorwaarden aan de verdachte op te leggen.

Mevrouw D.M. Pietersen, werkzaam bij JBRR, heeft ter terechtzitting (via een telefoonverbinding) verklaard dat de asielaanvraag heel erg belangrijk is voor de verdachte. Het is ook belangrijk dat hij zo snel mogelijk Nederlands leert. Hij is daar inmiddels mee begonnen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straf

Gezien de ernst van de feiten, maar vooral wegens de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een onvoorwaardelijke jeugddetentie aangewezen. De verdachte verblijft illegaal in Nederland, zijn identiteit is onbekend en hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Deze situatie maakt dat een deels voorwaardelijke straf met de voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd, niet uitvoerbaar is. Dat geldt ook voor een taakstraf. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van drie weken passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77g, 77gg en 231 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) weken,


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.A.J. de Nijs, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. S.C.C. Hes-Bakkeren en A. Wijsman-van Veen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 04 maart 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 4148,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 04 maart 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen

het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen een of meerdere weegschalen en/of verpakkingsmaterialen en/of een pers en/of een grote hoeveelheid acetaminophen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.

hij op of omstreeks 04 maart 2020 te Rotterdam een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een identiteitskaart (land Italië) op naam van [naam] met identificatienummer [nummer] waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 04 maart 2020 te Rotterdam alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie,

te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, te weten een stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad.