Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5793

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
8354490 CV EXPL 20-6889
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

openstaande factuur, waarbij de mutatieregeling van art. 6:44 niet goed is toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8354490 CV EXPL 20-6889

uitspraak: 19 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Hogeschool Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Hogeschool Rotterdam’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 19 februari 2020;

  • -

    de aantekeningen van 12 maart 2020 van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;

  • -

    conclusie van repliek, met producties.

1.2

[gedaagde] heeft, hoewel daartoe naar behoren in de gelegenheid te zijn gesteld, op de rolzitting van 20 mei 2020 niet meer gereageerd.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Tussen Hogeschool Rotterdam en [gedaagde] is een overeenkomst tot stand gekomen voor het volgen van colleges aan de Hogeschool Rotterdam. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] aan Hogeschool Rotterdam collegegeld verschuldigd.

2.2

[gedaagde] heeft de factuur van 25 september 2019 ten bedrage van € 416,60 voor het verschuldigde collegegeld niet volledig betaald.

2.3

Op 3 december 2019 heeft de gemachtigde van Hogeschool Rotterdam een schriftelijke bevestiging van een betalingsregeling van € 100,00 per maand aan [gedaagde] gezonden. In de bevestiging is – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

U betaalt maandelijks € 100,00.

De eerste betaling ontvangen wij uiterlijk 30 december 2019 van u. Hierna ontvangen we maandelijks uw betaling voor het einde van de maand.

(…)

Let op!

Komt u de betalingsverplichting niet na? Dan stopt deze. U moet het totale bedrag dan direct betalen. Naast dat u direct moet betalen kunt u gedagvaard worden. De wettelijke kosten daarvan betaalt u.

(…)”

2.4

De gemachtigde van Hogeschool Rotterdam heeft op 27 december 2019 een betaling ten bedrage van € 100,00 van [gedaagde] ontvangen.

3. De vordering

3.1

Hogeschool Rotterdam heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 394,79, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering heeft Hogeschool Rotterdam – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is, ondanks aanmaning, in gebreke gebleven met de tijdige en volledige betaling van de door Hogeschool Rotterdam aan hem verzonden factuur van 25 september 2019 voor een totaalbedrag van € 416,60. De totale betalingsachterstand bedraagt € 394,79. Hogeschool Rotterdam maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.

3.3

[gedaagde] heeft voor het uitbrengen van de dagvaarding, doch nadat de termijn van veertien dagen zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) was verstreken een totaalbedrag van € 100,00 aan de gemachtigde van Hogeschool Rotterdam betaald. Dit bedrag strekt in mindering op de vordering.

4. Het verweer

[gedaagde] heeft de verschuldigdheid en de hoogte van het door Hogeschool Rotterdam gevorderde bedrag erkend maar betwist de opeisbaarheid van deze vordering. In december 2019 is [gedaagde] met de gemachtigde van Hogeschool Rotterdam een betalingsregeling van € 100,00 per maand overeengekomen. Tijdens het telefoongesprek over de betalingsregeling heeft [gedaagde] aangegeven dat hij in januari 2020 de betalingsverplichting niet zou kunnen nakomen maar vanaf februari 2020 wel weer maandelijks zou gaan betalen. [gedaagde] stelt dat Hogeschool Rotterdam daarmee akkoord is gegaan. Vervolgens heeft [gedaagde] op 14 februari 2020 een brief ontvangen dat hij voor 19 februari 2020 moest betalen, maar is hij ook gedagvaard voor 19 februari 2020. [gedaagde] stelt dat hij nog niet gedagvaard had mogen worden, omdat hij voornoemde betalingsregeling is overeengekomen en deze regeling ook is nagekomen. Om deze reden zijn eventuele extra kosten onterecht.

5. De beoordeling van de vordering

5.1

Met betrekking tot het verweer dat de vordering van Hogeschool Rotterdam nog niet opeisbaar is, wordt als volgt overwogen. Bij conclusie van repliek heeft Hogeschool Rotterdam de schriftelijke bevestiging van de betalingsregeling (hiervoor 2.3) overgelegd waarin is opgenomen dat indien [gedaagde] de betalingsregeling niet nakomt de regeling komt te vervallen en er door Hogeschool Rotterdam tot dagvaarding overgegaan kan worden. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij in januari 2020 niet heeft voldaan aan de betalingsverplichting. Dat dit gebeurde met instemming van Hogeschool Rotterdam in het kader van de afgesproken betalingsregeling blijkt niet uit bedoelde bevestigingsbrief. Evenmin is gebleken van een nadere afspraak op dit punt nadien. De door [gedaagde] gestelde afspraak met betrekking tot de betalingstermijn voor januari 2020 is dan ook niet komen vast te staan. Met Hogeschool Rotterdam is de kantonrechter van mening dat het niet voldoen van de betalingstermijn voor januari 2020 reeds voldoende grond opleverde om de betalingsregeling als vervallen te beschouwen, zodat het restant verschuldigde weer volledig en ineens opeisbaar was. Een en ander leidt tot de conclusie dat de vordering ten tijde van de dagvaarding opeisbaar was en Hogeschool Rotterdam op goede gronden op 19 februari 2020 tot dagvaarding is overgegaan. De gevorderde hoofdsom van € 394,79 is in beginsel dan ook toewijsbaar.

5.2

Op grond van artikel 6:44 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) strekken betalingen ter voldoening van een geldsom eerst in mindering van de kosten, vervolgens van de verschenen rente en ten slotte van de hoofdsom. Daarom moet voorts worden beoordeeld of [gedaagde] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en/of verschenen rente is verschuldigd.

5.3

De verschenen rente die € 2,58 bedraagt berekend tot de dag van de dagvaarding wordt als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen; de wettelijke rente wordt toegewezen zoals onder de beslissing staat vermeld.

5.4

Hogeschool Rotterdam maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Hogeschool Rotterdam stelt dat op 18 oktober 2019 een aanmaning aan [gedaagde] is gestuurd. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu Hogeschool Rotterdam heeft nagelaten een afschrift van de kosteloze aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW bij de dagvaarding over te leggen.

5.5

Correcte toepassing van artikel 6:44 lid 1 BW leidt – gelet op het totaal door [gedaagde] aan Hogeschool betaalde bedrag van € 100,00 – tot de conclusie dat de verschenen rente volledig is betaald en dat thans nog een bedrag van € 319,18 aan hoofdsom resteert. Dat bedrag wordt toegewezen.

5.6

Voor het (eventueel alsnog) treffen van een betalingsregeling met Hogeschool Rotterdam wordt [gedaagde] verwezen naar de gemachtigde van Hogeschool Rotterdam omdat de kantonrechter op grond van artikel 6:29 BW niet bevoegd is om een betalingsregeling vast te stellen in het vonnis zonder instemming van Hogeschool Rotterdam.

5.7

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] in de proceskosten van Hogeschool Rotterdam veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Hogeschool Rotterdam tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 319,18 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het bedrag aan hoofdsom vanaf 19 februari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hogeschool Rotterdam vastgesteld op € 229,09 aan verschotten en € 144,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44485