Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5781

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
8019267 CV EXPL 19-38493
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nota van een juridisch adviseur. Betaling van de factuur onvoldoende onderbouwd door gedaagde. Vordering grotendeels toegewezen..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8019267 CV EXPL 19-38493

uitspraak: 12 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

handelend onder de naam [handelsnaam],

woon- en zaaksadres te [plaatsnaam],

eiser bij exploot van dagvaarding van 28 augustus 2019,

gemachtigde: aanvankelijk bij R.A.M. Vismans, die zich 11 februari 2020 aan de zaak heeft onttrokken, waarna eiser in persoon heeft voort geprocedeerd,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 28 augustus 2019, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde], met een productie;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties;

  • -

    de rolbeslissing van 17 januari 2019, waarbij eiseres in de gelegenheid is gesteld te reageren;

  • -

    de nadere conclusie van repliek aan de zijde van [eiser], met producties;

  • -

    de nadere conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde], met producties;

  • -

    de nadere reactie aan de zijde van [eiser], met producties;

  • -

    de nadere reactie aan de zijde van [gedaagde].

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vordering

2.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 5.449,54 aan hoofdsom, € 108,09 aan verschenen rente en € 647,48 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

2.2

Aan zijn vordering heeft eiser - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang -het volgende ten grondslag gelegd:

2.2.1

[eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] vanaf maart 2016 tot en met april 2018 juridische werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] verricht. [gedaagde] is daarvoor gefactureerd tot een totaalbedrag van € 6.399,54.

2.2.2

[gedaagde] heeft op 7 augustus 2017 een bedrag van € 950,00 voldaan. Voor het overige zijn de werkzaamheden onbetaald gelaten.

2.2.3

[eiser] heeft zich genoodzaakt gezien de vordering ter incasso uit handen te geven.

2.2.4

[eiser] heeft schade geleden bestaande uit wettelijke rente (€ 108,09) en buitengerechtelijke kosten (€ 647,48).

3. Het verweer

3.1

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

3.1.1

[gedaagde] heeft op 7 augustus 2017 alles contant betaald. In de ochtend, rond 8.00 uur, heeft hij € 950,00 betaald en later die dag, rond 13.00 uur, heeft hij het resterende bedrag voldaan. Van dat laatste bedrag heeft hij geen kwitantie ontvangen. Wel is € 50,00 (het wisselgeld) op zijn bankrekening teruggestort. [gedaagde] heeft nooit geld van [eiser] ter leen ontvangen.

3.1.2

[eiser] heeft na 7 augustus 2017 geen werkzaamheden meer ten behoeve van [gedaagde] verricht. Sedert oktober 2017 had [gedaagde] een andere advocaat.

3.1.3

[gedaagde] heeft de factuur niet eerder dan op 26 april 2019 via de deurwaarder ontvangen. [gedaagde] heeft evenmin de door [eiser] overgelegde aanmaningsbrieven ontvangen.

3.1.4

[eiser] heeft zijn werkzaamheden onvoldoende kundig verricht. De wrakingsprocedure heeft hij op eigen initiatief gevoerd. De na 23 september 2016 verrichtte werkzaamheden zijn zijn nodeloos gedaan, omdat in de beschikking over alles al beslist was.

3.1.5

[gedaagde] heeft de specificatie die [eiser] in deze procedure heeft overgelegd niet eerder ontvangen. Die specificatie klopt niet. Er zijn werkzaamheden dubbel in rekening gebracht.

5. De beoordeling

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] vanaf maart 2016 werkzaamheden heeft verricht in het kader van geschillen die waren gerezen tussen [gedaagde] en zijn voormalige werkgever, [bedrijf] te ‘s-Gravendeel. [gedaagde] heeft echter betwist dat [eiser] na 7 augustus 2017 in zijn opdracht en voor zijn rekening nog werkzaamheden heeft verricht.

5.2

Uit de door [eiser] overgelegde urenspecificatie volgt dat nagenoeg alle gedeclareerde werkzaamheden zijn verricht vóór augustus 2017. Nà augustus 2017 gaat het kennelijk alleen om werkzaamheden verricht in april 2018 in verband met de ontvangst van een beschikking en een brief van de rechtbank, waarvoor 2x 5 minuten, in totaal € 24,42 (exclusief BTW) in rekening is gebracht. Gelet op de stellingen van partijen dient dus beoordeeld te worden of ook die laatste werkzaamheden in opdracht en voor rekening van [gedaagde] zijn verricht.

5.3

Uit het door [gedaagde] overgelegde vonnis van 9 april 2019, gewezen in hoger beroep door het Hof Den Haag, volgt dat met betrekking tot de geschillen tussen [gedaagde] en zijn voormalig werkgever op 23 september 2016 een beschikking was gegeven, waarbij de arbeidsovereenkomst was ontbonden, en bij vonnis van 21 juli 2017 de loonvorderingen in eerste aanleg waren afgewezen. [gedaagde] heeft ten aanzien van de beschikking heeft [gedaagde] afgezien van hoger beroep. Van het vonnis is door [gedaagde] wel hoger beroep ingesteld, waarbij [gedaagde] zich heeft laten bijstaan door een advocaat.

Dit wijst erop dat de rechtbank al vóór augustus 2017 op de geschillen tussen [gedaagde] en zijn voormalig werkgever had beslist. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dan ook onbegrijpelijk dat de beschikking van de rechtbank in april 2018 betrekking had op de hiervoor bedoelde geschillen.

Voorts volgt uit de stellingen van [eiser] dat er na augustus 2017 geen contact meer met [gedaagde] is geweest. [eiser] stelt immers dat verdere betaling was uitgebleven, [gedaagde] niet heeft gereageerd op de aan hem verzonden factuur en betalingsherinneringen (die volgens de stelling van [eiser] overigens pas nà augustus 2018 aan [gedaagde] waren toegezonden) en dat [gedaagde] ook niet ook had opengedaan toen [eiser] bij [gedaagde] was langsgegaan. In rechte moet er dan ook van worden uitgegaan dat [gedaagde] geen opdracht heeft gegeven voor het verrichten van andere werkzaamheden.

Gelet op het vorenstaande heeft [eiser] dan ook onvoldoende onderbouwd dat de werkzaamheden in april 2018 in opdracht en voor rekening van [gedaagde] zijn verricht. Voor zover de factuur op deze werkzaamheden betrekking heeft (€ 24,82 exclusief BTW) wordt de vordering daarom afgewezen.

5.4

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij hetgeen aan hem in rekening is gebracht op 7 augustus 2017 geheel en contant aan [eiser] heeft voldaan. De kantonrecfhter overweegt als volgt.

5.5

Uit de door [eiser] in deze procedure overgelegde urenspecificatie volgt dat tot en met 7 augustus 2017 een bedrag van € 5.264,47, vermeerderd met 21 % BTW is € 1.105,54, dus in totaal € 6.370,01 aan werkzaamheden was verricht. Tussen partijen is niet langer in geschil dat [gedaagde] op 4 maart 2016 € 50,00 als voorschot had voldaan. Dit brengt met zich dat op grond van voornoemde urenspecificatie op 7 augustus 2017 nog een bedrag van € 6.320,01 moet hebben opengestaan.

5.6

Niet in geschil is dat op 7 augustus 2017 nog geen factuur was opgemaakt en evenmin een urenspecificatie was verstrekt. [gedaagde] heeft echter niet aangevoerd dat [eiser] destijds van een wezenlijk ander bedrag wat voldaan diende te worden was uitgegaan en hij heeft geen verweer gevoerd tegen het door [eiser] gehanteerde uurtarief. In rechte moet er dan ook van worden uitgegaan dat het gehanteerde uurtarief tussen partijen was overeengekomen en dat er in augustus 2017 nog een bedrag van € 6.320,01 open stond.

Nu [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij die dag alles heeft betaald en zelfs wat meer - op grond waarvan [eiser] die dag nog € 50,00 op zijn bankrekening heeft teruggestort - brengt dat met zich dat [gedaagde] zich kennelijk op het standpunt stelt dat hij die dag in totaal € 6.320,01 dan wel € 6.370,01 heeft voldaan. Nu [gedaagde] zich op het rechtsgevolg beroept, rust op grond van artikel 150 Rv. op [gedaagde] de bewijslast dat [eiser] dit bedrag heeft ontvangen.

5.7

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] op 7 augustus 2017 € 950,00 contant aan [eiser] heeft voldaan op diens kantoor, zodat voor [gedaagde] te bewijzen resteert dat hij die dag naast dit bedrag ook nog € 5.370,01 danwel € 5.420,01 aan [eiser] heeft voldaan.

5.8

[gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat hij het bedrag van € 950,00 in de ochtend heeft voldaan en dat hij s’-middags het “resterende bedrag” contant heeft voldaan, maar dat hij ten aanzien van die laatste betaling geen kwitantie heeft ontvangen, omdat [eiser] toen geen kwitanties meer had. [eiser] zou de kwitantie nog nasturen, of bij hem in de brievenbus doen, maar daar is niets meer van gekomen, aldus [gedaagde].

[gedaagde] heeft echter geen concreet bedrag van die (tweede) betaling genoemd en hij heeft evenmin andere feiten en omstandigheden genoemd op grond waarvan hij nader zou hebben onderbouwd dat die (tweede) betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zoals bijvoorbeeld op welke wijze hij dit bedrag bijeen heeft gekregen, uit welke coupures dit bedrag was samengesteld of waarom op die dag twee maal een bedrag en niet het gehele bedrag ineens is betaald. Die nadere onderbouwing had ook op zijn weg gelegen, nu [eiser] de ontvangst van dit bedrag heeft betwist. Het betrof bovendien geen alledaagse transactie, het ging immers om de betaling van een aanzienlijke som geld aan een juridisch adviseur, zodat had mogen worden verwacht dat [gedaagde], ook na verloop van wat langere tijd, zich toch meer details zou hebben herinnerd. Voorts heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd en lijkt ook niet erg aannemelijk dat [gedaagde] van de betaling van het kleinste bedrag die dag wel een kwitantie heeft ontvangen, maar van het grootste bedrag niet. Immers zelfs al zou bij die tweede betaling het kwitantieboekje van [eiser] net leeg zijn geweest, dan zou op een juridische adviesbureau toch in elk geval wel een vel papier voor handen zijn geweest waarop had kunnen worden aangegeven dat en welk bedrag was ontvangen en had [eiser] dit stuk kunnen ondertekenen en aan [gedaagde] kunnen overhandigen. Evenmin is geblekem dat [gedaagde] heeft verzocht om een kwitantie. [gedaagde] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat en waarom destijds het afgeven van een kwitantie van het bedrag van circa € 5.400,00 onmogelijk was.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij op 7 augustus 2017 van [eiser] een bedrag van € 50,00 per bank heeft ontvangen, omdat hij die dag te veel had betaald. [eiser] heeft dit betwist en gesteld dat hij [gedaagde] dit bedrag die ochtend op diens verzoek had geleend en naar zijn bankrekening heeft overgemaakt, omdat [gedaagde] naar Den Haag wilde reizen, maar dat hij onvoldoende geld had om een treinkaartje te kopen en [eiser] daarom dit reisgeld aan hem heeft voorgeschoten, dan wel dat [gedaagde] daar naar een pandhuis moest. [gedaagde] heeft betwist dat hij het geld te leen heeft ontvangen en aangevoerd dat uit het door hem overgelegde bankafschrift volgt dat hij over voldoende reisgeld zou hebben beschikt. Dat laatste volgt echter niet uit het dit bankafschrift, nu daarin geen saldi zijn vermeld. Nu op de bankoverschrijving een omschrijving bij het bedrag van € 50,00 ontbreekt is niet eenvoudig vast te stellen wie het gelijk op dit punt aan zijn zijde heeft. De omstandigheid dat die dag € 50,00 is bijgeschreven op zijn bankrekening biedt dan ook onvoldoende steun voor de onderbouwing van de door hem gestelde betaling van de het tweede bedrag.

Ook uit de omstandigheid dat de onderhavige factuur (waarvan de ontvangst door [gedaagde] is betwist) pas een jaar later, in augustus 2018, is verzonden volgt, hoe ongebruikelijk ook, niet dat [gedaagde] in augustus 2017 de gehele som al had voldaan.

5.10

Gelet op het vorenstaande heeft [gedaagde] dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat € 5.370,01 onbetaald is gebleven en komt de kantonrechter aan een bewijsopdracht op dit punt niet toe.

5.11

Uit het verweer van [gedaagde] volgt verder dat hij kennelijk niet tevreden was over de wijze waarop [eiser] hem heeft bijgestaan in de geschillen met zijn voormalig werkgever. Dit laat echter onverlet dat [eiser] de in dit kader verrichte werkzaamheden in opdracht en voor rekening van [gedaagde] heeft verricht. [gedaagde] heeft ook geen rechtsgevolgen verbonden aan zijn geuite onvrede. Hij stelt zich immers juist op het standpunt dat hij de in rekening gebrachte kosten met betrekking tot de door [eiser] verrichte werkzaamheden (desondanks) op 7 augustus 2017 in twee delen volledig aan [eiser] heeft voldaan. [gedaagde] heeft in deze procedure evenmin een tegenvordering ingesteld. In deze procedure ligt dan ook niet ter beoordeling voor of [eiser] tekort zou zijn geschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst, omdat hij niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur mag worden verwacht.

5.12

Ten aanzien van het door [eiser] op 7 augustus 2017 op de bankrekening van [gedaagde] gestorte bedrag van € 50,00 wordt het volgende overwogen.

Zoals hiervoor reeds is overwogen twisten partijen over de aard van dit bedrag. Ook lijken de stellingen van [eiser] niet eenduidig voor wat betreft de reden waarom hij [gedaagde] het geld zou hebben geleend. Aanvankelijk heeft hij verklaard dat [gedaagde] die dag naar Den Haag wilde reizen om daar geld op te halen teneinde een voorschot aan [eiser] te kunnen voldoen, maar later ook dat [gedaagde] daar naar een pandhuis moest, omdat hij geen geld had.

Nu [gedaagde] heeft betwist dat het bedrag aan hem is geleend en dat hij destijds over voldoende (reis)geld zou hebben beschikt en bovendien een omschrijving bij de overschrijving ontbreekt, is thans niet eenvoudig vast te stellen of [eiser] aanspraak op (terug)betaling van dit bedrag kan maken.

5.13

Het voorgaande leidt er toe dat aan hoofdsom een bedrag van € 5.370,01 zal worden toegewezen.

5.14

Met betrekking tot de gevorderde rente dient beoordeeld te worden vanaf welk moment het verzuim is ingetreden. [gedaagde] heeft e ontvangst van de factuur van augustus 2018 betwist en ook de ontvangst van de door [eiser] overgelegde betalingsherinneringen van 4 en 25 september en de herinnering van 23 oktober 208. [eiser] heeft niet nader onderbouwd dat [gedaagde] deze stukken wel heeft ontvangen. In rechte kan er dan ook niet van uit worden gegaan dat deze stukken [gedaagde] hebben bereikt en hij in verzuim is geraakt.

Nu [gedaagde] heeft erkend de brief van de deurwaardeer van 2 april 2019 te hebben ontvangen en daarin een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven, wordt er in rechte van uitgegaan dat het verzuim op 16 april 2019 is ingetreden. De vordering tot vergoeding van de vervallen rente zal worden afgewezen, nu eiseres bij dagvaarding van een onjuist bedrag aan hoofdsom en van een onjuiste datum van het intreden van het verzuim is uitgegaan. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over € 5.370,01 en vanaf 16 april 2019.

5.15

[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het door [eiser] bij de dagvaarding overgelegde afschrift van de kosteloze aanmaning als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid BW is correct. De vergoeding waarop ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aanspraak kan worden gemaakt zal worden berekend aan de hand van de toewijsbare hoofdsom. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot een bedrag van € 643,50.

5.16

[gedaagde] wordt als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 6.013,51, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 5.370,01 vanaf 16 april 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 316,18 aan verschotten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

898