Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5769

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
8279684
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenwerkingsovereenkomst, matiging contractuele boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8279684 \ CV EXPL 20-2512

uitspraak: 26 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam 1],

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. F. Penders, advocaat te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 2],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.G. Plet, advocaat te Spijkenisse.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 13 januari 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Zowel [eiser] als [gedaagde] exploiteren, afzonderlijk van elkaar, een onderneming en houden zich bezig met het leggen van laminaat.

2.2.

[eiser] en [gedaagde] hebben op 4 maart 2019 een samenwerkingsovereenkomst getekend. De samenwerkingsovereenkomst is aangevangen op 4 maart 2019 voor de duur van drie jaar, derhalve eindigend op 3 maart 2022.

2.3.

In de samenwerkingsovereenkomst is [eiser] aangeduid als ‘Partij A’ en [gedaagde] als ‘Partij B’. In de overeenkomst zijn - voor zover thans van belang - de volgende bepalingen opgenomen:

“(…)

3e. Tijdens deze samenwerking mag er door Partij B geen andere samenwerking worden aangegaan met de hoofdleverancier. Mocht dit toch plaatsvinden dan is Partij B een boete verschuldigd van

€ 15.000,--.

(…)

4a. Wat betreft de kosten voor de opdrachten gelden de volgende afspraken:

  • -

    Boetes zijn voor eigen rekening

  • -

    Tankpas mag alleen gebruikt worden t.b.v. opdrachten. Tanken voor privé gebruik is voor eigen rekening. Ook misbruik van de tankpas wordt privé verrekend.

  • -

    Schades aan het ter beschikking gestelde vervoersmiddel zijn voor eigen rekening.

  • -

    Schades bij uitgevoerde opdrachten zijn voor eigen rekening.

(…)

7d. Indien partij B de overeenkomst voortijdig opzegt (en dat komt niet door het gestelde in 7c), geldt er een boete van € 5.500,-- per vennoot. Deze boete is ter dekking van de gemaakte kosten i.v.m. deze overeenkomst.

(…)”

2.4.

Op 8 september 2019 heeft [gedaagde] een e-mail gezonden aan [eiser] met - voor zover thans relevant - de volgende inhoud:

“(…) Hierbij wil ik de samenwerking opzeggen per 10-09-2019.

Volgens afspraak in artikel 7d zal ik per 01-10-2019 een betalingsregeling in termijnen aan u betalen van het totaal afgesproken bedrag van € 5.500.

Deze zal ik gedurende van 10 maanden aan u afbetalen. (…)”

2.5.

Op 16 september 2019 heeft [eiser] een e-mail gezonden aan [gedaagde] , waarvan de inhoud als volgt luidt:

“(…) Betreft 5500,00 wat u mij nog verschuldigd ben wil ik het niet per maand betaald hebben maar in 1 keer. Vandaar dat ik de datum 22-08-2020 met u afspreek dat ik het volledige bedrag in 1 keer wil ontvangen.

Wij bespreken in de maand augustus hoe de betaling plaats zal vinden. (…)”

2.6.

In reactie op de e-mail van [eiser] van 16 september 2019 heeft [gedaagde] per e-mail van

18 september 2019 het volgende aan [eiser] medegedeeld:

“(…) Betreft het bedrag dat ik u nog verschuldigd ben van € 5.500 zal ik wat u aangeeft op 22-08-2020 volledig betalen. De betaling zal overgeschreven worden op de datum

22-08-2020 met bewijs. (…)”

2.7.

De gemachtigde van [eiser] heeft op 1 oktober 2019 een aanmaning aan [gedaagde] gezonden, waarin [gedaagde] wordt verzocht binnen vijf dagen een totaalbedrag van € 20.500,00 aan [eiser] te voldoen. Dit totaalbedrag bestaat uit een bedrag van € 5.500,00 wegens het tussentijds opzeggen van de overeenkomst (artikel 7d van de overeenkomst) alsmede een bedrag van € 15.000,00 wegens het handelen in strijd met artikel 3e van de overeenkomst, in het bijzonder het aangaan van een samenwerking met Roobol Woonwinkels (hierna: Roobol), reeds vóórdat de samenwerking tussen partijen was beëindigd.

2.8.

[eiser] heeft op 14 oktober 2019 een e-mail van Roobol ontvangen met de volgende inhoud:

“(…) Op 20 juni 2019 hebben jullie bij onze klant [naam 1] 48,00 m² laminaat gelegd. In de order staat een tussenvloer en isolator dampfolie. Jullie hebben het laminaat gelegd met de ondervloer, maar de isolator dampfolie achterwege gelaten.

Wij hebben de klant geadviseerd om isolator dampfolie te gebruiken en klant wil dit ook toegepast hebben. Nu zouden we terug moeten om meubels etc. te demonteren en te verplaatsen om het laminaat en de tussenvloer op te nemen en alsnog isolator dampfolie aan te brengen.

Dit geeft veel werk en kosten en klant heeft er niet zoveel vertrouwen in dat er geen schade gaat ontstaan. De klant geeft er daarom de voorkeur aan om de werkzaamheden in eigen beheer uit te voeren op een moment en in het tempo wat hen uitkomt. De klant wil daarvoor een vergoeding van

€ 1000,00. Deze vergoeding zullen wij aan jouw doorbelasten. (…)”

3. De vordering

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 21.500,00 aan hoofdsom, de wettelijke rente over de hoofdsom, € 990,00 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten en nakosten, alsmede de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft de samenwerkingsovereenkomst voortijdig opgezegd, zodat [gedaagde] op grond van artikel 7d van de samenwerkingsovereenkomst een boete van € 5.500,00 aan [eiser] verschuldigd is.

3.3.

Voorts is [gedaagde] , in strijd met artikel 3e van de overeenkomst, tijdens de samenwerking met [eiser] , een samenwerking aangegaan met de hoofdleverancier, Roobol. Op grond van het laatstgenoemde artikel is [gedaagde] derhalve een boete verschuldigd van € 15.000,00.

3.4.

Ten slotte stelt [eiser] dat [gedaagde] heeft verzuimd bij één van de klanten van Roobol een isolator dampfolie op de vloer aan te brengen. De klant wenst deze isolator dampfolie alsnog in eigen beheer aan te brengen en verlangt hiervoor een vergoeding van € 1.000,00. Roobol heeft deze vergoeding doorbelast aan [eiser] . [eiser] stelt dat [gedaagde] deze schade dient te vergoeden op grond van artikel 4a van de overeenkomst.

4. Het verweer

4.1.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de op grond van artikel 7d van de overeenkomst gevorderde boete van € 5.500,00 zijn partijen overeengekomen dat dit bedrag eerst op 22 augustus 2020 volledig en ineens door [gedaagde] aan [eiser] zal worden voldaan. Omdat partijen te dien aanzien een regeling zijn overeengekomen, heeft [eiser] geen belang bij zijn vordering.

4.2.

[gedaagde] betwist in strijd met artikel 3e van de overeenkomst te hebben gehandeld, zodat hij de gevorderde boete van € 15.000,00 niet verschuldigd is. De samenwerkingsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 10 september 2019. [gedaagde] is niet reeds vóór 10 september 2019 een samenwerking aangegaan met Roobol. [naam 2] en [naam 3] , beiden werkzaam bij Roobol, verklaren in gelijke zin.

4.3.

[gedaagde] wijst ten slotte iedere aansprakelijkheid af voor de op grond van artikel 4a van de overeenkomst gevorderde schade van € 1.000,00. De werkzaamheden zijn uitgevoerd in overleg met [eiser] en [gedaagde] heeft daarbij de instructies van [eiser] opgevolgd. [gedaagde] betwist bovendien de vermeende schade, nu [eiser] deze niet heeft onderbouwd. [eiser] heeft niet aangetoond dat hij de schade daadwerkelijk heeft geleden en het bedrag van € 1.000,00 aan zijn opdrachtgever heeft voldaan. Voorts is [gedaagde] nimmer in gebreke gesteld om binnen een redelijke termijn herstelwerkzaamheden uit te voeren.

5. De beoordeling

5.1.

[eiser] heeft een drietal vorderingen ingesteld, welke zijn gebaseerd op (i) artikel 7d,

(ii) artikel 3e en (iii) artikel 4a van de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst. De vorderingen zullen hieronder nader per genoemd artikel worden beoordeeld.

de gevorderde boete van € 5.500,00 ex artikel 7d van de overeenkomst

5.2.

Niet in geschil is dat [gedaagde] de overeenkomst voortijdig, dat wil zeggen per 10 september 2019, heeft opgezegd. [gedaagde] heeft ook erkend de daaruit voortvloeiende boete van

€ 5.500,00 aan [eiser] verschuldigd te zijn. In zijn e-mail van 16 september 2019 heeft [eiser] aan [gedaagde] medegedeeld dat hij volledige betaling ineens wenst. Daarbij geeft [eiser] aan dat hij volledige betaling wenst in de maand augustus 2020, waarmee [gedaagde] is akkoord gegaan. Dat een voorwaarde voor het tot stand komen van deze betalingsregeling was, dat [gedaagde] de financiering van een bus met kenteken [kentekennummer] zou overnemen van [eiser] , is door [gedaagde] betwist en volgt bovendien niet uit de hiervoor genoemde e-mails. [eiser] heeft voor het overige geen bewijs aangedragen van zijn stelling, zodat deze zal worden verworpen. Nu partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] eerst in augustus 2020 het boetebedrag van € 5.500,00 aan [eiser] zal voldoen, betekent dit dat dit deel van de vordering thans nog niet opeisbaar is en om die reden zal worden afgewezen.

de gevorderde boete van € 15.000,00 ex artikel 3e van de overeenkomst

5.3.

Partijen zijn het er over eens dat de overeenkomst door opzegging is geëindigd op 10 september 2019. Ook bestaat er geen discussie over het feit dat [gedaagde] op 10 september 2019 een eerste opdracht voor Roobol heeft uitgevoerd. Partijen verschillen evenwel van mening over de vraag of [gedaagde] reeds vóór het einde van de overeenkomst met [eiser] een samenwerking met Roobol is aangegaan in de zin van artikel 3e van de overeenkomst.

5.4.

[gedaagde] heeft schriftelijke verklaringen overgelegd van o.a. zichzelf, [naam 4] - zijn directe collega, waarmee hij de opdrachten uitvoerde - alsmede van [naam 2] en [naam 3] . Uit de verklaringen volgt dat [gedaagde] reeds vóór 10 september 2019 met Roobol heeft gesproken over het aangaan van een samenwerking. [naam 4] verklaart in dit geval als volgt:

“(…) Vrijdag 06-09-2019 zijn we weer terug gekomen bij [naam 5] met het verslag van her gesprek en eigenlijk dat we niet meer verder konden op basis van het gesprek en de houding van dhr [eiser] . (…) Ook gaf [naam 5] aan dat als alles netjes onderling opgelost was (opzeggen contract etc) er wel genoeg werk was bij roobol en dat ze graag zou zien dat we ons wilde verhuren aan roobol. (…) Na een gesprek met dhr [gedaagde] en mij persoon hebben we op maandag 09-09-2019 besloten om aan te geven bij [naam 5] hierop in te willen gaan en dat we per 10-09-2019 beschikbaar waren voor werkzaamheden voor roobol omdat we het weekend het contract hebben opgezegd en dhr [gedaagde] de boete van € 5500 te accepteren. (…)”

[gedaagde] heeft in gelijke zin verklaard:

“(…) Op maandag 09-09-2019 hebben de [naam 4] en ik de laatste opdracht voor de heer [eiser] uitgevoerd, na de klus zijn de [naam 4] en ik naar [naam 2] (Roobol) geweest. Wij hebben aangegeven dat wij per 10-09-2019 beschikbaar zijn voor klussen en alles afgerond is, [naam 2] heeft ons aangegeven om naar de planning te gaan of er eventueel van af 10-09-2019 werk is. [naam 6] (Roobol) van de planning heeft aangegeven dat ze later er op terug zou komen of er per 10-09-2019 werk is, einde van de dag heeft [naam 6] (Roobol) van de planning aangeven dat er werk is per 10-09-2019. (…)”

Deze verklaringen van [gedaagde] en [naam 4] vinden steun in hetgeen mevrouw [naam 2] namens Roobol heeft verklaard:

“(…) De vrijdag erna is [naam 7] bij mij geweest dat er mondelinge afspraken met [naam 8] gemaakt waren om los te gaan en dat alles geregeld was. Maandag 9-9 is aangegeven dat e.e.a. geregeld was en dat [naam 7] beschikbaar zou zijn. (…)”

5.5.

Uit deze verklaringen volgt dat Roobol op 6 september 2019 een aanbod aan [gedaagde] heeft gedaan om werkzaamheden voor Roobol te gaan verrichten. [gedaagde] heeft dit aanbod vervolgens op 9 september 2019 aanvaard. Op grond van artikel 6:217 BW is hiermee op

9 september 2019 een overeenkomst tussen [gedaagde] en Roobol tot stand gekomen, op basis waarvan [gedaagde] in opdracht van Roobol werkzaamheden zou gaan verrichten. Het enkele feit dat de daadwerkelijke werkzaamheden eerst zijn aangevangen nadat de samenwerkingsovereenkomst met [eiser] is geëindigd, doet niet af aan het feit dat [gedaagde] reeds vóór 10 september 2019 een samenwerking met Roobol is aangegaan. Een en ander betekent dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met artikel 3e van de overeenkomst met [eiser] .

5.6.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is [gedaagde] een contractuele boete aan [eiser] verschuldigd geworden. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op matiging van de contractuele boete ex artikel 6:94 BW. De kantonrechter dient bij de beoordeling van een verzoek tot matiging terughoudend te zijn. Voor matiging van de boete is derhalve slechts plaats indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Die maatstaf brengt mee dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, LJN AZ6638, NJ 2007/262, Intrahof/Bart Smit).

5.7.

In dit kader is van belang dat de strekking van artikel 3e is dat [eiser] wil voorkomen dat [gedaagde] - door tijdens de samenwerking met [eiser] rechtstreeks met Roobol te contracteren - opdrachten aanneemt, die anders aan [eiser] zouden zijn gegund. Daarvan is echter geen sprake. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat, nu [gedaagde] rechtstreeks voor Roobol werkt, dit ten koste gaat van de opdrachten die anders via [eiser] konden worden uitgevoerd, doch hij heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft [gedaagde] de eerste rechtstreeks voor Roobol uitgevoerde opdracht eerst verricht op 10 september 2019, nádat de samenwerking met [eiser] was geëindigd. Het stond Roobol vrij deze opdracht aan te bieden aan wie zij wilde. Niet staat vast dat Roobol deze opdracht aan [eiser] zou hebben gegund, indien de samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde] nog zou hebben voortgeduurd.

5.8.

[eiser] heeft voorts niet aangetoond dat hij schade heeft geleden en, indien er sprake is van schade, hoe hoog deze schade werkelijk is. Nu niet is gebleken dat [eiser] schade heeft geleden, constateert de kantonrechter dat er sprake is van een disproportionele discrepantie tussen de verbeurde boete van € 15.000,00 en de schade die [eiser] heeft geleden, welke schade immers op nihil moet worden gesteld.

5.9.

Voorts blijkt uit de verklaringen van [gedaagde] , [naam 4] en [naam 2] dat [gedaagde] steeds de intentie heeft gehad eerst de beëindiging van de samenwerking met [eiser] te regelen alvorens zich aan Roobol te willen verbinden. Om die reden heeft [gedaagde] nog geen opdrachten uitgevoerd voordat de samenwerking met [eiser] was geëindigd.

5.10.

Van belang is voorts de omstandigheid dat de relatie tussen partijen inmiddels was verslechterd en er sprake was van een op zeer korte termijn aflopende samenwerking tussen partijen. Bovendien is [gedaagde] slechts één dag voor het einde van de samenwerking daadwerkelijk met Roobol in zee gegaan, daarbij in de veronderstelling levend dat de samenwerking met [eiser] op correcte wijze was afgehandeld. Onder deze omstandigheden is dan ook slechts sprake van een zeer geringe tekortkoming door [gedaagde] .

5.11.

Gezien voornoemde omstandigheden leidt toepassing van het boetebeding naar het oordeel van de kantonrechter tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. De in beginsel verbeurde boete van € 15.000,00 zal worden gematigd tot nihil.

5.12.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat deze vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

de gevorderde schade van € 1.000,00 ex artikel 4a van de overeenkomst

5.13.

[eiser] heeft ter onderbouwing van dit deel van zijn vordering een e-mail van Roobol van 14 oktober 2019 in het geding gebracht. In die e-mail heeft Roobol aangekondigd een bedrag van € 1.000,00 aan [eiser] te zullen doorbelasten, bestaande uit de vergoeding, die Roobol met haar klant is overeengekomen voor het in eigen beheer uitvoeren van herstelwerkzaamheden. Uit deze e-mail kan slechts worden afgeleid dat er een betalingsverplichting voor [eiser] aan Roobol is of zal ontstaan. [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat het weglaten van het dampfolie in opdracht van [eiser] geschiedde. Zo [eiser] dan al aan Roobol een bedrag heeft voldaan, hetgeen niet is gebleken, dan impliceert dit niet zonder nadere onderbouwing na het verweer van [gedaagde] , welke onderbouwing ontbreekt, dat [gedaagde] dit bedrag aan [eiser] verschuldigd is. Dit onderdeel van de vordering zal derhalve evenmin worden toegewezen.

5.14.

Het bovenstaande betekent dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De eveneens gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten delen dientengevolge hetzelfde lot.

5.15.

Hetgeen partijen voor het overige nog naar voren hebben gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.

5.16.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van [gedaagde] worden veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 960,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487