Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5768

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
8335974
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur standplaats camping

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8335974 \ CV EXPL 20-5762

uitspraak: 26 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de vennootschap onder firma

Camping Gorshoeve,

gevestigd te Oostvoorne,

eiseres,

gemachtigde: mr. L.R. Ridderbroek, advocaat te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Gorshoeve” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 6 februari 2020, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] op de rolzitting van 25 februari 2020;

  • -

    het tussenvonnis van 25 februari 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van de griffier van 31 maart 2020;

  • -

    de conclusie van repliek.

1.2.

Vanwege de corona-maatregelen heeft de mondelinge behandeling geen doorgang gevonden. Bij brief van 31 maart 2020 is aan partijen medegedeeld dat de procedure schriftelijk zal worden voortgezet en is de zaak verwezen naar de rolzitting van 30 april 2020 voor het indienen van een conclusie van repliek.

[gedaagde] heeft, hoewel daartoe naar behoren opgeroepen, niet meer gereageerd op de zitting van 28 mei 2020.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1.

[gedaagde] huurt vanaf 1 januari 2018 van Gorshoeve een standplaats op de door Gorshoeve geëxploiteerde camping aan het adres [adres] , gemeente Westvoorne. Op die standplaats, aangeduid met nummer 24, is door [gedaagde] een stacaravan geplaatst. [gedaagde] is voor de standplaats jaarlijks een bedrag aan jaargeld verschuldigd, welk bedrag bestaat uit - onder meer - de huur van de standplaats, elektriciteitskosten, verzekeringen en diverse heffingen en belastingen. Partijen zijn overeengekomen dat het jaargeld in twee termijnen zal worden voldaan. De eerste helft van het jaargeld dient vóór 1 februari van het betreffende jaar voldaan te zijn. De tweede helft dient vóór 1 april van het betreffende jaar voldaan te zijn.

2.2.

Op de overeenkomst tussen partijen zijn de ‘RECRON-voorwaarden voor vaste plaatsen voor verplaatsbare kampeermiddelen’ van toepassing. Artikel 3 lid 1 luidt als volgt:

“De overeenkomst wordt voor de eerste maal aangegaan voor de duur van één jaar. De overeenkomst die lopende het jaar wordt afgesloten wordt aangegaan voor het resterende deel van dat jaar en loopt tot het einde van het op het bedrijf gebruikelijke overeenkomstenjaar. Zij wordt na afloop daarvan telkens voor één jaar verlengd onder de dan geldende voorwaarden.”

2.3.

Gorshoeve heeft op 7 januari 2019 een factuur betreffende o.a. het verschuldigde jaargeld over 2019 ad € 1.907,83 aan [gedaagde] gezonden.

2.4.

De gemachtigde van Gorshoeve heeft [gedaagde] per brief van 24 september 2019 aangemaand om binnen 14 dagen vanaf de dag nadat [gedaagde] de brief heeft ontvangen, een totaalbedrag van € 1.926,23 aan Gorshoeve te voldoen bij gebreke waarvan de vordering verhoogd zal worden met buitengerechtelijke kosten.

2.5.

Op 5 januari 2020 heeft Gorshoeve een factuur ten aanzien van het jaargeld over 2020 ad € 1.755,18 aan [gedaagde] gezonden.

2.6.

De gemachtigde van Gorshoeve heeft [gedaagde] per e-mail van 13 januari 2020 nogmaals aangemaand om binnen 14 dagen vanaf de dag nadat [gedaagde] de e-mail heeft ontvangen, een totaalbedrag van € 3.692,98 aan Gorshoeve te voldoen, bij gebreke waarvan de vordering verhoogd zal worden met buitengerechtelijke kosten.

3. De vordering

3.1.

Gorshoeve heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling aan Gorshoeve van de door Gorshoeve genoemde bedragen, bestaande uit € 3.663,01 aan achterstallig jaargeld over de jaren 2019 en 2020, € 29,97 aan tot 9 januari 2020 verschenen rente en € 491,30 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2020 over € € 3.663,01, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan haar vordering legt Gorshoeve - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat [gedaagde] , ondanks aanmaning, in gebreke is gebleven met de tijdige betaling van het verschuldigde jaargeld over 2019 en 2020. Op grond van de gemaakte afspraken zou het over 2020 verschuldigde jaargeld eerst op 1 februari 2020 respectievelijk 1 april 2020 opeisbaar zijn. [gedaagde] is echter meerdere betalingstoezeggingen niet nagekomen en heeft aangegeven niet te kunnen betalen vanwege het bestaan van een hoge schuldenlast. Uit deze mededelingen leidt Gorshoeve af dat [gedaagde] (ook) in de nakoming van zijn betalingsverplichting over 2020 zal tekortschieten, zodat - ex artikel 6:80 lid 1 sub b BW en artikel 6:83 sub c BW - de gevolgen van niet nakoming reeds voordat dit deel van de vordering opeisbaar is, zijn ingetreden. Deze tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – aangevoerd dat de factuur voor het jaar 2019 in termijnen kon worden voldaan, doch dat de factuur voor het jaar 2020 binnen één dag moest worden voldaan. [gedaagde] heeft nog meer schulden en wil graag in termijnen betalen. Gorshoeve is echter niet akkoord gegaan met een betalingsregeling.

4. De beoordeling van de vordering

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de huurovereenkomst tussen partijen is aangevangen op

1 januari 2018 voor de duur van één jaar. Op grond van artikel 3 lid 1 van de RECRON-voorwaarden wordt de overeenkomst na afloop van deze termijn telkens automatisch voor één jaar verlengd onder de dan geldende voorwaarden. De overeenkomst is op 1 januari 2020 nogmaals voor één jaar verlengd en loopt derhalve thans nog door tot 31 december 2020.

4.2.

Niet in geschil is dat [gedaagde] de factuur van 7 januari 2019, waarin begrepen het jaargeld voor 2019, niet heeft voldaan. Ten aanzien van het jaargeld over het jaar 2020 heeft [gedaagde] gesteld dat het verschuldigde bedrag - in tegenstelling tot het jaargeld over 2019 - binnen één dag voldaan diende te worden. Deze stelling vindt geen steun in de door Gorshoeve overgelegde factuur van 5 januari 2020. Conform hetgeen in de overeenkomst is bepaald, is in deze factuur immers vermeld dat het [gedaagde] is toegestaan het jaargeld over 2020 in twee (gelijke) termijnen te voldoen, dat wil zeggen op 1 februari 2020 respectievelijk 1 april 2020.

4.3.

Voor zover [gedaagde] doelt op het feit dat Gorshoeve reeds bij dagvaarding van 6 februari 2020 het volledige jaargeld over 2020 heeft gevorderd, heeft Gorshoeve gesteld uit de mededelingen van [gedaagde] afgeleid te hebben dat [gedaagde] in de nakoming van zijn betalingsverplichting over 2020 zal tekortschieten, zodat - ex artikel 6:80 lid 1 sub b BW en artikel 6:83 sub c BW - de gevolgen van niet nakoming reeds voordat het jaargeld over 2020 volledig opeisbaar is, zijn ingetreden. Te dien aanzien wordt overwogen dat voor een geslaagd beroep op artikel 6:80 lid 1 sub b BW vereist is dat de mededelingen van [gedaagde] een definitief karakter hebben; de subjectieve bereidheid tot nakoming dient bij [gedaagde] te ontbreken. Daarvan is echter geen sprake. Uit de e-mailberichten van [gedaagde] volgt - kort samengevat - juist dat hij wel bereid is het jaargeld te voldoen, doch dat hem hiertoe de financiële middelen ontbreken. Dit betekent dat de tweede helft van het jaargeld over 2020 ten tijde van dagvaarding nog niet opeisbaar was, doch dat dit eerst op 1 april 2020 het geval was. Tijdens onderhavige procedure is dat deel van het jaargeld echter wel opeisbaar geworden, zodat [gedaagde] thans het volledige jaargeld over 2020 verschuldigd is.

4.4.

[gedaagde] kan niet aan Gorshoeve tegenwerpen dat zij niet akkoord ging met een betalingsregeling. Nog afgezien van het feit dat uit de overgelegde correspondentie volgt dat daartoe aan de zijde van Gorshoeve zeker bereidheid bestond, is Gorshoeve geenszins verplicht akkoord te gaan met betaling in termijnen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:29 BW is de kantonrechter niet gerechtigd zonder instemming van Gorshoeve een betalingsregeling vast te stellen. Het staat [gedaagde] vrij om, naar aanleiding van het vonnis, met (de gemachtigde van) Gorshoeve in overleg te treden voor het treffen van een betalingsregeling.

4.5.

Het bovenstaande leidt ertoe dat het gevorderde betreffende de facturen van 7 januari 2019 en 5 januari 2020 ad € 3.663,01 zal worden toegewezen.

4.6.

Ten aanzien van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter het volgende. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Betaling van het overeengekomen jaargeld heeft daarbij te gelden als een van de essentiële verplichtingen die voortvloeien uit de onderhavige huurovereenkomst. Vast staat dat [gedaagde] het jaargeld over zowel 2019 als 2020 volledig onbetaald heeft gelaten. De hoogte van deze betalingsachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst.

De omstandigheid dat [gedaagde] nog meer schulden heeft, leidt niet tot een ander oordeel, nu dat hem niet bevrijdt van zijn betalingsverplichtingen ten opzichte van Gorshoeve. Op grond van het voorgaande zal de kantonrechter de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde toewijzen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn in redelijkheid wordt gesteld op veertien dagen.

4.7.

De gevorderde verschenen wettelijke rente, berekend tot 9 januari 2020, van

€ 29,97 alsmede de wettelijke rente vanaf 9 januari 2020 zal, als op de wet gegrond en door [gedaagde] niet weersproken, worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

4.8.

Gorshoeve maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In deze beoordeling worden uitsluitend de overgelegde aanmaningen meegenomen, die voldoen aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen. Gorshoeve heeft zowel op 24 september 2019 als op 13 januari 2020 een aanmaning aan [gedaagde] gezonden. Laatstgenoemde aanmaning ziet echter, onder meer, op het jaargeld over 2020, welke op 13 januari 2020 nog niet volledig opeisbaar was. Voor de vaststelling van de aan Gorshoeve toekomende vergoeding voor incassokosten zal dan ook slechts worden uitgegaan van het totaalbedrag waarvoor [gedaagde] op 24 september 2019 kosteloos is aangemaand, te weten € 1.926,23. Derhalve is aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 286,17 toewijsbaar.

4.9.

[gedaagde] zal, als de in overwegende mate in het ongelijke gestelde partij, in de proceskosten van Gorshoeve worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Gorshoeve te betalen € 1.907,83 aan achterstallig jaargeld over 2019 en € 29,97 aan tot 9 januari 2020 verschenen rente, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 1.907,83 vanaf 9 januari 2020 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan Gorshoeve te betalen € 1.755,18 aan achterstallig jaargeld over 2020, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 877,59 vanaf 1 februari 2020 tot 1 april 2020 en over € 1.755,18 vanaf 1 april 2020 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan Gorshoeve te betalen een bedrag van € 286,17 aan buitengerechtelijke kosten;

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Gorshoeve te stellen;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Gorshoeve vastgesteld op € 584,09 aan verschotten (waarvan € 499,00 aan griffierecht en

€ 85,09 aan dagvaardingskosten) en € 420,00 aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487