Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5717

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
10/652055-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor openlijk geweld samen met zijn broer en de diefstal van de telefoon van de aangever. Aan hem is daarvoor een taakstraf van 40 uren opgelegd. Hierbij heeft het aanzienlijke tijdsverloop (het ging over feiten van 31 oktober 2015) een rol gespeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/652055-16

Datum uitspraak: 18 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. J.P.R. Broers, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. van der Meij heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uur, met toepassing van 40 dagen vervangende hechtenis, voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering feit 1 en 2

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat er weliswaar een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en aangever [naam slachtoffer] (hierna: de aangever), maar dat de eerste duw van de aangever zelf kwam. Daarna zijn er wat slaande en duwende bewegingen over en weer gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment op de grond is gevallen. Terwijl hij op de grond lag, zag hij een telefoon liggen en die heeft hij meegenomen in de veronderstelling dat het zijn telefoon was. De verdachte ontkent de telefoon te hebben gestolen. Hij heeft de telefoon de eerstvolgende werkdag na het incident ook ingeleverd bij de politie. Verder heeft de aangever het geweld zeer overdreven en dat blijkt ook uit het beperkte letsel wat bij hem is geconstateerd.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. Op basis van de aangifte en de getuigenverklaringen in het dossier is genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte met zijn handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat heeft plaatsgevonden. Dat de aangever wellicht heeft overdreven met betrekking tot de omvang van het geweld maakt dat niet anders.

Met betrekking tot feit 2 acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij de telefoon heeft meegenomen omdat hij dacht dat het zijn eigen telefoon was niet aannemelijk. De verdachte is pas op zitting met deze verklaring gekomen. Bovendien komt die niet overeen met de verklaringen van getuigen die benoemen dat het juist de aangever was die op de grond lag. Op het moment dat de verdachte de telefoon, wederrechtelijk, heeft meegenomen was de diefstal al voltooid. Dat hij de telefoon een aantal dagen later bij de politie heeft afgegeven leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en diefstal van een telefoon.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 31 oktober 2015 te Rotterdam,

op de openbare weg, te weten de [plaats delict] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] , welk geweld bestond uit (met kracht)

- trekken aan de trui van die [naam slachtoffer] , en

- ( met de vuist) slaan tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] , en

- ( terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag) schoppen/trappen tegen

de armen en/of de benen en/of het hoofd, van die [naam slachtoffer] .

2.

hij op 31 oktober 2015 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk/type Apple iPhone 4S), toebehorende aan [naam slachtoffer] ;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

2. diefstal

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, samen met de medeverdachte, openlijk geweld gepleegd tegen het slachtoffer. Er is een woordenwisseling ontstaan tussen het slachtoffer en de verdachte. Uiteindelijk is het slachtoffer door de verdachte en de medeverdachte geschopt en geslagen tegen zijn lichaam en hoofd. Het geweld is pas gestopt na ingrijpen door voorbijgangers. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke ervaringen nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid bij slachtoffers kunnen veroorzaken. Daarnaast roepen dit soort gedragingen gevoelens van onveiligheid in de samenleving op, vooral omdat de vechtpartij overdag plaatsvond in een drukke straat waar veel mensen bij aanwezig waren.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 juli 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Bij de bepaling van de duur van de taakstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voorts is in strafmatigende zin rekening gehouden met het niet onaanzienlijke tijdsverloop en het feit dat de verdachte sindsdien niet meer is vervolgd voor strafbare feiten.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 447,95 aan materiële schade.

Standpunt officier van justitie

De schade is voldoende onderbouwd en kan dan ook volledig worden toegewezen.

Standpunt verdediging

Uit de vordering blijkt niet dat de reparatiekosten van de telefoon zijn betaald. Dit wordt betwist. Met betrekking tot de schade aan de trui staat niet vast dat het om dezelfde trui gaat. Daarnaast is niet bekend of hij dat bedrag voor die trui heeft betaald en wat de waarde nog was op het moment van het incident.

Beoordeling

Door de benadeelde partij is een bedrag van € 428,- gevorderd voor schade aan een trui en een bedrag van € 19,95 voor beschadiging aan een Iphone 4S.

Met betrekking tot de trui ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat het niet om dezelfde trui zou gaan als de benadeelde partij ten tijde van het bewezen verklaarde strafbare feit aan had. Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht aan deze trui. Echter kan niet worden vastgesteld hoe oud de trui was en daarmee welke waarde die op dat moment had. Om die reden zal de schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 100,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met betrekking tot de gevorderde schade aan de telefoon kan niet worden vastgesteld of die schade is veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in dat deel van zijn vordering.

Omdat de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 31 oktober 2015.

Omdat de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 100,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 36 (zesendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 18 dagen;

veroordeelt de verdachte, hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro), aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 100,- (hoofdsom, zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van

€ 100,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en W.H.S. Duinkerke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 31 oktober 2015 te Rotterdam,

op of aan de openbare weg, te weten de [plaats delict] , in elk geval op of aan een

openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit (met kracht) meermalen, althans eenmaal:

- duwen/trekken aan de trui van die [naam slachtoffer] , en/of

- ( met de vuist) slaan tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] , en/of

- duwen tegen de borst van die [naam slachtoffer] , en/of

- ( terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag) schoppen/trappen in/op/tegen het kruis

en/of de armen en/of de maag en/of de benen en/of het hoofd, althans het

lichaam, van die [naam slachtoffer] ;

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 31 oktober 2015 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen

een mobiele telefoon (merk/type Apple iPhone 4S), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 oktober 2015 te Rotterdam

opzettelijk

een mobiele telefoon (merk/type Apple iPhone 4S), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte,

en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten

als vinder,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 321 Wetboek van Strafrecht)