Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5716

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
10/652056-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van het voorhanden hebben van een patroonhouder en munitie, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om wettig en overtuigend bewezen te achten dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van de goederen. Het enkele aantreffen van die goederen in de auto van de verdachte is in dit geval onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring. Ook is verdachte vrijgesproken van een poging doodslag dan wel zware mishandeling door de aangever tegen het hoofd te schoppen. Daartoe is overwogen dat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld welk letsel de aangever heeft opgelopen, wat de intensiteit is geweest van het schoppen, met wat voor schoeisel er is geschopt en waar op het hoofd er is geschopt. Wel is verdachte veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld samen met zijn broer. Aan hem is daarvoor een taakstraf van 40 uren opgelegd. Hierbij heeft het aanzienlijke tijdsverloop (het ging over een feit van 31 oktober 2015) een rol gespeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/652056-16

Datum uitspraak: 18 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. K. Blonk, advocaat te Spijkenisse.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. van der Meij heeft gevorderd:

  • -

    vijspraak van de onder 1 ten laste gelegde poging doodslag;

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging, en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uur, met toepassing van 50 dagen vervangende hechtenis, voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.

4. Ontvankelijkheid officier van justitie feit 2 en 3

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het openbaar ministerie in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de verdachte wel te vervolgen maar drie medeverdachten in hetzelfde onderzoek, die onder vergelijkbare omstandigheden zijn aangehouden, niet. De zaken tegen twee van hen zijn in 2016 al geseponeerd, en bij de derde is de zaak op 29 mei 2018 gesponeerd met als reden dat het feit ‘nu te oud is’.

Beoordeling

In artikel 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.

De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Uit het gelijkheidsbeginsel volgt dat gelijke of vergelijkbare gevallen gelijk behandeld dienen te worden. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken, omdat uit de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat er sprake was van gelijke gevallen.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak feit 2 en 3

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een patroonhouder en munitie. De verdachte is aangehouden in een auto waar hij kentekenhouder, bestuurder en enige inzittende van was. Vervolgens zijn in de auto kogelpatronen, een pistoolfoedraal en een patronentas aangetroffen. Uitgangspunt is dat je op de hoogte bent van wat er in je auto ligt. De verdachte heeft hierover geen ontzenuwende verklaring afgelegd.

Beoordeling

De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht een tas met inhoud bij iemand thuis heeft opgehaald op verzoek van een vriend, het zou gaan om een tas met kleding. Deze tas heeft hij in zijn auto gezet en hij is weggereden. Vrijwel direct hierna is hij door de politie aangehouden. De politie treft dan in “een soort hoes” een koffer aan met daarin onder meer doosjes met kogelpatronen. De verdachte stelt zich op het standpunt dat met de door de politie beschreven hoes, de door hem opgehaalde tas bedoeld wordt. Nu het dosssier geen foto’s bevat van het aantreffen van de goederen en de processen-verbaal geen nadere omschrijving van de hoes bevatten, zal de rechtbank de verdachte hierin volgen.
De verdachte ontkent dat hij wist dat er een patroonhouder en kogelpatronen in voornoemde tas zaten. Getuigenverklaringen ondersteunen de verklaring van de verdachte dat een vriend van hem had gevraagd of hij die nacht een tas met kleding voor hem wilde ophalen en dat de verdachte inderdaad kort voor zijn aanhouding een tas heeft opgehaald bij de vader van die vriend. De rechtbank overweegt dat er ook in dat scenario omstandigheden zijn die vragen oproepen, maar dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om wettig en overtuigend bewezen te achten dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de patroonhouder en kogelpatronen in zijn auto. Het enkele aantreffen van die goederen in de auto van de verdachte is in dit geval onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben daarvan.

Conclusie

De onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten zijn niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.2.

Bewijswaardering feit 1

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte aangever [naam slachtoffer] (hierna: de aangever) heeft geslagen en geschopt tegen zijn lichaam en tegen het hoofd. Samen met de medeverdachte heeft hij deelgenomen aan het geweld tegen de aangever zodat de verdachte dient te worden veroordeeld voor openlijke geweldpleging. Omdat onduidelijk is hoe hard er geschopt is, moet hij worden vrijgesproken van de poging doodslag. Echter, omdat schoppen tegen het hoofd levensbedreigende stoornissen tot gevolg kan hebben, heeft hij zich wel eveneens schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling.

Standpunt verdediging

De verdachte ontkent niet dat hij samen met zijn medeverdachte betrokken is geweest bij een vechtpartij met de aangever. Hetgeen de aangever daarover heeft verklaard, kan echter nooit kloppen gelet op het letsel wat bij hem is geconstateerd. In het dossier zit ook nauwelijks medische informatie over dat letsel. De handelingen door de verdachte gepleegd kunnen hooguit gekwalificeerd worden als openlijke geweldpleging.

Beoordeling

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde poging doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is echter van oordeel dat de verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde poging zware mishandeling. Deze poging zou hierin hebben bestaan dat de verdachte opzettelijk tegen het hoofd van de aangever heeft geschopt.

Op basis van het dossier kan echter onvoldoende worden vastgesteld welk letsel de aangever heeft opgelopen, wat de intensiteit is geweest van het schoppen, met wat voor schoeisel er is geschopt en waar op het hoofd er is geschopt.

De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte samen met zijn medeverdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen de aangever.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 31 oktober 2015 te Rotterdam,

op de openbare weg, te weten de [plaats delict] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit (met kracht)

- trekken aan de trui van die [naam slachtoffer] , en

- ( met de vuist) slaan tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] , en

- ( terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag) schoppen/trappen tegen

de armen en/of de benen en/of het hoofd, van die [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, samen met de medeverdachte, openlijk geweld gepleegd tegen het slachtoffer. Er is een woordenwisseling ontstaan tussen het slachtoffer en de medeverdachte waar de verdachte zich in heeft gemengd. Uiteindelijk is het slachtoffer door de verdachte en de medeverdachte geschopt en geslagen tegen zijn lichaam en hoofd. Het geweld is pas gestopt na ingrijpen door voorbijgangers. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke ervaringen nog lange tijd gevoelens van angst en onveligheid bij slachtoffers kunnen veroorzaken. Daarnaast roepen gedragingen als van beide verdachten gevoelens van onveiligheid in de samenleving op, vooral omdat de vechtpartij overdag plaatsvond in een drukke straat waar veel mensen bij aanwezig waren.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 juli 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Bij de bepaling van de duur van de taakstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voorts is in strafmatigende zin rekening gehouden met het niet onaanzienlijke tijdsverloop en het feit dat de verdachte sindsdien niet meer is vervolgd voor strafbare feiten. Door de raadsvrouw is verzocht om te volstaan met een schuldigverklaring zonder straf, maar daartoe ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank zal wel een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist omdat de verdachte van meerdere feiten wordt vrijgesproken.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 447,95 aan materiële schade.

Standpunt verdediging

De schade is onvoldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit de vordering blijkt niet dat hij de reparatiekosten van de telefoon heeft betaald. Dit wordt betwist. Met betrekking tot de schade aan de trui staat niet vast dat het om dezelfde trui gaat. Daarnaast is niet duidelijk hoe oud de trui was en of hij nog gerepareerd kon worden.

Beoordeling

Door de benadeelde partij is een bedrag van € 428,- gevorderd voor schade aan een trui, en een bedrag van € 19,95 voor beschadiging aan een Iphone 4S.

Met betrekking tot de trui ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat het niet om dezelfde trui zou gaan als de benadeelde partij ten tijde van het bewezen verklaarde strafbare feit aan had. Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht aan deze trui. Echter kan niet worden vastgesteld hoe oud de trui was en daarmee welke waarde die op dat moment had. Om die reden zal de schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 100,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met betrekking tot de gevorderde schade aan de telefoon kan niet worden vastgesteld of die schade is veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in dat deel van zijn vordering.

Omdat de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 31 oktober 2015.

Omdat de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 100,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde poging doodslag en poging zware mishandeling, alsmede de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde openlijke geweldpleging, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 36 (zesendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 18 dagen;

veroordeelt de verdachte, hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro), aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 100,- (hoofdsom, zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van

€ 100,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en W.H.S. Duinkerke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 31 oktober 2015 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [naam slachtoffer] (met kracht), meermalen, althans eenmaal op/tegen het

hoofd heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 31 oktober 2015 te Rotterdam,

op of aan de openbare weg, te weten de [plaats delict] , in elk geval op of aan een

openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit (met kracht) meermalen, althans eenmaal:

- duwen/trekken aan de trui van die [naam slachtoffer] , en/of

- ( met de vuist) slaan tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] , en/of

- duwen tegen de borst van die [naam slachtoffer] , en/of

- ( terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag) schoppen/trappen in/op/tegen het kruis

en/of de armen en/of de maag en/of de benen en/of het hoofd, althans het

lichaam, van die [naam slachtoffer] ;

(artikel 287/45 en/of artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(parketnummer 10/662093-16)

hij op of omstreeks 14 februari 2016 te Rotterdam

een patroonhouder, geschikt/bestemd voor een wapen als bedoeld in artikel 2

lid 1 Categorie II onder 2 van de Wet Wapens en Munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet,

geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;

(artikel 3 jo 26 jo 55 Wet wapens en munitie)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 14 februari 2016 te Rotterdam

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie,

te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie

II onder 1 te weten

- 25 kogelpatronen, kaliber 7.65mm en/of

- 91 kogelpatronen, kaliber 9mm

zijnde munitie die uitsluitend geschikt is voor vuurwapens van de Categorie

II,

voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 jo 55 Wet wapens en munitie)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie